Over losers en linke loetjes

Joseph Mitchell (1908-1996) struinde rond in de onderbuik van New York

"Een criticus is een meneer die zich bemoeit met zaken die niet voor hem bestemd zijn", schreef de Franse dichter Stephane Mallarmé eens. Een kribbige omschrijving van wat in eigen kringen een stuk fraaier 'de taak van de criticus' wordt genoemd. Maar natuurlijk trekt de criticus het zich ook wel een beetje aan en verlangt hij ernaar om eens een boek voor de lol te lezen, uit pure liefde of desnoods om de tijd te doden. En hij denkt aan de tijd dat hij nog een onbevangen lezer was en genoot van de ene Biggles na de andere en van de Witte Ravenpockets van zijn zusjes, de tijd dat hij nog geen uitreksels maakte van wat hij las of in de marge kritische opmerkingen neerpende.

Ik zelf werd door de literatuur ontmaagd met 'Het glinsterend pantser' van Vestdijk en 'De donkere kamer van Damokles' van W.F. Hermans. Twee duidelijke producten van fictie, de schrijver heeft een thema dat hij met zijn verzonnen verhaal probeert neer te zetten. Van toen af raakte ik verder verstrikt in de literatuur, las Sartre en Borges, Kafka en Don Delillo, vond er niet alleen wat van maar schreef het ook nog eens op. Maar ergens bleef de maagdelijke lezer, niet belast met literaire zorgen, knagen. Oh wat is dat heerlijk, boeken zonder Goetheaanse superioriteit, zonder mythomanie of perverse belangstelling voor het menselijk tekort, gewoon over de werkelijkheid.

Een tijdje geleden werd mij het werk van Joseph Mitchell in de schoot geworpen, voor- en naoorlogs journalist bij het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker: reportages, essays, recensies, satire, cartoons. Ik schreef er al een column over maar toen had ik alleen het eerste deel, 'McSorleys wonderbaarlijke saloon' gelezen en dat nog niet eens helemaal, inmiddels verorberde ik ook het pendantdeel 'In het oude hotel'. Heerlijke non-fictie, over de realiteit en niks anders.

Ik weet niet of mensen meer geïnteresseerd zijn to read about my betters, zoals dat heet, of integendeel zich andermans tegenslag goed laten smaken. Je kunt wegdromen bij sprookjes over prinsessen en koningen maar evengoed bij verhalen van boeven en mislukkelingen. Mitchell schreef over de laatste soort, Newyorks low life, de zelfkant van de metropool. Hij was zelf geen Newyorker van geboorte, maar afkomstig uit North-Carolina, land van de hillbillies, de heikneuters. Misschien dat hij daardoor net dat vleugje exotica proefde in hun wonderbaarlijke, doodgewone levens, maar hij wachtte zich ervoor als een soort voyeur naar die arme vissers, gokkers, hoerenmadams, kroeglopers, indianen en zigeunervrouwen te komen kijken. Integendeel, hij liep met ze mee als een van hen, een vriend, ook een kroegtijger en nietsnut. Ik herken dat wel. Mijn opa zat bij het Leger des Heils en dat trok ook een grote hoeveelheid ongeregeld volk aan waarmee ik mij graag vereenzelvigde, meer dan met de nette tantes en ooms die het burgerleven nu eenmaal met zich meebrengt. Een net bekeerde heilssoldaat riep eens tijdens een getuigenis 'Als jullie het niet geloven schiet ik jullie allemaal neer'. Kijk, zulke kerkdiensten blijven je bij.

Joseph Mitchell (1908-1996) werd de chroniqueur van de onderbuik van New York. Wat hij beoefende is een soort portretkunst, geen vage impressionistische vlekken maar een precies, gedetailleerd verslag met alle groeven en wratten.

Hij kreeg er, dat moet gezegd worden, ook wel de ruimte voor, de gemiddelde lengte van zijn reportages voor The New Yorker was 6000 woorden, kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Zo cartografeerde hij een hele sociale, asociale microkosmos.

Neem het verhaal van Professor Zeemeeuw, over de Newyorkse schooier Joe Gould die naar eigen zeggen bezig was zijn levenswerk, een orale geschiedenis van New York te schrijven door de duizenden gesprekken die hij met Jan en alleman voerde op te tekenen. Eigenlijk het werk van Joseph Mitchell zelf die de man dan ook gefascineerd volgde: '"Er is niets toevalligs aan me", zei hij een keer. "Ik zal je vertellen wat er voor nodig was om te worden wat ik vandaag de dag ben. Er was oud yankeebloed voor nodig, een overweldigende afkeer van bezittingen, vier jaar Harvard, en vijfentwintig jaar mijn ingewanden op hun sodemieter geven met slecht vuurwater en slecht eten." Hij zegt dat hij uit de pas loopt met de rest van de mensheid omdat hij niets wil bezitten.

Het verhaal van Profesor Zeemeeuw, de 'Samuel Pepys van de Bowery' verscheen in The New Yorker maar later kwam Mitchell erachter dat Goulds zijn orale geschiedenis van New York grotendeels uit z'n duim gezogen had en voegde hij er een honderd pagina's lang relaas over zijn ontmaskering aan toe, niet schrijnend of vol mededogen maar objectief: zo was het, laat de lezer zelf maar uitmaken wat-ie ervan vindt.

Mitchells werk is enigszins te vergelijken met dat van Simon Carmiggelt bij ons, ook zo'n geboren luisteraar naar allerhande kletsmajoors, losers en Linke loetjes. Maar het is veel gedetailleerder en minder ironisch. Van Mitchell zelf bespeur je bijna niks, hij gaat op in zijn gesprekspartners. En zo leer je ineens, als van binnenuit, het leven van de arme schelpenvissers in de New-Yorkse wateren kennen, van de Zigeunerkoningen en hun vrouwen, van de leden van de Doofstommenclub, van de vrouw met de baard en de restauranteigenaar die niet naar de bovenste etages van zijn pand durft.

Maar nog meer dan op al die kleurrijke personages werd ik verliefd op Mitchells ultieme beschrijvingskunst, ad absurdum soms, zoals hier in het verhaal over de mosselvissers: "De randen van de schelpen van de paardenmossel wijzen omhoog en zijn gekarteld en scherp." Het lijkt soms of Mitchell ons een verslag over het leven op Mars wil geven, maar het was New York, hoofdstad van de wereld.

Vóór in 'In het oude hotel' staat dat het vertaald is 'uit het Amerikaans'. Dit is niet het land en de taal van Shakespeare en Charles Dickens maar van Walt Whitman en van Jack Kerouac en Allen Ginsberg. Het is de acute, fascinerende werkelijkheid ooit door merkwaardig genoeg de Ierse dichter William Yeats alsvolgt gedefinieerd: "De geschiedenis van een land speelt zich niet af in parlementen en op slagvelden, maar in wat mensen tegen elkaar zeggen op marktdagen en hoogtijdagen, en in hoe ze boeren, ruziemaken, en op bedevaart gaan." Het zou Joseph Mitchells credo kunnen zijn.

Joseph Mitchell: Mc Sorley's wonderbaarlijke saloon Vert. Dirk-Jan Arensman Van Oorschot; 480 blz. euro 22,50

Joseph Mitchell: In het oude hotel Vert. Susan Jansen en Johannes Jonkers. Lebowski; 448 blz. euro 22,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden