Over tuinieren

De Amerikaanse architect en kunstenaar Fritz Haeg verklaart in zijn boek ‿Edible Estates, attack on the front lawn‿ de oorlog aan het perfecte, groene gazon als symbool van schone schijn waarachter een milieuvijandige werkwijze schuil gaat. Haeg moedigt iedereen aan dat gazon om te toveren in eenmoestuin, en heeft zijn idee inmiddels zelf op diverse locaties, zoals hier in Los Angeles, in praktijk gebracht. (FOTO KCET )

De tuin wordt vaak gezien als het reservaat van het beschouwelijke leven. Wie zich terugtrekt in zijn tuin, trekt zich terug uit de wereld. Niet waar, vindt filosoof Pieter Hoexum. „Tuinieren is de wereld verbeteren.”

Hoe zou het zijn met de tuin van Lousewies van der Laan? Vorige zomer vertelde ze in een interview wat er gebeurde nadat er plotseling een einde was gekomen aan haar politieke loopbaan. Het ene moment leidde ze nog een hectisch bestaan als fractievoorzitter van D66, het andere moment zat ze thuis en „hoefde niets meer”.

Op zoek naar ontspanning ontdekte ze haar tuin, maar zelfs daar kon ze nauwelijks rust vinden. Terwijl ze er samen met haar zoontje in aan het werk was, drong zich steeds weer één gedachte op: of ze niet iets moest dóén. „Tuinieren met je kind is natuurlijk ook ’iets doen’, maar in het begin kon ik dat niet op waarde schatten. Ik moest leren weer te genieten van kleine, dagelijkse dingen.”

Eerlijk gezegd maak ik me zorgen over de tuin van Van der Laan. Even verderop in het interview is al sprake van verschillende ’adviseurschappen’ en van een boek, waarin ze haar visie op de toekomst van Nederland en Europa wil ontvouwen. Op haar website blijkt ze vooral druk bezig te zijn met ’internationale politieke processen’. Over tuinieren is er niets te vinden, wel dat ze in haar vrije tijd graag gaat duiken.

Wellicht heeft Van der Laan het tuinieren en alles wat daarbij komt kijken onderschat. Kern van de zaak lijkt mij dat ze plotseling en noodgedwongen haar vita activa in moest ruilen voor een vita contempliva. Ofwel: een daadkrachtig leven in de schijnwerpers voor een op beschouwing gericht leven in relatieve afzondering. Voor een politicus geen eenvoudige opgave. Maar zelfs Aristoteles, die toch de mens als een politiek dier definieerde, achtte het beschouwelijke, ’studieuze’ leven superieur en in zekere zin zelfs zaligmakend. Dat lijkt ook weer overdreven; kunnen een actief en een beschouwelijk leven elkaar niet juist perfect aanvullen? Sluit de liefde voor de tuin een actief maatschappelijk leven uit?

Op zondag 28 februari 1571 waagt Michel de Montaigne de sprong van een politiek naar een beschouwelijk bestaan. Hij is „sinds lang de slavernij van het hof en openbare ambten beu”. Montaigne neemt die dag een zo ferm besluit dat hij, om zichzelf eraan te blijven herinneren, een tekst laat aanbrengen in zijn studeerkamer die aankondigt dat hij „in vrede en veiligheid hier de dagen zal slijten die hij nog te leven heeft, in de enige hoop dat het lot hem nog de tijd en de gelegenheid gunt deze beminnelijke woning geheel op orde te brengen, deze beminnelijke ouderlijke schuilplaats, waar hij zich vrij en rustig wijden kan aan de studie”.

Montaigne verschanst zich in de toren van zijn landelijk gelegen kasteel, halverwege Bordeaux en Bergerac. Het landleven trekt hem bijzonder aan, hij beschouwt het als zijn oorsprong. Montaigne’s grootste wens is „dat de dood mij aantreft terwijl ik kool plant”. Maar dat valt tegen. „Ik kan, als het verschil niet overduidelijk is, de ene graansoort niet van de andere onderscheiden, op het veld net zomin als in de korenschuur, en in mijn tuin kan ik kool en sla nauwelijks uit elkaar houden. Ik weet niet eens de namen van het belangrijkste landbouwgerei, of van de meest elementaire beginselen van de akkerbouw.”

Montaigne is het type intellectueel voor wie het platteland een ideale achtergrond vormt; hij geniet nog het meest van het landleven als hij ernaar kan kijken vanuit zijn torenkamer. Daar hield Montaigne zich bezig met historische, literaire, politieke en theologische kwesties, en vooral met filosofie.

Toch is hij alleen met moeite filosoof te noemen. Hij ontwikkelt geen wereldbeeld, geen systeem of theorie. Al doende doet hij wel een belangrijke uitvinding: het ’essay’ – een door hem bedachte term voor zijn schrijfsels, die letterlijk zoiets betekent als ’proeve’, ’poging’, of ’probeersel’.

Al in 1597, vijf jaar na de dood van Montaigne, neemt Francis Bacon de term ’essays’ over, als hij een aantal opstellen onder die titel publiceert. Maar ’probeersels’ kun je Bacons schrijfsels met de beste wil van de wereld niet noemen. Bacon schrijft puntig en ’stoer’, terwijl Montaigne keuvelt en schijnbaar voor de vuist weg noteert wat hem invalt. Bacon gaat recht op zijn doel af. Daarmee kan hij de lezer flink tegen zich in het harnas jagen.

Mij veroverde hij pas weer toen ik aangekomen was bij het essay ’Over tuinen’. Een tuin is volgens Bacon „de diepste verfrissing van de mens; zonder haar zouden gebouwen en paleizen slechts log maakwerk zijn; en men kan altijd zien dat mensen, wanneer tijden toegroeien naar beschaving en sierlijkheid, eerder statig bouwen dan verfijnd tuinieren, als ware tuinieren de rijpere volmaaktheid.” Nogal stellig geformuleerd, maar wel waar.

De tuin was voor Bacon geen oord om zich terug te trekken uit de wereld, zijn (idee van) tuin was juist bedoeld om mee te pronken. Tot op zekere hoogte geldt dat ook voor zijn essays. Als zoon van de grootzegelbewaarder van koningin Elizabeth, brandde hij van verlangen in zijn vaders voetsporen te treden. Maar bij Elizabeth kon hij weinig goed doen. En aangezien Bacon net zo veelzijdig als ambitieus was, stortte hij zich maar op zijn intellectuele ontwikkeling.

Vergeleken met de gigant Bacon is Montaigne maar een kleine jongen. Hij was ook niet zo ambitieus. Zijn vader was weliswaar burgermeester van Bordeaux geweest, maar daar moest hij niet aan denken: „Ik herinner mij hoe in mijn jeugd mijn oude vader wreed werd geplaagd door het politiek gekrakeel. [*] Hij verloor zijn huishouding en zijn gezondheid uit het oog en stelde zijn leven in de waagschaal.” Dat zou Montaigne zich niet laten gebeuren – maar het gebeurde natuurlijk toch, al zou hij een manier vinden om, althans geestelijk, overeind te blijven.

Montaigne vluchtte niet alleen naar eigen huis en tuin, hij ontvluchtte daarmee ook de hoog opgelopen strijd tussen katholieken en hugenoten die inmiddels in een burgeroorlog was ontaard.

Vrijwel gelijktijdig met Montaigne, in het voorjaar van 1571, zocht in Vlaanderen zijn latere ’penvriend’ Justus Lipsius (Joest Lips) een veilig heenkomen. Ook deze latinist en kenner van de stoïcijnen ging op de loop voor de onlusten die het begin vormden van de oorlog die wij nu kennen als de Tachtigjarige. Hij nam de wijk naar Wenen. In zijn bestseller ’Over standvastigheid bij algemene rampspoed’ vertelt hij over een oponthoud in Luik, waar een (fictieve) geleerde hem een les leert: bij algemene rampspoed is het vooral zaak je niet mee te laten slepen, maar jezelf te beheersen. Ofwel: de geleerde brengt hem de deugden van de stoïcijnen bij. Maar hij leert hem ook iets wat opvallend genoeg doet denken aan de leer van de epicuristen, de grote concurrenten van de stoïcijnen in de Oudheid: tuinieren. Lipsius’ liefde voor de tuin en het tuinieren verdiept zich, ondergaat een stoïcijnse wending.

Epicurus raadde zijn volgelingen aan: ’Leef in het verborgene’. Hij stichtte nabij Athene een filosofische school met een grote ommuurde lusthof; de school heette in de volksmond al snel ’de tuin’. Daar trokken gelijkgezinden zich terug uit de wereld. De epicuristen werden dan ook meestal ’de filosofen van de tuin’ genoemd. De stoïcijnen waren het in veel opzichten eens met de epicuristen, maar niet op dit punt: zij meenden dat je je niet uit de gemeenschap terug behoort te trekken, maar juist de morele plicht hebt daar actief deel van uit te maken.

Lipsius was in eerste instantie een echte kamergeleerde die de buitenwereld als vijandig beschouwt. „Ik houd van rust en kalmte! Krijgstrompetten en wapengekletter storen mij, van tuinen en het land.” Later ziet hij in hoe bekrompen en egoïstisch dat was. Lipsius leert hoe hij zijn liefde voor de tuin kan combineren met een publiek leven, met zijn burgerplichten: de gehele wereld is als het ware een tuin, die wij verplicht zijn te onderhouden.

Montaigne noemt Lipsius in een van zijn essays „de grootste geleerde die er nog is, een heel erudiete, schrandere geest”. Hij zou zelf de eerste zijn om toe te geven niet zo’n knappe kop te zijn, in elk geval geen geleerde. Net zoals er van dat tuinieren van hem weinig terechtkwam, zo viel het met dat studeren ook wel mee. „Ik kan het niet uitstaan als van ons wordt verlangd met onze geest in hoger sferen te vertoeven, terwijl wij met ons lichaam aan tafel zitten.”

Ook lukte het Montaigne niet de wereld de rug toe te keren. Zijn toren bleek niet van ivoor. In 1581 vernam hij, tijdens een reis langs enkele kuuroorden, dat hij burgemeester van Bordeaux moest worden. „Ik sloeg het aanbod af, maar kreeg te horen dat ik ongelijk had, en ook de koning liet mij dat middels een bevel weten.”

Zijn benoeming was een moeizaam bereikt compromis tussen de royalisten en hugenoten, dat de koning dus niet liet ondermijnen door Montaigne’s onwil. Montaigne was als katholieke (en sceptische) voorstander van religieuze tolerantie een aantrekkelijk bemiddelaar tussen de katholieken en hugenoten. Voor Montaigne zelf was het niet zo’n prettige situatie: „Ik kreeg alle narigheid te verduren waartoe gematigdheid in dergelijke verziekte toestanden leidt.”

De lezers van zijn essays worden door Montaigne maar mondjesmaat geïnformeerd over zijn publieke optreden. Zo openhartig als hij is over zijn zieleroerselen, zo zwijgzaam is hij over zijn publieke leven. Dat is niet alleen bescheidenheid, Montaigne heeft sowieso een broertje dood aan uiterlijk vertoon. ’Ongedwongen’ is het sleutelwoord, en niet alleen wat de stijl betreft. Het is ook zijn boodschap: we zijn het meest ongedwongen, als we alleen zijn. We moeten streven naar innerlijke vrijheid „waarvan wij kunnen genieten midden in de stad en aan het hof van de koning”. Montaigne blijft erop hameren dat wij een achterkamer voor onszelf apart moeten houden „om daarin volkomen ongestoord onze eenzaamheid en afzondering te cultiveren en ons werkelijk vrij te maken”.

Als het dan per se moet, wil Montaigne wel gehoor geven aan de roep van de plicht. „Ik ga voor de goede zaak tot aan het vuur, maar als het even kan niet erin.”

Montaigne lijkt vooral graag te lezen over het landleven. In zijn essay ’Over boeken’ schrijft hij dat Vergilius zijn lievelingsauteur is en dat hij diens ’Georgica’ (’Landleven’) beschouwt als „het meest afgeronde werk in de poëzie”. In dat gedicht beschrijft Vergilius hoe achtereenvolgens akkers, bomen, vee en bijen onderhouden dienen te worden. Uiterlijk is het een leerdicht, maar het is ook een lofzang op het platteland, waarnaar het vanuit een Romeinse villa zo heerlijk kijken is.

Omdat Vergilius zijn vaak zeer praktische en aardse aanwijzingen voor het boerenbedrijf in bloemrijke en poëtische taal giet, is de verleiding groot de aanwijzingen niet alleen letterlijk op te vatten, maar ze ook te lezen als levenswijsheden. Toch is voorzichtigheid hier geboden: denk aan de tuinman uit Jerzy Kosinski’s ’Being there’, wiens onnozele opmerkingen over tuinieren worden aangezien voor diepe waarheden.

Het kan bijna niet anders of Kosinski moet het idee voor deze roman ontleend hebben aan die ene zin uit Voltaire’s ’Candide ou l’optimisme’ (1759): „Il faut cultiver notre jardin.” Candide trekt met professor Pangloss de wereld rond. Ze worden door alle mogelijke rampspoed getroffen, waarna juist Pangloss de blinde optimist blijkt die in ronkende zinnen alles recht praat wat krom is. Candide is door schade en schande wijs geworden en besluit het verhaal met de magistrale opmerking: „Dat is mooi gezegd, maar wij moeten onze tuin bewerken.”

Candide blijft optimist, maar zijn optimisme is gematigd en bescheiden. Vergelijk het met de bekende (waarschijnlijk apocriefe) uitspraak van Maarten Luther: „Als ik wist, dat morgen de wereld ten onder ging, zou ik vandaag een appelboompje planten”. En denk aan Pieter Verhagen die tijdens de hongerwinter in Rotterdam ’Het geluk van de tuin’ schreef . Hij formuleert hierin ’de tien geboden voor de tuin’, waarvan de eerste luidt: „Het ware tuinieren is de vreugdevolle overgave van het hoofd, hart en hand aan de tuin. Hoe meer tuinlui (en tuinen), hoe meer vreugde.” Bij dit gebod geeft hij nog deze overweging: „Wij kunnen ons werk en onze animo het beste toetsen aan de teleurstellingen, waar wij ons min of meer triomfantelijk boven moeten kunnen verheffen.”

Hoe verstrekkend de gevolgen van een op het eerste gezicht zo onschuldige bezigheid als tuinieren kunnen zijn, bleek uit een documentaire die ik zag over het verschijnsel moestuin. Dit had zelfs Voltaire niet kunnen voorzien: het communistische regime van de Sovjet-Unie bleek door de moestuin ten val gebracht. Dat meende althans de voorzitter van de tuindersvereniging van Sint-Petersburg, voorheen Leningrad. De partijbonzen moesten moestuintjes wel toestaan omdat overduidelijk was dat de burgers van Leningrad anders niet zouden overleven. Privébezit bleek toch onuitroeibaar en zodoende werd de moestuin de nagel aan de doodskist van het communisme.

De documentaire bood trouwens geen plaats voor (westerse) zelfgenoegzaamheid. Je zag ook hoe de inwoners van Detroit, ingestort kapitalistisch paradijs in de Verenigde Staten, aan hun lot werden overgelaten. Terwijl de fabrieken van Detroit sloten, verwilderen de fabrieksterreinen en veranderden langzaam in moestuintjes.

In zijn filosofisch woordenboek nam Voltaire ’De catechismus van de tuinman’ op. Diens beginselen bestaan eruit dat hij hoopt „een goede echtgenoot te zijn, een goede vader, een goede buur, een goede onderdaan en een goede tuinman, verder ga ik niet, en ik hoop dat God zich over mij zal ontfermen”.

Michel de Montaigne schreef op zijn manier een soort ultrakorte catechismus van de huisman: „Je hebt thuis genoeg te doen: loop niet weg.” Hij bedoelde dit niet al te letterlijk, maar wilde de lezer vooral manen bij zichzelf te blijven.

Montaigne’s zelfonderzoek werd het tegendeel van navelstaren: juist door zich zo op zichzelf te concentreren ontdekte hij hoe menselijk hij was en leerde hij dus wat menselijkheid is. Een pleidooi voor luieren is Montaigne’s oproep thuis te blijven al evenmin.

Enkele eeuwen later schreef Pieter Verhagen: „Denk daarom niet dat wij, tuiniers van rozengeur en maneschijn, het minder druk zouden hebben. Juist als wij ’niets doen’, de dag oogsten, zomaar, hebben we tijd te kort.”

Dat laatste lijkt Lousewies van der Laan, zoals blijkt uit het interview, min of meer begrepen te hebben. Maar ik zou haar wel op een vergissing willen wijzen. Tuinieren is niet ook ’iets doen’. Tuinieren is de wereld verbeteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden