Over hulp en de strijkstok

Aan welke organisatie doneren wij het liefst onze ontwikkelingsbijdrage? Aan de oude vertrouwde grote, of aan die nieuwe kleine?

Natuurlijk houdt Oxfam Novib, Icco of Cordaid niet morgen op te bestaan. Maar een Nederlander die het verschil wil maken in het leven van een minderbedeelde elders op de wereld, geeft zijn geld tegenwoordig toch liever aan een kleinschalig, particulier project. Tenminste, dat zou je denken, als je de groei in de laatste tien, vijftien jaar ziet van het aantal vrijwilligersorganisaties; de schattingen lopen uiteen van 6400 tot 15.000.

Toch klopt het niet, stellen wetenschappers die het geefgedrag van donoren onderzochten. "Donateurs spreken die voorkeur voor klein en fijn ook uit. Maar toen wij keken naar hun daadwerkelijke geefgedrag, bleek dat de grootte van een organisatie er niet toe doet", zegt ontwikkelingsdeskundige Sara Kinsbergen van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Met socioloog Jochem Tolsma, ook van de Radboud Universiteit Nijmegen, zette ze 2758 Nederlanders boven de achttien jaar achter een laptop. Daarop verscheen, zes keer achter elkaar, de beschrijving van een fictieve ontwikkelingsorganisatie. Steeds kregen de deelnemers - ook fictief - 100 euro. Hun waardering voor de getoonde organisatie spraken ze uit door dat bedrag geheel of deels te doneren. Bij gebrek aan waardering mochten ze het ook volledig op zak houden.

Het experiment maakt deel uit van Kinsbergens promotie-onderzoek naar particuliere initiatieven in ontwikkelingssamenwerking, dat ze begin volgend jaar hoopt te verdedigen.

Tolsma: "In die beschrijving van een organisatie rafelen we 'omvang' in drie factoren uiteen: is die groot of klein, draait ze een paar of juist vele projecten, is ze actief in één land of in verschillende landen. Alleen voor het aantal landen zien we een effect, maar niet zoals je zou verwachten als je uitgaat van 'klein, maar fijn'. Men doneert vaker aan organisaties die in meer landen actief zijn. En wie doneert, geeft bovendien meer aan zo'n brede organisatie."

Kinsbergen: "Wij denken dat mensen met het geld dat ze geven zoveel mogelijk willen doen. Steun aan een organisatie die in meerdere landen actief is, geeft het gevoel: hier kunnen wij met onze euro veel bereiken door breed in te zetten. Dat is onze interpretatie. We hebben het ze niet gevraagd."

Is die voorliefde voor klein maar fijn dan een waanidee? Nee, dat niet. Tolsma: "De voorkeur voor particuliere initiatieven beargumenteren mensen vaak met 'die hebben weinig overhead'. Ze willen dat het niet aan de strijkstok blijft hangen, maar terechtkomt bij dat waterproject in Afrika. In onze scenario's voeren we organisaties op die ergens tussen de nul en de tachtig procent overhead hebben. Bij analyse bleek dat de deelnemers vaker doneren aan een organisatie met lage overhead, ongeacht de grootte." Dus als een organisatie weinig kosten maakt om de begunstigde te bereiken, maakt het de donateur niet uit of die klein is of groot.

Wat voor organisatie bleek een echte donateurtrekker? Dat is een bekende organisatie, met tien tot twintig jaar ervaring, zonder religieuze signatuur, actief in meerdere landen, zonder overheadkosten, bestierd door voornamelijk vrijwilligers. Kinsbergen: "Een hybride organisatie eigenlijk, met kenmerken van klein en groot. Het moeten allemaal vrijwilligers zijn, maar ze moeten best wat werk verzetten, niet alleen in Kenia, maar ook in Ghana en Tanzania als het kan. Daar zit een spanningsveld."

Bestaan zulke organisaties wel? Kinsbergen: "We hebben hier in Nijmegen een enorme database vol particuliere initiatieven en daarin zijn er wel een paar te vinden. Maar ik wil benadrukken: dit onderzoek beschrijft het perspectief van de donateur. Ik doe hier geen oproep om zijn grillen te volgen. Dan kom je uit op een discussie 'levert dat de beste hulp op?'. Dat is een complexe vraag." Duidelijk is wel dat grote organisaties inspelen op die voorkeuren van de donateur. Bij Oxfam Novib kun je voor 36 euro een geit kopen, die je cadeau doet aan een vrouw in Bangladesh. Heel direct, heel overzichtelijk.

Tolsma: "We hebben ermee geworsteld: denkt het publiek dat die particuliere initiatieven minder overhead hebben en dus efficiënter zijn? De initiatieven laten zich daar wel op voorstaan. Maar er is ook zoiets als schaalvoordeel. Een particulier die met zijn autootje naar Polen op en neer rijdt - dat deed mijn vader in de jaren zeventig - hoe efficiënt is dat?"

Kinsbergen: "In het publieke debat wordt heel erg kritisch gesproken over grote ontwikkelingsorganisaties. Het verhaal van de veelverdienende directeur van Plan Nederland - dat was in 2002! - heeft zo'n impact gehad. Dat nestelde zich in de hoofden van mensen. Waar gaat ons geld heen? Wat blijft er aan de strijkstok hangen? En: na zestig jaar ontwikkelingshulp zijn er nog steeds arme mensen." Tolsma: "Het is niet alleen beeldvorming, sommige kritiek is terecht. Er is ook wat aan de hand. Er is ook nog steeds armoede."

Maar het is toch een illusie om te denken dat je in zestig jaar tijd de armoe de wereld uit helpt?

Tolsma: "Inderdaad. Zoals het ook een illusie is om te denken dat andere sectoren beter presteren. In het bedrijfsleven is ook overhead. En we hebben na al die jaren nog steeds geen groene motoren. Ik denk dat ontwikkelingsorganisaties onder een vergrootglas worden gelegd, omdat ze deels met vrijwillige bijdragen worden bekostigd."

Ze moeten zich vooral niet gek laten maken door een onderzoek als het hunne, zeggen de Nijmeegse wetenschappers. Tolsma: "Het is ook mooi dat er veel organisaties zijn die het ene of het andere kenmerk hebben. Oxfam kan zeggen: we draaien al lang mee, we zitten in veel landen en hebben veel ervaring. Particuliere initiatieven kunnen zeggen: we draaien op vrijwilligers."

En misschien, zegt Tolsma, moeten ontwikkelingsorganisaties de donateur gewoon zeggen waar het op staat. "Wij hebben overhead, wij bieden niet de meest efficiënte hulp, en wel hierom. Er zijn organisaties die illegaal de grens over trekken en honderden kilometers door niemandsland rijden om hulp te geven waar andere niet komen. Zeg dan dat van elke euro maar 60 cent terechtkomt bij hulpbehoevenden en dat het niet efficiënter te doen is."

Kinsbergen heeft haar twijfels: "Dat is stoer, maar daarvoor moet je wel dapper zijn. Het aantal organisaties is zo toegenomen, dat de neiging bestaat om op de massa in te spelen door met een populaire boodschap te komen. Zeker met een overheid die zich terugtrekt uit ontwikkelingssamenwerking, waardoor de organisaties nog veel meer op de particuliere markt zijn aangewezen."

Tolsma: "Er wordt in Nederland nog zo veel gedoneerd. Je hoeft echt niet bang te zijn dat mensen niet meer geven."

Het onderzoek
De 2758 deelnemers aan het onderzoek van Kinsbergen en Tolsma kregen ieder een aantal beschrijvingen van een ontwikkelingsorganisatie voorgelegd. Door te variëren met allerlei kenmerken, hadden de onderzoekers 960 verschillende beschrijvingen tot hun beschikking.

De vraagstelling ging om het volgende:

Stel, u heeft 100 euro, hoeveel zou u willen doneren aan een ontwikkelingsorganisatie die voldoet aan de volgende omschrijving:

groot of klein

onbekend of bekend

5/10/20 jaar ervaring

religieuze achtergrond of 'blanco'

een paar of vele projecten

in één land of verschillende landen

Van elke gedoneerde euro bereikt 100/80/60/40/20 cent de begunstigden

De organisatie draait vooral op vrijwilligers of op betaalde krachten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden