'Over hulp wordt vooral veel geschreeuwd'

Een waarschuwing aan minister Koenders: Wees zuinig op de Novibs en Icco’s van dit land. Het is dankzij hen dat Nederlandse ontwikkelingshulp internationaal hoog staat aangeschreven, meent Louk de la Rive Box, directeur van het Institute for Social Studies.

De sector ontwikkelingssamenwerking maakt zich op voor het grote debat over het beleid van minister Bert Koenders. Onder het motto van modernisering van de hulp heeft de minister minder geld over voor particuliere hulporganisaties. De toegang tot de pot met rijksgeld – per jaar 425 miljoen euro – is beperkt tot dertig aanvragen. Bij de vorige subsidieronde werd zeker het viervoudige aangevraagd.

Het is inschikken geblazen. En dat steekt. Want multilaterale instellingen, zoals de Wereldbank en de organisaties van de Verenigde Naties, worden niet afgeknepen. Volgende week dinsdag discussieert de Twee Kamer over Koenders’ beleid. In een verwoede poging het tij te keren, proberen de hulporganisaties – in het jargon medefinancieringsorganisaties genoemd – achter de schermen dat debat uitgesteld te krijgen.

„Het is duidelijk dat Koenders het mes zet in het traditionele medefinancieringsbeleid”, oordeelt Louk de la Rive Box. De rector van het Institute for Social Studies in Den Haag en kenner van de sector ontwikkelingsamenwerking vindt het een goede zaak dat het hulpbeleid herijkt wordt. „Alleen is er geen publiek debat over geweest. Er wordt veel over de particuliere hulp geschreeuwd, maar weinig bewezen. En de medefinancieringsorganisaties, zoals Icco en Oxfam Novib zitten nu in het defensief.”

Box noemt de aanpak van de minister gedurfd, maar plaatst er ook grote vraagtekens bij. „Er wordt een overzichtelijke situatie nagestreefd, waardoor er ogenschijnlijk betere ontwikkelingshulp wordt geboden. Ambtelijk, noem ik de logica die hieraan ten grondslag ligt. Het beleid is niet vormgegeven op basis van een duidelijke filosofie of ingegeven door de afname van de hoeveelheid geld die beschikbaar is. In het bilaterale beleid – de hulp van staat tot staat – streeft de minister naar een reductie van het aantal landen dat hulp krijgt en naar steun aan minder sectoren. Dat gaat gepaard met een grote delegatie van taken naar de ambassades. De steun via het maatschappelijk middenveld, moet nu dezelfde logica volgen. Sterker nog, die steun wordt ondergeschikt gemaakt aan het beleid van de overheid.”

Box doelt op de nieuwe eis van de minister dat particuliere organisaties 60 procent van hun subsidie moeten besteden in landen die op zijn lijst staan. Dat is volgens Box een grote miskenning van het unieke stelsel van hulp dat in Nederland in de laatste vijftig, zestig jaar is opgebouwd. De hulporganisaties werken in veel minder landen dan die op de lijst van de minister staan.

„De geschiedenis van de Nederlandse internationale samenwerking is niet los te zien van de medefinancieringsorganisaties. Het is een uiterst complex stelsel waarin veel is geïnvesteerd. Nederland heeft daarmee een uitstekende naam in de wereld. Ik deel de mening niet, vaak geuit in kringen van de VVD of PVV, dat de Novibs of de Icco’s maar afgeschaft moeten worden. Ik denk dat mensen die dat vinden geen idee hebben van het grote kapitaal dat daarin is geïnvesteerd. Niet in de zin van geld, maar het vertrouwen dat mensen overal ter wereld hebben in Nederland en Nederlandse organisaties. Als Koenders nu dezelfde logica volgt als bij de steun die de overheid zelf geeft, is dat een slechte zaak. Hij moet daarvoor gewaarschuwd worden.”

Onder een van zijn voorgangers, Eveline Herfkens (net als Koenders van PvdA-huize), lag het zwaartepunt bij de hulp via multilaterale instellingen. Haar opvolgster, Agnes van Ardenne, verschoof de aandacht weer naar maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Koenders lijkt nu te treden in de voetsporen van Herfkens.

„Ik heb niks tegen bilaterale steun. Die is nuttig, maar kent ook zwaktes. We hebben geleerd dat er grote fouten kunnen worden gemaakt. Bilaterale beleid is heel kwetsbaar. Er spelen allerlei staatsbelangen, niet alleen het belang van de ontwikkeling van arme landen. In Nederland, als klein land, speelt dat overigens minder dan in grote landen. De kernles van de jaren negentig is dat je alle partijen die hulp geven, de ruimte moet bieden. Ik zie nu de ruimte voor steun door maatschappelijke organisaties alleen maar afnemen.

„Herfkens heeft daar de eerste aanzet toe gegeven. Vanuit sociaal-democratisch denken is dat niet eens zo gek. Je gaat ervan uit dat de staat een verantwoordelijkheid heeft om onrecht op te heffen en dat de staat voor de armsten onder de armen heeft op te komen. Waar dan ook ter wereld. Voor een sociaal-democraat in hart en nieren als Koenders is dat standpunt volstrekt begrijpelijk. Maar probeer niet te ver door te slaan. Dat gebeurt nu wel.”

Waarschuwingen van Box zijn er niet alleen aan het adres van Koenders. Dat de hulporganisaties steeds meer in de greep kwamen van de staat als subsidiegever en afhankelijker werden van de overheid, baart hem zorgen. De kracht van het systeem, met een grote plaats voor de steun van maatschappelijke organisaties, moet overeind blijven. Ga niet voor het grote geld. Anders kom je steeds meer vast te zitten in de prioriteiten van de minister.”

Bij de vorige subsidieronde is afgesproken dat ambtenaren de subsidieontvangers zouden volgen. Dat is volgens betrouwbare bronnen zeker niet in alle gevallen gebeurd. „Dat hoor ik ook. Als je ziet hoeveel honderden miljoenen er rondgaan, begrijp je dat die ambtenaren dat niet allemaal kunnen volgen. Als de minister dat wil, moet hij maar een rijksdienst opzetten. Richt een organisatie op die de financiering doet, maar ga niet het aantal aanvragers naar dertig terugbrengen. Het ministerie is niet meer in staat, niet competent om dit soort bedragen goed weg te zetten. Dat levert steeds die vragen in de Tweede Kamer op over de kwaliteit van de Nederlandse internationale samenwerking.”

Koenders is van plan om een van de uitvoerders van het huidige beleid, de NCDO, in budget te halveren en tot kenniscentrum om te bouwen. Box vindt dat de minister niet goed omgaat met de NCDO. „Te wispelturig. Al veertig jaar proberen we het debat over internationale samenwerking overeind te houden. De NCDO speelde daarin een grote rol. Je ziet hier echter steeds wisselende machten. Die organisatie weet werkelijk niet waar ze aan toe is. De NCDO is opgericht om het debat over het wereldburgerschap en internationale samenwerking gestalte te geven en brede lagen van de bevolking kennis en inzicht te verschaffen. Als je dat debat op prijs stelt, moet je de NCDO een eigen verantwoordelijkheid laten. Dat is niet gebeurd.”

Koenders lijkt de houding aan te nemen dat ontwikkelingswerk zichzelf maar moet bewijzen en dat het niet verkocht hoeft te worden. Daar is veel voor te zeggen, omdat de Nederlander vrijwel altijd zijn wereldburgerschap blijkt waar te maken. Er hoeft maar een tsunami te zijn of de Nederlander staat op. „Dat is inderdaad zo. Er zijn internationale organisaties, zoals Amnesty International, die geen cent krijgen van de Nederlandse overheid. Amnesty’s Nederlandse afdeling is de op een na grootste.”

„ De Nederlandse burger is zeer betrokken bij het wereldgebeuren. Soms wordt dat het opgeheven vingertje genoemd. Je kunt ook zeggen dat die houding internationaal respect oplevert. Dat is in ons eigen belang, als klein land dat het vooral moet hebben van de handel. Het levert een hoge mate van betrouwbaarheid op. Het Nederlandse wereldburgerschap staat hoog aangeschreven, maar daaraan kleven ook consequenties. Je moet de burger niet gaan ringeloren, zoals Koenders nu dreigt te doen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden