Over de eigenaardigheden van de Nederlandse cultuur

De auteur is hoogleraar Historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Het artikel is een bewerking van de zgn. Adorp-lezing. Eens per jaar organiseert de Stichting oude Groninger kerken in de kerk van Adorp deze lezing over de Nederlandse taal en/of cultuur.

HERMAN PLEIJ

Veel Nederlanders worden op hun minst wat lacherig, wanneer de eigenaardigheden van de vaderlandse cultuur ter sprake komen. Alsof je je daarop zou moeten beroemen. Doe maar gewoon. En algauw slaat de gêne om in welgemeende waarschuwingen voor ongewenste vormen van nationalisme, die zo snel tot zelfverheffing leiden over de rug van anderen.

In dat verband zijn woorden als volksaard en volkskarakter besmet geraakt. Dat is niet zo erg, aangezien deze begrippen een genetische verklonkenheid suggereren die eenvoudig niet aan de orde is. Meer hanteerbaar zijn termen als zelfbeeld en collectieve mentaliteit, die beide in de eerste plaats spirituele activiteiten benoemen. Bovendien nodigen ze uit tot vragen over dwingende tradities in dat zelfbeeld en de aanmaak van mentaliteiten door politiek en cultureel centralisme.

Mogen we ons op die manier wel met die culturele eigenaardigheden bezighouden? Vooralsnog lijkt het allemaal weinig uit te maken. Er zijn geen volkeren die met zo'n aanstekelijk enthousiasme hun eigen taal en cultuur verkwanselen voor een paar zilverlingen. Alsof het om een zeer been gaat, dat pas met de wonderzalf van het internationalisme goed bestreden kan worden.

Eigen cultuur en taal zijn immers in de moderne wereld niet meer dan een handicap, weet de oplettende Nederlander als het braafste jongetje in de wereldklas. Misschien is het nog wel eens leuk om tussen de schuifdeuren een Terschellinger volkslied ten gehore te brengen, eenmaal per jaar Bert Haanstra's Fanfare op de TV af te draaien, op Bartjes klompen om Drentse hunebedden te dansen, midwinter te blazen in de Achterhoek en zich op gezette tijden over te geven aan andere vinger-in-de-dijk-houderij: het echte leven begint pas buiten de dijken en verdraagt geen boerenboezeroenencultuur.

Opmerkelijk in betogen als deze is de gretige identificatie van Nederlandse cultuur met folklore: alsof Rembrandt eigenlijk koektrommels beschilderde, die door slimme buitenlanders alsnog op doek gezet zijn. Voor de echte cultuur hebben we toch het buitenland, aangevuld met binnenlandse produkten die daarop proberen te lijken. Deze inheemse exotica worden vervolgens gewaardeerd met het adjectief 'onHollands', waarmee een positieve kwaliteitsaanduiding is bedoeld. Dan weet de consument tenminste zeker dat het om echt mooie dans gaat, prachtige literatuur, gevoelige film of gedurfd ballet in plaats van houterige betweterij in de walm van spruitjes, terwijl een hoempaband voorbijmarcheert.

Die mogelijkheid om de ontkenning van de eigen identiteit een vanzelfsprekende aanbeveling te laten zijn in het culturele leven, is uniek in de wereld. Onlangs prees een museumdirecteur de aanschaf van een schilderij van Lieven de Key aan met de blijde verzuchting, dat het hier om een topwerk ging van 'onHollandse kwaliteit'. Dat had het werk er niet goedkoper op gemaakt. De massacultuur doet ook mee, want De Telegraaf van 16 juli 1994 weet over Liesbeth List te melden, dat ze onze showbusiness samen met Ramses Shaffy een 'onNederlandse allure' heeft gegeven. En dat is de hoogste lof die men in Nederland kan verwerven.

Maar zo we al over onze culturele eigenaardigheden willen praten, hoe denken we daar dan over? Al vanaf de 17de eeuw zijn we ervan overtuigd, dat wij niet kunnen schrijven, maar wel heel verdienstelijk de penseel hanteren. Dat gespleten talent is het gevolg van een handicap, waarvan de diagnose een diepe minachting voor de schilderkunst verraadt tegenover een peilloze bewondering voor het schrijven.

Wij kunnen uitstekend imiteren, kopiëren, navolgen, reproduceren en adapteren wat elders bedacht is of te zien valt. Dat gaat gepaard met een sterk gevoel voor realisme en het alledaagse. En daarmee is de ideale uitrusting gegeven voor de zo typisch Hollandse genre-schilder, werkend 'naar het leven', terwijl die eigenschappen bijzonder ongeschikt zijn voor het scheppen van een oorspronkelijke literatuur vol eigen inventies en fantasieën.

Voor 17de-eeuwers kan deze handicap wetenschappelijk verklaard worden. Ons karakter is bepaald door klimatologische omstandigheden. Kou en natheid hebben ons flegmatiek gemaakt. Daarom eten we zo graag zuivel, groente en vis. En daardoor hebben de bewoners van de Lage Landen weke hersenen, die door hun sponsachtige structuur heel veel kunnen vasthouden wat ook met het grootste gemak weer gereproduceerd kan worden. Naar zo'n wetenschappelijk bewezen zelfbeeld gaat men vervolgens leven. Het wordt aangewezen, voorgeschreven en nagevolgd. Tevens gebeurt het, dat men zich nadrukkelijk daarvan distantieert door het volstrekte tegendeel van zo'n karakteristiek op te voeren. Een voorbeeld vormen de italianiserende tendensen in schilderkunst en literatuur, ook en vooral omdat zij in handboeken zo vaak onderbelicht blijven: niet Hollands genoeg.

Eigenaardigheden van de Nederlandse cultuur doen zich dus even traditioneel als dialectisch voor op grond van een dwingend zelfbeeld: we kunnen alleen maar opzuigen.

Men kan natuurlijk ook aan de andere kant beginnen. Zo vertoont onze letterkunde van meet af aan een reeks eigenaardigheden die elders in veel mindere mate aanwezig zijn. We hebben een opmerkelijke hoeveelheid 'overlevingsliteratuur' tussen 1200 en 1800. Die wil een gids zijn naar het eeuwige leven, langs alle valstrikken die de duivel weet te spannen, volgens het type Elckerlijck. Ze valt zelfs te verbinden met die zo commercieel opgezette onderhandelingsvroomheid, waarin Nederlanders excelleren: de afkoop van het geweten, de aanschaf van een paspoort voor de hemel. De uitlopers hiervan treffen we nog aan in het fenomeen van de 'nationale actie' voor een goed doel, die zijn weerga evenmin kent in de wereld.

Direct hiermee verbonden is de herhaaldelijk aangewezen en weinig betwiste eigenschap van onze literatuur om te willen leren en moraliseren. Deze onverbeterlijke neiging geeft Busken Huet de smadelijke typering in van allemaal 'vaders' onder de nationale auteurs: vader Maerlant, vader Cats, vader Feith, vader Tollens.

Dergelijke karaktertrekken zijn vervolgens goed te verbinden met een minstens zo sterk aanwezige 'vluchtliteratuur'. Daarmee kan men die zo gevreesde werkelijkheid even vergeten. Nergens heeft de mystiek zo'n hoge vlucht genomen in de literatuur als hier. En daarin manifesteert zich toch de ultieme vlucht uit de alledaagse werkelijkheid, gesublimeerd tot een absolute vereniging met het goddelijke. Vanaf de 13de eeuw is er een aanzwellende stroom van zulke geschriften, die een wereldse pendant vinden in de vorm van aangepaste ridderverhalen die de boekenmarkt in de vroegmoderne periode beheersen. Deze succesvolle teksten bieden burgers de mogelijkheid om weg te dromen in een sterk geïdealiseerde ridderwereld, die nooit in de beschreven vormen bestaan heeft. De koopman waant zich een ridder op avontuur, die de woeste wereld te lijf gaat met zijn spullen. En in spelvormen voert hij met zijn collega's in de stad koning Arturs Ronde Tafel op, waarbij zij de namen voeren van Lancelot, Percevael en al die anderen. Maar het blijven burgers, die met hun verbeelding compenseren wat de werkelijkheid hun onthoudt.

Ook kan nog gewezen worden op een meer dan gewone belangstelling voor geknutsel met de taal. Nergens greep een beweging als die der rederijkers zo wijd om zich heen als hier. Deze burger-woordkunstenaars legden zich allereerst toe op de ontwikkeling van een bijzonder taalgebruik, waarmee men zich direct toegang wilde verschaffen tot hoofd en hart van het publiek. Deze taalgevoeligheid en de bewondering voor de macht van het woord lijken nog in onze tijd aan te wijzen onder de talrijke cabaretiers, terwijl we evenmin genoeg kunnen krijgen van de woordenspinsels van iemand als Hugo Brandt Corstius in een van zijn vele gedaanten.

Het ligt voor de hand om deze zo opvallende trek te verbinden met een eeuwenoude op het woord gerichte humanistische traditie, die vooral langs het gereformeerde traject de moderne tijd binnengebracht is. Hoe dan ook bevindt er zich een substantieel aantal domineeskinderen onder de huidige literatoren, met een bijna vanzelfsprekende woordgevoeligheid en een onstuitbare hang naar moraliseren.

Waarom laten wij ons zo weinig gelegen liggen aan zulke eigenaardigheden van de Nederlandse cultuur? Het stelselmatig verdoezelen en denigreren van eigen taal en cultuur met een beroep op het wereldburgerschap is benepen en dom. Daarbij gaat het er zeker niet om, dat wij trots zouden moeten zijn op onze natie. Dat moet iedereen maar zelf weten.

Culturele bezinning op het nationale reilen en zeilen in heden en verleden behoort echter tot een maatschappelijke noodzaak. In cultuurvormen worden immers gedachten aangemaakt, gepropageerd, beproefd en onderdrukt over gewenste of verafschuwde levens- en gedragsvormen. Cultuur is een opiniëringsinstituut van de eerste orde, juist zo effectief vanwege haar informaliteit en het gebruik van verrassende overtuigingsmiddelen als ontroering, schoonheid en humor door taal.

Daarom moeten we onze zeer eigenaardige transito-cultuur, waarin adaptatie van het uitheemse zo'n vooraanstaande rol speelt, zeker niet opgeven. Daarbij hoort het besef, dat op die manier een eigen lading is ontstaan. Die verdient de volle aandacht, omdat zij onze collectieve mentaliteiten zowel heeft gevormd als voorgeschreven. En wie daar niet van wil weten, kiest voor een luchtledig bestaan. Of schuift aan bij wat de vermaarde Amerikaanse auteur John Updike in zijn roman S. dicteert over onze landgenoten: 'No wisecracks in Holland - just boors and beers and burghers and bores'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden