’Over eten kun je goed lyrisch schrijven’

Jeroen Thijssen, met hond Jip in de achtertuin.
Jeroen Thijssen, met hond Jip in de achtertuin. "Ik kan een smaak goed beschrijven. Omdat het me na aan het hart ligt." (JÿRGEN CARIS, TROUW)

In het voetspoor van Asterix trok Jeroen Thijssen door Frankrijk. Zijn ’Ronde van Gallië’, een serie over streekproducten in Trouw, groeide uit tot een boek, dat nu in de winkels ligt.

Marten van de Wier

Het open keukentje in zijn Vughtse nieuwbouwwoning is opvallend klein voor een culinair journalist. Maar de koffie van Jeroen Thijssen smaakt zoals je dat mag verwachten: lekker sterk, een klein beetje verse drab op de bodem. Het ’kleinste Thijssentje’ – het zoontje dat veel in zijn stukken voor Trouw figureert – is naar school. Vader Thijssen kan in alle rust praten over zijn ’Ronde van Gallië’.

Het reisplan leende Thijssen van zijn stripheld Asterix. In het stripverhaal van Uderzo en Goscinny reizen Asterix en Obelix langs elf steden in het Frankrijk van enkele decennia voor Christus, om met een knapzak vol streekproducten terug te keren naar hun dorp. Zo winnen de Galliërs een weddenschap met Lucius Finessus, een gezant van Caesar, en blijft hun moedig weerstand biedende dorpje ook in dit album vrij van Romeinse overheersing. Finessus trakteren ze tot slot op de plaatselijke specialiteit van het dorp: de ’muilpeer’.

Toen Thijssen zelf nog een klein Thijssentje was, moest hij al grinniken om dit soort avonturen. In zijn eigen boek kon hij drie liefdes combineren: Asterix, lekker eten en historie.

Waarom ben je niet eerder op dat idee gekomen?

„O, het idee had ik al heel lang. Misschien niet toen ik het album voor het eerst las, maar het zal niet veel later geweest zijn. Maar je moet ook nog een uitgever of krant geïnteresseerd vinden, er moet ook brood op de plank. Ik was gewoon nog niet eerder in de gelegenheid. In 2008 stelde ik het voor als zomerserie voor Trouw, en de redactie zei al vrij snel ja.”

Thijssen legde ’de ronde’ niet in één keer af. Hij is co-ouder, en heeft om de week zijn zoontje thuis. In de andere weken reisde hij drie keer op en neer, op zoek naar streekproducten in de elf steden. „Er zijn Trouw-lezers die de route zijn nagereisd”, vertelt Thijssen. „Een lezeres stuurde me een ansichtkaartje uit Toulouse, dat het precies zo was als ik beschreven had.” Thijssen voelde dat er meer in zat. Hij ging afgelopen jaar nog zes afzonderlijke weken terug, en breidde zijn reisverslag uit tot een boek. Dat verscheen vorige week.

Ging je op reis met de Asterix in de hand?

„Ja. Nou, tijdens het rijden niet natuurlijk. Maar ik ben op zoek gegaan naar plekken die in het boek voorkomen. De Promenade des Anglais in Nice bijvoorbeeld, al bestond Nice eigenlijk nog niet in de tijd van Asterix en Obelix. De boulevard in het album stamt uit eind 18de eeuw. Het hele verhaal staat natuurlijk ramvol anachronismen, dat maakt het juist zo leuk. Het strand van Nice ziet er precies zo uit als Uderzo het getekend heeft. Alleen bij hem liggen er allerlei Galliërs te zonnen, in badpak, met helmen en grote snorren. Dat vind ik heel komisch.”

Ben je streekproducten tegengekomen die er in de tijd van Asterix werkelijk al waren?

„Eentje: de worstjes uit Toulouse. Die zijn volgens de geschiedschrijver Plinius de beste van het Romeinse rijk.”

De meeste gerechten kende je natuurlijk al. Ben je nog verrassingen tegen gekomen?

„In Rouen is gestikte eend een specialiteit. Er zit dan nog gesmoord bloed in het vlees. Het karkas doen ze in restaurants aan tafel in een eendenpers. Het bloed vangen ze op, dat wordt een schuimige saus voor over de eend. Wie het gerecht goed genoeg kan klaarmaken is ’ridder van de Rouenese eend’. Ik vond het niet bijzonder smaken. Een hoop soesa om niks.

„Asterix en Obelix nemen trouwens niets mee uit Rouen, terwijl ze er toch drie heerlijke kazen hebben. Heel opvallend: Frankrijk is het land van de kazen – er zijn er ruim vijfhonderd – maar Asterix en Obelix nemen nergens een kaasje mee. Ik heb stiekem het idee dat Goscinny en Uderzo een hekel hadden aan kazen.”

Thijssen duikt in de koelkast, en haalt een geurig exemplaar tevoorschijn dat hij onlangs nog in Nederland heeft gekocht: een Neufchâtel. Midden op de hartvormige kaas staat een klein laagje vocht. „Hij is goed rijp”, zegt Thijssen, en pakt twee messen. Als hij er een puntje uitsnijdt, loopt de inhoud over het papiertje. Thijssen brengt het mes met kaas snel naar zijn mond. „Mmm.”

„Het verhaal gaat dat Rouenese meisjes deze kazen in hartvorm lieten persen, om tijdens de honderdjarige oorlog met de Engelsen aan de veroveraars aan te bieden, in de hoop op een goed huwelijk. Mooi verhaal natuurlijk, maar niet te controleren.”

Je bent van huis uit historicus. Waarom schrijf je nu vooral over eten?

„Ja, ik heb na mijn opleiding journalistiek een avondstudie geschiedenis gedaan, omdat ik een historische roman wilde schrijven. Ik was altijd heel erg in geschiedenis geïnteresseerd. Maar wat kun je met geschiedenis? Dan wordt je leraar of onderzoeker op een universiteit. Ik wilde geen van tweeën. Ik had wel over geschiedenis kunnen gaan schrijven, maar kranten hebben geen geschiedenisrubriek.

„In dit boek kon ik teksten van Caesar verwerken, en zelfs een beschrijving van de derde eeuwse christelijke staatsman/dichter Ausonius. Die schreef in memoriams van stadsgenoten, met hun afstamming tot stammen van barden en druïden in het niet-christelijke Gallië. Dat zijn prachtige dingen. Daarvoor had ik in de krant geen plaats.”

Als het kon, zou je je dan volledig op de geschiedenis storten?

„Ik zou het er graag bij doen. Ik vind het alle twee heel leuk. Eten doe ik al mijn hele leven, en koken al vanaf mijn achtste. Ik kom uit een familie van getalenteerde amateurkoks. Mijn vader was calvinistisch opgevoed. Pas toen hij uit huis ging eten, ontdekte hij wat eten ook kon zijn, Toen heeft ’ie zich daar met enthousiasme opgestort.”

Je geeft in je boek mooie omschrijvingen van de sfeer in een stad, maar als het over eten gaat, wordt je pas echt lyrisch.

Thijssen lacht. „Over eten kun je ook heel goed lyrisch schrijven. Steden zijn leuk, daar kun je naar kijken, maar je kunt ze niet eten.”

Is het niet lastig smaak te beschrijven?

„Uiteindelijk gaat het altijd om vergelijkingen, ook als je een gebouw beschrijft. ’Het smaakt als’ of ’het ziet eruit als’ Ik doe het natuurlijk al bijna tien jaar. En, het klinkt misschien een beetje opschepperig, maar ik kan het ook goed. Omdat het me na aan het hart ligt.”

Kook je zelf altijd uitgebreid?

„Ik sta iedere dag minstens drie kwartier in de keuken. Dat is een rustpunt in de dag. Afwassen vind ik vervelend, maar koken niet. Ik heb één keer voor Trouw afbakpizza’s geproefd. Sindsdien maak ik ze weer zelf.”

Houdt je zoontje van koken?

„Hij is nog niet zo enthousiast. Hij lust ongeveer alles, maar is wel heel kritisch. Het moet precies zo smaken als hij gewend is. Hij is nu 11. Zaterdag is zijn dag: dan kookt hij vaak bami. Dat kook ik anders nooit.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden