Klein verslagWim Boevink

Over grote, niet ingeloste liefdes

Mijn moeder was getrouwd met mijn vader. Hij was negen jaar ouder dan zij. Het was een goed huwelijk. Hij hield erg veel van haar. Zij hield ook van hem.

Maar haar grote liefde was hij niet. Daarover sprak ze jaren na mijn vaders dood.

Haar grote liefde heette Nol. Ze leerde hem kennen voor ze mijn vader ontmoette.

Ze woonde nog bij haar ouders thuis, een jong volwassene, net twintig misschien.

Maar Nol ging varen, op de grote vaart. Of ze op hem wilde wachten, had hij gevraagd.

Dat wilde mijn moeder wel. Maar Nol bleef jaren weg. Wat mijn moeder niet wist was dat hij haar brieven stuurde. Die werden achtergehouden door haar moeder, mijn oma. Die was het niet eens met deze verhouding.

Mijn moeder leerde mijn vader kennen. Ze trouwden en verhuisden naar een rijtjeshuis in een dorp. Daar werd op zekere dag aangebeld. Mijn moeder deed open. Een man in koopvaardij-uniform stond voor de deur, met witte pet.

Waarom heb je niet gewacht, vroeg hij in wanhoop.

Zo eindigde de liefde van haar leven, die altijd de liefde van haar leven zou blijven.

Ik meen dat ikzelf zo'n liefde had

Misschien hebben veel mensen zo’n grote, niet ingeloste liefde. Meestal uit hun jonge jaren. Ze maken die liefde misschien ook groter dan hij werkelijk was. Hij bestaat bij gratie van het niet-ingelost zijn. Ik meen dat ikzelf zo’n liefde had. Of de romantische voorstelling ervan.

Ooit schreef ik erover in een van de verslagen. Ik was zeventien en nog scholier. Zij was negentien en verpleegster in een huis voor verwarde ouderen. Op haar vijftiende weggelopen van huis. Al een heel leven achter de rug, inclusief een verloving met een rijkeluiszoon en een verhouding met de Duitse man van een Franse gravin.

Ze woonde in de lieflijke stad Z. Ik nog bij mijn ouders, vijftig kilometer verderop.

Ze droeg Indiajurken, had haar haar hennarood geverfd, geurde naar patchouli, luisterde naar Curtis Mayfield en rookte rode Libanon. Ze had een aanleg voor zwaarmoedigheid.

Toen ik een weekend naar haar toe wilde gaan, was mijn vader daar tegen. “Ik stuur mijn kind niet in een brandend huis”, zei hij. Ik ben het nooit vergeten.

Maar ik ging wel.

Het was mijn kennismaking met het stadje Z. En het beleven van een grote liefde.

Lang duurde het niet. Na iets meer dan een half jaar schoof ze me, de scholier, opzij voor een collega, met wie ze zou trouwen en kinderen krijgen.

Op haar huwelijksdag wandelde ik met de bruid langs de rivier, de bruidegom was knetterstoned. Een gelukkig huwelijk werd het niet. Ze scheidde, hertrouwde hem en scheidde nog eens.

Intussen verloor ik haar uit het oog. Het is intussen decennia geleden dat we elkaar zagen.

Vanwege Z, waar ik een pied-à-terre betrok, zocht ik per mail weer contact. Ze was nog lastig te traceren. Ze leeft teruggetrokken in het binnenland van Portugal, heeft af en toe bereik op haar telefoon. Ze zond een korte mail:

“Je was de liefde van mijn leven”, schreef ze.

 Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden