Over kuifmezen en Great Tits

Gerbrand Bakker is schrijver en hovenier. Hij verhaalt over zijn huis, tuin en buren in de Duitse Eifel.

Mijn vogelvoederstation wordt door vijf of zes verschillende soorten mezen bezocht. Koolmees, zwarte mees, pimpelmees, kuifmees, glanskop en/of matkop. Die laatste(n) zorgen voor het vijf of zes: volgens Petersons moet je bij de eerste het kopje kunnen zien glanzen en een klein befje kunnen onderscheiden. Ik kan dat niet. En net als met plant-, struik- en boomnamen is het voor mij nogal lastig om met Duitsers over vogels te praten. Ik kan het met buurman Klaus of dakdekker Rudi niet hebben over Glanzkopf of Schwarze Meise, ik moet zeggen Sumpfmeise en Tannenmeise. Wij noemen die twee naar hoe ze eruitzien, in Duitsland heten ze naar hun habitat: moerasmees en sparrenmees (en bij die laatste is de verleiding om hem 'dennenmees' te noemen heel erg groot, maar ik ga hier niet alles nog gecompliceerder maken dan het al is). De matkop heet ook naar zijn habitat: Weidenmeise, 'wilgenmees'. Pimpelmees en koolmees zijn dan wel weer makkelijk: Blaumeise en Kohlmeise. Die kuifmees zocht ik onlangs pas op, omdat ik die nog nooit eerder hier zag. Haubenmeise. Maar een Haube is een 'kap' en dat is nu juist helemaal iets anders dan een kuif: de ene bedekt, de andere steekt uit.

Als ik eenmaal in de etymologie duik, kan ik het niet laten om verder te gaan, het internationaler te zoeken. De Britten noemen de glans- en matkop respectievelijk Marsh Tit en Willow Tit, net als de Duitsers. Maar zij maken het weer ingewikkeld door een koolmees Great Tit te noemen en de zwarte mees Coal Tit. De Fransen noemen de rouwmees Mésange lugubre, dat is mooi, maar daar heb ik niets aan want die komt hier niet voor, die woont in dat land waar ze nu die knappe nieuwe minister van financiën hebben en bovendien spreekt men hier geen Frans.

Kerkuil. Barnowl. Schleiereule. Chouette effraie. Waarom? Zag de naamgever in Engeland het beest in een schuur en de naamgever in Nederland hem in een kerk? Het Duitse 'sluieruil' begrijp ik trouwens wel: het is of de vogel een doorzichtige sluier met blauwpaarse pailletjes draagt. De Fransen noemen hem naar de schrik die mensen voor die akelig schreeuwende nachtelijke vogel hadden. Ik heb hier in de Eifel nog nooit een uil gezien. Ik hoor ze alleen maar weemoedig naar elkaar roepen in de nacht.

Een roodborstje is een Rotkehlchen, begrijpelijk, maar voor ons toch ook vreemd, want een keel zit ín ons lichaam, het is geen hals of nek, hij had beter Rothälschen geheten. En dan de roerdomp, wat mij betreft één van de mooiste vogelnamen. Die heet hier Rohrdommel. Dat wéét ik, maar ik heb daar net als met de rouwmees (Trauermeise) niets aan in gesprekken met Klaus of Rudi, want de Rohrdommel komt hier niet voor. Uit arren moede spreken we daarom vaak over de Klappergrasmücke en natuurlijk de Zilpzalp.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden