Overijssel stookt hout met een knipoog naar oude hakcultuur

'Eikenhakhout langs de Vecht. Ambacht rond Dalfsen in de negentiende eeuw', door Ab Goutbeek, uitg Matrijs. Prijs euro 19,95.

Het onderschrift bij de foto van die tanige meneer aan de staart van dit verhaal, behoeft al een woordenboek. Maar gelukkig levert auteur Ab Goutbeek van de uitgave 'Eikenhakhout langs de Vecht' dat er ook bij.

Een 'eekschiller' is een dagloonwerker die de eikenschors (eek) van het hakhout steekt om deze te verwerken tot looimiddel voor leer en voor de verduurzaming van touw en zeilen. 'Schelhout' is het dunnere geschilde eikenhout. En 'talhout' is de wat dikkere versie. En dat is alleen nog maar één foto-onderschrift.

Het boek van Goutbeek leidt de lezer door een onnavolgbaar jargon in een onbekende wereld. Hij beschrijft uitvoerig hoe in de negentiende eeuw in Overijssel een productielandschap ontstond waar geld werd verdiend met een bijzondere vorm van bosbouw: de hakhoutcultuur. Met zeer eenvoudige gereedschappen en onder slechte arbeidsomstandigheden kapten landarbeiders langs de Vecht het jonge eikenhout, om dat voor alles en nog wat te gebruiken.

In een hakhoutcomplex, zeg maar de 'bosakker', werd jaarlijks een negende deel van het eikenhout gekapt waardoor er gaten in het landschap werden geslagen. De telers maakten gebruik van de eigenschap dat veel boomsoorten weer snel uitlopen nadat de stam is gekapt. Het na de kap resterende deel wordt stobbe of stoof genoemd. Hierop ontstond de 'pruik' van nieuwe loten die na een aantal jaren opnieuw werden geoogst.

De bospercelen groeiden na elke hak weer uit tot een opgaand struweelbos van 3 à 4 meter hoogte waarvan de bodem alleen bedekt was met dor blad. Het perceel was omgeven door een mantel van ondoordringbaar struikgewas. Daarbinnen bevond zich een levenloze holle ruimte, hermetisch afgesloten door het dichte bladerdak.

Van een grote soortenrijkdom was bij hakhout op zandgrond dan ook geen sprake. Na 1950 hebben natuurontwikkelaars geprobeerd de oude houtakkers om te vormen naar opgaand bos, maar pas na 25 jaar begonnen daar de eerste planten een beetje op te komen. Toch gaat het nu steeds beter met dit oude landschap.

Het aardige is, zo blijkt uit het historische boek van Goutbeek, dat de eikenhakhoutcultuur niet een fenomeen is dat in vorige eeuwen is achtergebleven, maar ook in deze tijd een stempel drukt op Overijssel. De oude houtwallen, singels, stobben en de uitgesleten koedriften daartussen vormen inmiddels een cultuurlandschap dat veel waarde heeft voor planten en dieren. Vanuit de oude boswallen en singels kruipen de bosanemoon en de klaverzuring, die als waardplant weer vlinders aantrekken. De warrige struwelen van kamperfoelie bieden uitstekende nestruimte voor vogels. In het vijftig jaar oude hout zijn inmiddels de spotvogel en de wielewaal te horen, maar ook de fluiter, braamsluiper en goudvink.

Ook voor de mens krijgt dit gebied steeds meer waarde, een recreatieve. Niet voor niets is er rond Dalfsen een fietstocht uitgezet langs alle landschapselementen die zijn ontstaan in de tijd van de eikenhakhoutcultuur. Juist die geven hier reliëf aan het elders zo eentonige agrarisch buitengebied.

Nog maar twee jaar geleden is de Zwolse nieuwbouwwijk Breecamp-Oost aangesloten op stadsverwarming afkomstig van een hout gestookte centrale. De twee ovens van 1,5 megawatt verbranden uitsluitend snoeihout dat in snippers wordt aangeleverd. Het is een overstap van fossiele brandstof naar biobrandstof, én een knipoog naar de hakhoutcultuur van anderhalve eeuw geleden.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden