Over twee maanden vertrekt de boot

De rivier de Congo is de levensader van het onmetelijke land. Voor handelaren is de trage verbinding per boot de enige mogelijkheid om hun koopwaar aan de man te brengen.

'Hoe laat is het?" Niemand die het weet. Vishandelaar Rufin Wema kijkt omhoog naar de zon. Collega Paul Akilimali vraagt het na bij iemand met een mobiele telefoon, maar die kan het ook niet zeggen. Het doet er eigenlijk ook niet toe. Wie met de boot over de Congo reist, denkt niet meer in minuten of uren, maar in dagen.

Het schip dat ons van Kisangani, in het oosten van Congo, naar de hoofdstad Kinshasa gaat brengen heet de Sowidaja. Het wordt een lange tocht van 1730 kilometer.

De rivier is de enige oost-westverbinding van het land, dat 56 keer zo groot is als Nederland. Ook al gaan we stroomafwaarts, de duwboot Sowidaja kan haar twee zwaarbeladen duwbakken met slechts tien kilometer per uur voorstuwen.

"Twee maanden geleden kwam ik aan boord", verzucht handelaar Adou Beya Bulungu (30) wanneer de boot eindelijk vertrekt. Stoere mannen sjorren de twee duwbakken stevig aan elkaar vast. Ze grijpen de staalkabels vast zonder handschoenen. Aan boord zitten honderdzeventig mensen opeengepakt. Adou overnacht op een rieten mat op de boot, naast zijn handelswaar en brommer. Gaston Tshibuabua (33) ligt lepeltje-lepeltje tegen hem aan. Er is niet genoeg plaats om alle passagiers aan dek te laten overnachten. Omdat je 's nachts gemakkelijk op een zandbank kunt lopen, wordt bij het vallen van de avond aangelegd. Tientallen mensen stappen dan van boord, om met hun matje in het oerwoud te gaan slapen. Liefst in de buurt van een dorp.

"In Butembo heb ik voor drieduizend dollar aan handelswaar aangeschaft", vertelt Gaston. "Schoenen en ondergoed uit China, maar ook potten en pannen, speelgoed en haarcrèmes." Butembo ligt zo'n duizend kilometer naar het oosten, vlakbij Oeganda. Het is een handelsstad vol goedkope import. "Ik heb mijn spullen eerst meegenomen onderin een bus naar Kisangani", legt Gaston uit. "Na vier dagen op de rivier stop ik straks in Bumba, vanwaar ik mijn handelswaar nog vijfhonderd kilometer achterop mijn nieuwe brommer meeneem." Zijn eindbestemming is Gemena, een stad in het uiterste noorden van Congo, vlakbij de Centraal-Afrikaanse Republiek.

Adou en Gaston trekken veel samen op. "Om de verveling te verdrijven drink ik dit", zegt Adou. Hij laat een fles goedkope gin zien. Andere reizigers brengen de tijd door met de aanwezige vrouwen. Gaston lust wel een biertje, maar laat de dames aan zich voorbij gaan. "Dat kost maar geld en je kan er ziek van worden", meent hij. Gelaten zit hij te wachten. Eerst op het vertrek, dan op de aankomst. Gaston is 'pas' een maand aan boord.

"We moeten hier leven als beesten", klaagt hij. "Er is veel te weinig ruimte voor zo veel mensen. Maar er is geen keuze, we drijven handel, want ander werk is er niet in Congo."

Als het even kan neemt Gaston zijn mat mee om aan land te slapen. "Wanneer het niet regent is het veel comfortabeler, omdat er meer ruimte is", meent hij. De douche, een zweterig ijzeren hok van een vierkante meter waarin ook een gat in zit als wc-pot, slaat hij het liefst over. Wanneer de Sowidaja aanlegt voegt hij zich bij het groepje mannen dat zich in de rivier schoon schrobt, bij het licht van de volle maan.

Het voordek van de Sowidaja lijkt een dorpsplein, zij het een heel vol dorpsplein. Ongeveer dertig mensen zitten samengepakt op nog geen vijftien vierkante meter. Vrouwen koken onverstoorbaar op hun houtskoolstelletjes, mannen palaveren wat of zitten te dammen. Oranje Fanta-doppen doen dienst als damstenen; ze spelen tegen de blauwe doppen van het lokale Primus-bier. Het bord is een stuk karton.

Vanuit het oerwoud komen voortdurend houten kano's naar de boot toe. Eenmaal langszij klimmen dorpsbewoners aan dek met chikwanga (gekookte maniok), bakbananen, houtskool of eetbare larven. De Congolezen eten vrijwel alles wat uit het oerwoud komt: nu en dan verkoopt iemand een vers gevangen aap. Ze kosten nog geen tien dollar.

Een man komt langs met twee krokodillen aan een touw; de staart vastgevonden in de bek. Ze leven nog; het vlees blijft hier niet lang goed. Voor op het dek is een groene varaan vastgebonden, wachtend totdat ook hij in de kookpot belandt. Rufin Wema heeft een kleine gerookte slang bij zich. "Gekregen in het dorp, maar zelf eet ik eigenlijk geen slang."

Slechts weinig Congolezen hebben een baan, de grote meerderheid leeft van kleine handeltjes. "Ik denk dat negentig procent van hen in de informele economie verkeert", schat de Belg Daniel Botteman, eigenaar van de Sowidaja-boot. Wie wel een baan heeft, verdient niet veel: lagere overheidsdienaren verdienen maandelijks 35 euro, sommigen nog minder.

Het huidige Congo kent maar weinig industrie; de meeste mensen verdienen geld met het over grote afstanden verslepen van elders geproduceerde goederen. "Eigenlijk ben ik elektricien, maar ik zoek al jaren vergeefs naar werk in de hoofdstad", vertelt Rufin. Nu handelt hij in vis.

In de havenplaats Bumba en het vlakbij gelegen Lisala wordt de handelswaar overgeslagen. Gaston en Adou verlaten de boot; met hun volgepakte brommers rijden zij het oerwoud in. Op weg naar een paar honderd dollar winst, op zijn hoogst. Papa Doris is een grotere handelaar; hij heeft een hele vrachtwagen vol koopwaar. Trots laat hij zijn oeroude MAN-truck zien. "Die werd al in de Tweede Wereldoorlog gebruikt door het Duitse leger", beweert hij stellig.

Na Lisala is het nog meer dan duizend kilometer naar Kinshasa, de hoofdstad, die inmiddels ruim tien miljoen inwoners heeft. Maar voor we daar zijn, varen we langs dunbevolkte en zeer onderontwikkelde gebieden. Leraren moeten hier uren met een kano peddelen om naar hun werk te gaan, en hebben slechts één boek beschikbaar voor een schoolklas van zestig leerlingen. Elektriciteit of een mobiel netwerk zijn in een omtrek van honderden kilometers niet te vinden.

Hier komen de meeste vishandelaren aan boord, want op deze plek is de vis goed en goedkoop. Het ruikt naar palmwijn, die de dorpsbewoners in jerrycans komen verkopen. Er hangen zwarte walmen, want aan boord wordt vis gerookt.

Rufin Wema is al tweeënhalve maand onderweg. "Het duurde even om de duizend kilometer stroomopwaarts te gaan", legt hij uit. "We hadden een vreselijk oude boot, afgeladen met vrachtwagens. Daar sliepen we onder." De Congo, in het Frans kortweg aangeduid als le fleuve, stroomt het laatste stuk met zo'n kracht naar zee dat wie vanuit Kinshasa het binnenland in vaart soms niet sneller vooruitkomt dan met vijf kilometer per uur.

Wema drinkt een slok troebel rivierwater en vervolgt zijn verhaal. "Natuurlijk ben ik niet met lege handen gekomen, ik had tweehonderd tweedehands T-shirts uit Europa bij me. Die had ik in Kinshasa gekocht voor honderd dollar, maar in de vissersdorpen vraag ik er een dollar per stuk voor. In zes weken was ik ze allemaal kwijt, waarna ik aan de duizend kilometer terug naar Kinshasa kon beginnen."

Jean-Claude komt langs met een stapel niet meer geldige bankbiljetten, gedrukt in 1977. Congo's voormalige president Mobutu Sese Seko staat erop; een foto uit zijn jonge jaren. "Voor drie dollar per stuk gekocht in het dorp", vertelt hij trots. "Straks in de hoofdstad zoek ik rijke Amerikanen die er honderd dollar voor neer willen tellen. Kent u er wellicht één?"

Wanneer de Sowidaja de grote stad Mbandaka verlaat, zijn we een maand onderweg. Het stinkt op het achterdek, want onder het bankje ligt een vastgebonden krokodil in zijn eigen uitwerpselen. Aan boord leven ook drie aapjes, vier geiten en twee grote eenden. In Kinshasa zal een feestmaal aanbreken! Alle passagiers zijn er nog; ditmaal is er niemand overboord gevallen. Na ruim een maand uitzicht op alleen maar bos houdt het oerwoud abrupt op. We naderen Kinshasa.

Iedereen is moe: bemanning, passagiers, handelaren. De meeste passanten overnachten in de open lucht. Wie geluk heeft ligt onder een muskietennet. Een enkeling waagt het te slapen op slechts enkele centimeters van de rand van de boot. "Het ging opeens regenen vannacht", vertelt Paul Akilimali, een vriend van Rufin en zelf ook vishandelaar. "Toen hebben we ons onder een afdakje tegen de machinekamer aan gedrukt, waar wat warmte vanaf kwam. Gelukkig duurde het deze keer maar een uurtje."

Paul belt zijn vrouw op om te zeggen dat hij bijna thuis is. "Eigenlijk zijn we getrouwd met onze vis", vertelt hij lachend, maar met een serieuze ondertoon. Want na drie maanden afzien aan boord van diverse vrachtschepen en slapen in de open lucht zal zijn verblijf thuis van korte duur zijn. "Meestal blijf ik twee weken in de hoofdstad, daarna moet ik weer op zoek naar nieuwe handel. Maar nu ben ik moe. Misschien gun ik mezelf deze keer wel drie weken."

Rivieren als enige wegen
In de vijftiende eeuw voeren Portugese ontdekkingsreizigers als eerste blanken over de Congo. De Brits-Amerikaanse ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley zakte in 1874 de rivier af toen hij als eerste Europeaan het Afrikaanse continent van oost naar west doorkruiste. Zijn reis duurde ruim drie jaar - de helft van de deelnemers aan zijn expeditie bezweek onderweg aan de ontberingen.

In de koloniale tijd, tot 1960, legden de Belgen een flink wegennet aan in Congo. De 'Belgische weg' liep in een hoefijzervorm door het land. Na de onafhankelijkheid raakte de weg overwoekerd door het snel groeiende oerwoud.

Het hart van Congo is nooit over land bereikbaar geweest, omdat dit uit zulk dicht oerwoud bestaat dat het zelfs voor ervaren bedrijven niet mogelijk was om hier een weg te bouwen. Mbandaka, de hoofdstad van de provincie Equateur, is altijd enkel per boot of vliegtuig te bereiken geweest. Rivieren zijn dan dan ook dé verkeerswegen van het land.

In de Belgische tijd, van 1908 tot 1960, was een bootreis met een van de stoomschepen over de fleuve Congo nog heel comfortabel - voor wie het kon betalen. Na de onafhankelijkheid bleven de luxe stoomschepen nog tientallen jaren in gebruik, 'totdat ze één voor één kapot gingen door te weinig onderhoud', vertelt Manoka (56). Hij werkt sinds eind jaren zeventig op verschillende boten. Eind jaren tachtig verdwenen de laatste stoomschepen. "Het waren schepen waarop wel tweeduizend mensen konden, compleet met hotelkamers, eigen televisie en een bar aan boord. Je kon de reis toen in vijf dagen en nachten volbrengen, stroomafwaarts."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden