Over de grenzen van wetenschap

Bij het opruimen van een stapel oude tijdschriften stuitte ik op een artikel over paranormale verschijnselen zoals helderziendheid, telepathie en, minder bekend, telekinese, dat wil zeggen het verplaatsen of vervormen van voorwerpen zonder deze aan te raken.

Het betrof een uitvoerige recensie van een Frans boek over dit onderwerp, in Engelse vertaling uitgegeven door Johns Hopkins University Press. De auteurs zijn twee Franse fysici van naam, Georges Charpak, ooit winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde, en Henri Broch, bekend om zijn onderzoek naar telepathie. De recensent Freeman J.Dyson is van een oudere generatie. Hij was als hoogleraar natuurkunde verbonden aan Princeton University. In zijn jonge jaren was Charpak een van zijn leerlingen.

Mijn oog viel op een bij het stuk afgedrukte foto van Uri Geller, lange tijd een beroemdheid die voor een verbijsterend publiek lepels en sleutels door louter geestkracht wist om te buigen. Nieuwsgierig geworden wat de drie hooggeleerde heren over dit frivole onderwerp -een goochelaarstruc- te melden hadden, begon ik te lezen.

Het was dankbare lectuur. Dyson blijkt een uitnemende verteller, onder meer over zijn vroege ervaringen met Charpak en zijn bekendheid met Geller die hij ooit zag optreden. In zijn jeugd was Dyson trouwens door parapsychologische verschijnselen gefascineerd geweest. Met vrienden had hij telepathische experimenten gedaan, met name door het raden van omgekeerde speelkaarten.

De auteurs van het boek dat hij bespreekt, maken met deze en andere paranormale verschijnselen de kachel aan. Het is allemaal fraude, mogelijk gemaakt door bijgeloof en domheid, en in wetenschappelijk gecontroleerde experimenten niet te reproduceren. Ze beklagen zich over de groei van moderne pseudo-wetenschappen en ze verwijten Franse studenten aan dergelijke irrationaliteit geloof te hechten.

Dyson prijst hun boek. Het is goed dat de frauduleuze geldwisselaars uit de tempel der wetenschappen worden verwijderd. Maar, en dat is het boeiende in zijn artikel, hij gaat niet mee met de opvatting van Charpak en Broch dat het allemaal onzin is en dat de wetenschap het laatste woord kan zijn.

De reden van zijn scepsis is tweeledig. De jeugdige experimenten met zijn vrienden brachten aan het licht dat er in het begin van de urenlange sessies opmerkelijke resultaten werden bereikt maar dat na verloop van tijd, als verveling en vermoeidheid toesloeg, het 'slaagpercentage' sterk daalde. Dysons hypothese luidt dat sterke motivatie om een bewijs van telepathie te vinden, invloed heeft op het resultaat. En dat daarom laboratoriumexperimenten met willekeurige personen doorgaans negatieve resultaten opleveren. Men moet uit alle macht iets willen aantonen om te slagen.

Dysons tweede argument bestaat hierin dat tal van paranormale verschijnselen zijn geregistreerd maar dat het puur anekdotische kennis is: het zijn losstaande verhalen die geen generalisatie toelaten. Dus kan de wetenschap er niets mee en worden ze ontkend.

Dyson noemt die ontkenning een vorm van reductionisme: alle soorten van kennis, of het nu gaat om natuurwetenschappen, geschiedenis, ethiek of religie, worden gereduceerd tot wetenschap. Wat niet kan worden gereduceerd tot wetenschap, is geen kennis.

Dyson is het hiermee niet eens. Hij staat dichter bij het traditionele standpunt dat zegt dat er naast de wetenschap vele andere bronnen van kennis bestaan. Hij somt er een aantal op: kennis van goed en kwaad, van schoonheid, van ethische en artistieke waarden; kennis van de menselijke natuur, ontleend aan geschiedenis en letterkunde, of uit de omgang met familieleden en vrienden; kennis omtrent de natuur der dingen, verkregen door meditatie en religie.

Dit is zijn overtuiging: het zijn stuk voor stuk evenwaardige bronnen van kennis, delen van het menselijk erfgoed, ouder dan de wetenschap en misschien wel duurzamer. Voor sommige lezers lijkt dat wellicht een gemeenplaats maar voor Dyson, beoefenaar van waarschijnlijk de meest triomfalistische tak van wetenschap, is het een zelfoverwinning die van wijsheid getuigt.

Aan het slot van zijn recensieartikel keert Dyson terug naar de parapsychologie en komt met de suggestie paranormale geestesvermogens en wetenschappelijke methoden als complementair te beschouwen. Is het, gegeven de vele paranormale verschijnselen die degelijk zijn geregistreerd maar wetenschappelijk ongrijpbaar zijn gebleken, niet mogelijk dat ze te fluïde zijn om met storende wetenschappelijke technieken te worden achterhaald?

De emeritus hoogleraar Freeman J. Dyson, wetende dat hij op dun ijs schaatst, blijft behoedzaam redeneren. Hij noemt zijn hypothese 'pure speculatie', maar ook: 'plausibel'. Want het aardige is dat hij zich met het opwerpen van deze veronderstelling een echte wetenschapsbeoefenaar toont. Hij stuit op de grenzen van de wetenschap, keert niet naar de veilige haven terug maar zoekt stoutmoedig naar nieuw land, over de grenzen heen.

P.S. Voor eventuele geïnteresseerden: het stuk verscheen in The New York Review of Books van 25 maart 2004.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden