Over zijn vroegere leven sprak hij niet. Dat was te pijnlijk.

In de zomer van 2008 stapt de jonge Somaliër Guled Nasir ergens aan de kust van Libië in een bootje. Hij overleeft het, de oversteek naar het Europese vasteland. Afgelopen zondag overlijdt Guled, in het Amsterdamse AMC, nadat hij bij een vechtpartij in de Vluchtgarage in een coma is beland.

"Wacht maar af, die verblijfsvergunning die komt er wel." Guled Nasir zegt het vaak tegen zijn vriend Fuad Guhaad. "Let maar op. Het gaat ons lukken. Je moet hoop houden. Geduldig zijn." Hier, in Nederland, in een leegstaande parkeergarage, hebben beide Somaliërs elkaar leren kennen. Ze worden goede vrienden. Avonden lang zitten ze te praten, op de eerste verdieping van die parkeergarage, in Fuads kamer. Of in de kamer ernaast, waar nog drie andere Somaliërs een plek hebben gevonden. Dan spelen ze spelletjes, drinken thee. In juli vieren ze er het Suikerfeest.

Een goede vriend kun je wel gebruiken, in die leegstaande Amsterdamse parkeergarage. Het is er vies. Douches zijn er niet. Warm water evenmin. Meer dan 120 afgewezen asielzoekers bivakkeren er. Allemaal mannen. Dicht op elkaar gepakt. Gefrustreerd over het gebrek aan perspectief. Boos dat ze zijn afgewezen. Verongelijkt dat de immigratiedienst beweert dat het in hun land van herkomst veilig genoeg is. Ongeduldig, als hun advocaat meldt dat er nog te weinig aanknopingspunten zijn om een nieuwe asielprocedure op te starten. Agressief, om alles. Vooral als er bij gedronken wordt.

Ook al delen Fuad en Guled taal en moederland - over vroeger, over het leven in Somalië hebben ze het eigenlijk nooit. Het is te pijnlijk. Omdat het herinnert aan wat ze achterlieten, aan familie, aan geliefden, aan geweld dat ze ontvluchtten. Omdat het onderstreept dat ze nog steeds niet hebben waar ze al zo lang op hopen.

Fuad weet alleen dat Guled uit de Somalische hoofdstad Mogadishu komt. Maar verder? Over zijn familie heeft Guled het nooit. Fuad weet niets van het bestaan van een broer, een zus, een moeder.

Yusuf Guled Nasir heeft - zoals bijna alle Somalische asielzoekers - geen identiteitspapieren. Over een deugdelijke burgerlijke stand beschikt het jarenlang regeringsloze en burgeroorlog voerende Somalië niet. Waarschijnlijk is hij geboren in Mogadishu, de hoofdstad. In zijn asieldossier staat weliswaar 1 juli 1982 als geboortedatum, maar dat klopt niet. Wie asiel aanvraagt, maar geen idee heeft van de eigen geboortedatum, krijgt van de immigratiedienst 1 januari of 1 juli als geboortedatum. Wie vóór 1 juli asiel aanvraagt, krijgt 1 januari als geboortedatum; wie daarna een asielverzoek indient, 1 juli.

Guled is de oudste van het gezin Nasir. Later volgen twee zusjes en een broertje. Het huis in Mogadishu wordt door veel meer mensen bevolkt: er wonen een paar ooms en tantes, neven en nichten. Er is weinig geld. Naar school gaan Guled en zijn broertje en zusjes niet. Guleds vader kan niet werken: hij is vaak ziek, heeft veel psychische klachten.

De familie Nasir hoort bij de Madhiban-clan, een minderheidsgroep in het in clans en subclans onderverdeelde Somalië. Tegen de immigratiedienst vertelt Guled dat hij en zijn familie veel te vrezen hebben: minderheidsgroepen als Madhiban hebben een zwakke positie in de samenleving, en de extremistische rebellenbeweging Al-Shabaab heeft de clan in het vizier. De rebellen rekruteren veel van hun strijders juist uit deze groepen. Mogelijk hebben zij Guled op het oog.

Toch is hij niet de eerste van de Nasir-familie die besluit het land te ontvluchten. Zijn zes jaar jongere nichtje Shadiya, voor wie hij als een broer is, besluit in 2004 als eerste te vertrekken. Ze is dan pas zestien jaar oud. Later vertrekt ook Guleds broertje. Hij belandt in Duitsland, maar krijgt geen verblijfsvergunning.

Europa halen, is Shadiya's overtuiging, dat betekent: betere inkomsten, niet alleen voor haarzelf, maar zeker ook voor haar familie.

Als Shadiya vertrekt, is Guled al een tijd taxichauffeur. In een nog net niet uit elkaar vallend barrel probeert hij op een van de busstations van Mogadishu dag in dag uit aan klanten en inkomsten te komen.

In de zomer van 2008 stapt Guled ergens langs de kust van Libië in een bootje. Hij is dan 26 jaar oud - ongeveer. Waar in Zuid-Europa hij aan land komt, is onduidelijk. Vaststaat dat hij op 22 oktober van dat jaar in het asielzoekerscentrum van Ter Apel een aanvraag voor een verblijfsvergunning indient.

Een goed jaar later sjouwt Guled zijn spullen naar een kleine woning in Almere. Hij heeft een verblijfsvergunning en krijgt een kleine uitkering, waarvan hij af en toe een deel naar Somalië kan sturen. Hij meldt zich aan voor Nederlandse les. Af en toe belt hij met Shadiya. Ze vertellen elkaar over hun levens. Shadiya is in Londen beland. Een definitieve verblijfsvergunning heeft ze dan nog niet. Maar dat komt vast goed. Ze heeft er alle vertrouwen in. Terecht, blijkt later.

De IND heeft weliswaar gezegd dat ze nog wel nader onderzoek zullen doen naar Guleds herkomst - in die tijd geen ongebruikelijke aanpak: de instroom van Somalische asielzoekers is zó groot dat veel van hen onder die voorwaarden alvast een verblijfsvergunning krijgen - maar vooralsnog mag Guled in Nederland blijven. Guled is dolblij. Opgelucht. Het is gelukt.

Dat geluk duurt vijftien maanden.

Op 5 januari 2011 trekt de IND Guleds verblijfsvergunning in. Het nader onderzoek, zegt de IND, heeft uitgewezen dat zijn vluchtverhaal niet klopt. U komt niet uit Somalië, concludeert de immigratiedienst. Guled vecht die conclusie aan. Zonder resultaat. Hij moet zijn woning verlaten en belandt op straat.

De omzwervingen die volgen, duren twee jaar. Waar die Guled allemaal brengen, is niet precies vast te stellen. Ergens in de tweede helft van 2012 besluit hij, in navolging van veel afgewezen asielzoekers, zijn geluk in een ander Europees land te beproeven. Als het hier niet lukt, lukt het misschien elders. Guled reist naar Denemarken. Maar Europese landen hebben afgesproken: een asielzoeker die in land 1 wordt afgewezen en het daarna in land 2 probeert, wordt teruggestuurd naar land 1. De Denen nemen Guleds vingerafdrukken af, halen ze door de database, en zien dat hij al asiel vroeg in Nederland. Op 12 februari 2013 zetten ze hem op het vliegtuig. Op Schiphol belandt Guled achter de tralies van het grensdetentiecentrum.

Pogingen van zijn advocaat om hem vrij te krijgen, mislukken. Maar hem uitzetten lukt evenmin.

Hij belandt opnieuw op straat.

In het najaar van 2013 sluit hij zich aan bij de groep asielzoekers die dan al een klein jaar door de hoofdstad zwerft. De gekraakte Vluchtkerk hebben ze inmiddels moeten verruilen voor een leegstaand pand dat Vluchtflat wordt gedoopt. Er volgen meer verhuizingen. Een deel van de asielzoekers belandt in een oude gevangenis (Vluchthaven genoemd), een ander deel - onder wie Guled - kraakt de leegstaande parkeergarage in Amsterdam Zuid-Oost. Ze noemen het de Vluchtgarage.

Af en toe belt Guled met zijn advocaat. Geduldig en hoopvol blijft hij vragen: zijn er ontwikkelingen, maakt een nieuw asielverzoek kans? De advocaat moet telkens nee verkopen.

De avonden brengt hij door met Fuad en andere Somaliërs. Laat op de avond van 19 augustus breekt op de begane grond van de Vluchtgarage ruzie uit. Zoals zo vaak. Maar dit keer loopt het uit de hand. De ruzie verplaatst zich naar boven, naar Guleds kamer, die hij met drie anderen deelt. Guled loopt klappen op. Harde klappen. Naast zijn bed zakt hij in elkaar. Bewusteloos.

Een dag later doorzoekt Fuad Guleds telefoon. Hij ontdekt de familieleden over wie nooit gesproken is. Hij belt Shadiya. Als ze hoort dat haar broer in een Amsterdams ziekenhuis ligt, in coma, stapt ze zo snel als ze kan op het vliegtuig. Ook Guleds broertje in Duitsland wordt gebeld. Hij wil graag komen, maar durft niet: hij heeft geen papieren, en is bang dat de vreemdelingenpolitie hem oppakt.

Vijf dagen na de vechtpartij vertellen de artsen van het Amsterdamse AMC aan Shadiya dat ze niks meer voor Guled kunnen doen. "Ik ben naast Guled gaan zitten, ik heb zijn handen vastgepakt en ik ben bij hem gebleven totdat hij stierf."

Yusuf Guled Nasir wordt maandag in Amsterdam begraven.

Dit verhaal is gebaseerd op een reeks gesprekken met een aantal Vluchtgarage-bewoners, onder wie Fuad Guhaad, de Vluchtgarage-vrijwilligers Ahmed Sharif en Katy Arnold, asieladvocaat Petra Kramer, advocaat Pim Fischer en Shadiya Omar, nicht van Guled Nasir.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden