Overheid sloopt de liefde voor vreemde talen

In plaats van Racines Britannicus een grappig boekje, bestemd voor het tweede leerjaar, Le petit Nicolas van Sempé en Goscinny, in plaats van Sartres Le Mur: Asterix. Dat is zelfs geen verarming, verschraling of verwording: literatuuronderwijs op de middelbare school bestaat niet meer. Dat is jammer, dat is erg, dat is verschrikkelijk. Maar waarom eigenlijk?

Jan Siebelink

De docenten, aan het woord in de Verdieping van woensdag 29 mei, voeren voor hun teleurstelling de bekende motieven aan. Wat komt er terecht van cultuuroverdracht? De school mag toch ook wel iets onderwijzen dat mooi is en niet direct rendement oplevert? Nu gaan leerlingen van school en hebben nooit van Balzac gehoord.

Hun argumenten voor het behoud van de literatuur herinneren mij aan de jaren zeventig van de vorige eeuw. De minister van onderwijs kondigde de Harmonisatiewet aan. Daarin was bepaald dat het Frans uit de brugklas zou verdwijnen en dus van school. Want wie zou in de tweede of derde klas zo'n moeilijk vak vrijwillig kiezen? Een handtekeningenactie volgde en er was een landelijke demonstratie in de Haagse Houtrusthallen. Intellectuelen als de essayist Rudy Kousbroek kwamen in het geweer en probeerden de minister te overreden van zijn plan af te zien. De grootse Franse Cultuur. Diens schoonheid. Mochten leerlingen daarvan verstoken blijven?

Ikzelf ben niet in de Houtrusthallen geweest. Fysiek ben ik niet tot demonstreren in staat. Ik heb ook geen handtekening gezet. Te verbouwereerd en inwendig woedend. Had ik na mijn onderwijzersexamen negen jaar in de avonduren aan rijksinstellingen voor MO-A, MO-B en doctoraal Frans gestudeerd en was ik koud aan het Marnix College te Ede benoemd of datzelfde rijk wilde mijn vak afschaffen.

Moest een minister duidelijk gemaakt worden dat Frans een hoogst belangrijk en nuttig vak was? Een tijdje raakte ik vervreemd van mijn sectiegenoten op school die wel actie gevoerd hadden. De Harmonisatiewet werd tijdelijk in de ijskast gezet en er in de meer dan dertig jaar dat ik aan het Marnix lesgaf op geregelde tijden uitgehaald. Ik heb mijn leven lang les gegeven in een door de overheid bedreigd vak.

Maar men kan toch ook gelukkig worden in het leven zonder Le père Goriot van Balzac, zonder Madame Bovary van Flaubert, zonder Thérèse Raquin van Emile Zola?

Het is toch al mooi als een Nederlander in de Franse campingwinkel 'Cette baguette, s'il vous plaît?' kan zeggen? Ja, dat is natuurlijk mooi.

Midden jaren vijftig voltooide ik in mijn geboorteplaats Velp de mulo, die heel specifieke vorm van voortgezet onderwijs voor een heel specifieke sociale laag van de bevolking: de kleine luyden. In die kringen heerste de ongeschreven wet dat kinderen het beter moesten krijgen dan hun ouders. Ik kon goed leren en ik liet mij in Arnhem inschrijven aan de Rijkskweekschool. Ik zou onderwijzer worden met een vast inkomen.

In september 1955, net zeventien, fietste ik het Arnhemse Verschuerplein op. De eerste les Nederlands had ik van meneer Groendijk. Hij wachtte, staande op het podium, ons op, gebaarde dat we maar een plaats moesten zoeken. Ik was leergierig en ging vooraan zitten. Toen keek hij ons lange tijd aan en bracht uit: ,,Tja, wat zullen we eens gaan doen?''.

Dat wisten wij ook niet. Zo'n leraar had ik op de mulo nog niet meegemaakt. Tenslotte zei meneer Groendijk: ,,Euh, gisteravond heb ik wat zitten lezen (hij haalde een boek uit een platte tas te voorschijn) en ik heb daar wel enig genoegen aan beleefd.'' Met enig enthousiasme sprak hij over Rood Paleis van Bordewijk. Aan het eind van de les hief hij de roman omhoog en vroeg wie er belangstelling voor had. Ik was wel verlegen, maar die kans liet ik niet voorbijgaan. In de loop van dat jaar ontving ik op die wijze ook Willem Mertens' Levensspiegel van Van Oudshoorn en De man die zijn haar kort liet knippen van Johan Daisne.

Soms treuzelde ik na les, ik wilde hem voor mij alleen hebben en hem vertellen hoe blij ik was met zijn giften, hoezeer ik genoot van de boeken. Ik durfde niet.

In de loop van het jaar werd de klas, in het kader van onze culturele opvoeding, min of meer in rotten van twee, afgemarcheerd naar de schouwburg. Toneelgroep Theater zou die middag voor scholieren Sartres toneelstuk Met gesloten deuren opvoeren.

Nog nooit was ik in een schouwburg geweest en ik was heel opgewonden. Het doek gaat open, het toneel stelt een hotelkamer voor, gemeubileerd in empirestijl. De hotelkamer is de hel en de drie mensen die er vertoeven zullen er voor eeuwig zijn, onder elkaars blik.

Behoorlijk van slag kom ik thuis. Dit is een andere hel dan die welke mijn vader mij voortoverde tijdens de voorlezing op zondagmorgen van een Paauweaanse preek°). Niet een van vuur en zwavel, maar een van woorden.

Op mijn kamertje aan de Bergweg in Velp, schrijf ik die avond, nog geheel overrompeld, mijn gevoelens op. De volgende dag loop ik in de pauze op een ouderejaars af die in de redactie van de schoolkrant zit. Ik wil hem vragen mijn verslag te lezen. Misschien is het geschikt om opgenomen te worden. Maar als ik voor hem sta, durf ik het niet te overhandigen. Hoe zou ik iets kunnen schrijven dat voor anderen de moeite waard is? Ik stotter vage excuses en maak mij uit de voeten.

Drie weken lang heb ik met mijn artikel op zak gelopen. Toen klopte ik op de deur van Groendijks lokaal, ik kon eerst geen woord uitbrengen. Daar stonden we, beiden op het podium, in de karige omlijsting van de hoge kale muren. Hij zei: 'Ja, dat wilde ik je nog zeggen: De waterman van Van Schendel heb je goed begrepen. Ik heb het leesverslag gisteravond gecorrigeerd'. 'Geen wonder meneer, zei ik direct. Mijn vader is op dezelfde wijze krachtdadig bekeerd als de hoofdfiguur uit de roman.'

Onmiddellijk daarna vroeg ik hem of hij mijn verslag van Sartres toneelstuk wilde lezen.

's Nachts kon ik niet slapen. Nu zou hij het al gelezen hebben en zich verwonderd afvragen: Zoveel talent, zo jong, die stijl al zo geacheveerd. De volgende dag was de leraar afwezig. Ik heb hem nooit meer gezien. In die dagen is hij ernstig ziek geworden. Enkele weken later stonden wij bij zijn graf op het Arnhemse Moskowa. Zou hij nog gelegenheid hebben gehad om mijn stukje te lezen?

Prangende vraag die nooit is beantwoord.

Nooit zou ik zijn oordeel weten, van mijn démarche heb ik nooit iemand op de hoogte gebracht, maar sindsdien, met de boeken die ik van hem had ontvangen, was ik iemand, had dat weerloze jongetje van de mulo een identiteit gekregen.

Ik werd onderwijzer. Daarna leraar. Met zes-vwo las ik klassikaal Thérèse Desqueyroux van Mauriac. Ik kreeg een kopie te pakken van de gelijknamige film, met in de hoofdrollen Emmanuelle Riva en Philippe Noiret. De film werd 's avonds in de aula van de school vertoond. De leerlingen waren niet verplicht om te komen. Geen die er niet was. Er waren ook veel docenten van andere vakken. Na afloop werd gediscussieerd. Een hoogtepunt in mijn loopbaan.

Hiervoor had ik gestudeerd. Natuurlijk is het leuk en heel noodzakelijk om het verschil tussen qui en que uit te leggen, maar mijn trots als leraar ontleen ik aan de gedachte dat mijn leerlingen de school verlaten met beelden van Mauriacs Thérèse Desqueyroux, Zola's Thérèse Raquin en Julien Greens Adrienne Mesurat, en ik geloof krachtig dat ze er in het dagelijkse leven profijt van hebben.

Die tijden zijn voorbij. Over enkele maanden neem ik afscheid van het Marnix College. Dat klinkt onbedoeld wat dreigend. Ik houd nog steeds van het lesgeven, maar ik ben van '38. Reken maar uit. Het wordt tijd om te vertrekken. Maar met weemoed. Weemoed omdat sommige dingen zo definitief voorbij zijn.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden