Over Pelléas et Melisande van Claude Debussy

Het oor is behoudend Muziekliefhebbers huiveren nog steeds van ontwikkelingen in de vorige eeuw zoals het vaarwel van Schönberg aan de tonale muziek. In een serie portretten probeert Trouw de angst voor moderne muziek weg te nemen. Vandaag het tweede deel.

Dat 'Pelléas et Mélisande' in 1902 gemengd ontvangen werd, kunnen we ons honderdeen jaar later nauwelijks voorstellen. Als er iets aangenaam klinkt, dan wel deze muziek van Debussy. Het is muziek om bij weg te dromen, zonder rauwe klanken, heftig tromgeroffel of scherpe dissonanten. Hoort deze componist wel in deze serie thuis? Is dit wel moderne twintigste-eeuwse muziek?

Terwijl luisteraars bij veel twintigste-eeuwse muziek gewezen moeten worden op de conventionele kanten ervan, moet je bij Debussy juist wijzen op het revolutionaire karakter. Want het klinkt dan wel toegankelijk, het is toch compleet anders dan wat er in de negentiende eeuw werd geschreven. Bovendien heeft Debussy de weg vrij gemaakt voor de belangrijkste vernieuwingen in de twintigste eeuw. Hij is in feite net zo'n revolutionair als Schönberg of Strawinsky.

Debussy bedacht een geheel eigen taal door de gebruikelijke toonladders los te laten. Hij haalde oude, in onbruik geraakte kerktoonladders - waarin de afstand tussen de noten anders is dan bij de gewone majeur- en mineurtoonladder - in zijn werk. Ook de oosterse pentatoniek (slechts vijf tonen in een toonladder) en de hele-toonstoonladder (met zes tonen) voegde hij toe. Hij gebruikte alles door elkaar, zoals het hem uitkwam. Daardoor kon hij heel veel kleuren en sferen krijgen. Bovendien kregen akkoorden een andere harmonische betekenis bij Debussy, doordat hij de toonladders losliet. Een dissonant vroeg niet meer per se om een oplossing in een 'mooi' akkoord, maar kon op zichzelf staan en opgevolgd worden door een andere dissonant. Uiteindelijk zou Schönberg alle toonladders loslaten en atonaal componeren. Na Debussy was dat niet eens zo'n grote stap.

In zijn jonge jaren was Debussy een enorme fan van Wagner. Maar naarmate hij ouder en ervarener werd, sloeg de voorliefde om in afkeer voor de grootheidswaanzin en pathos in Wagners opera's. Alleen 'Parsifal' en 'Tristan und Isolde' konden er nog mee door. De rest was te groots en te plat, vond hij. Wagner gaf ieder personage een 'leitmotiv' mee. Betreedt de persoon het toneel, dan speelt het orkest zijn melodie, alsof hij elke keer zijn visitekaartje afgeeft. ,,Ik vind dat zo'n onzin,'' zei Debussy daarover onverbloemd in een interview.

Het moest allemaal natuurlijk en subtieler, vond hij. Voor 'Pelléas' koos Debussy een tamelijk klein orkest met nauwelijks koper en slagwerk. De zang ging meer op spreken lijken. De aria's waarin zangers hun kunstjes kunnen laten horen, maakten plaats voor een soort declamatie, die oude Franse componisten als Rameau ook al toepasten. De handeling, ten slotte, had meer betrekking op de gedachten en gevoelens van de hoofdpersonen dan op concrete daden of gebeurtenissen.

'Pelléas et Mélisande' is gebaseerd op een toneelstuk van Maurice Maeterlinck. Voor het verhaal greep de Belg terug op oude Keltische sagen. Gebeurtenissen, namen en atmosfeer van het stuk doen denken aan King Arthur en Tristan en Isolde. Blauwbaard is ook niet ver weg. Is Mélisande zijn laatste bruid, die is ontsnapt? Waarom is ze verdwaald in het donkere bos waar Golaud haar zomaar vindt? Ze trouwt met de driftige Golaud en wordt verliefd op zijn zachtmoedige halfbroer Pelléas. De jaloerse Golaud vermoordt beiden. Einde.

In het verhaal zijn licht en donker, kou en warmte, bos en water belangrijke symbolen, die dieperliggende bedoelingen achter het verhaal suggereren. Suggestie is eigenlijk belangrijker dan de werkelijkheid in deze opera. Debussy voelde zich meer verwant met de symbolistische dichters van zijn tijd dan met de impressionistische schilders. Hij had een hekel aan 'de imbecielen die hem een impressionist noemden'. Impressionisten schilderden de natuur, symbolisten gingen uit van de fantasie, de suggestie.

We komen niet veel te weten over de raadselachtige Mélisande. Evenmin leren we de andere personages kennen. Wel voelen we de mysterieuze duisternis van het bos, de kou in de kelders van het sombere kasteel en de fonkeling van de plotselinge zon. Debussy illustreert dit muzikaal heel subtiel. Voor kilte, kou en eenzaamheid gebruikt hij de tonen van de witte toetsen van de piano, voor warmte, zon en liefde gebruikt hij die van de de zwarte toetsen. De eerste maten van het werk, waarin het woudthema te horen is, klinken koud. Als Pelléas en Golaud vanuit de kerkers in de zon komen, verwarmt Fis-groot de luisteraar. Debussy gebruikt pentatonische toonladders voor natuurlijke situaties, bijvoorbeeld voor het bos. Kerktoonladders illustreren iets dat oud en archaïsch is. Ook stilte is een veelzeggende klank bij Debussy. Als Pelléas en Mélisande elkaar voor het eerst hun liefde bekennen, klinken er geen aanzwellende violen, maar zwijgt het orkest. Intiemer kan bijna niet. Voor Wagner ten slotte is in 'Pelléas' ook een plaatsje weggelegd, en niet het minste. Het fameuze 'Tristan-akkoord' zit in het Mélisande-thema verweven. De goede verstaander weet genoeg: Mélisande zal sterven door de liefde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden