Over begrip 'achterstand' is veel te doen

Scholen tellen 50.000 achterstandsleerlingen minder dan vier jaar geleden, meldt het CBS. Kan de vlag nu worden uitgestoken?

Het rare is dat cijfers over achterstand op school eigenlijk niets zeggen over het verstand of de prestaties van de kinderen, maar alles over het opleidingsniveau van hun ouders. Hebben pa en ma alleen lager onderwijs of misschien nog net vmbo-kader of basis gehaald, dan worden hun zoons en dochters als achterstandsleerlingen beschouwd. Scholen krijgen voor hen meer geld om extra leerkrachten, taallessen, klassenassistenten en speciale onderwijsprogramma's te betalen.

Dat het aantal achterstandsleerlingen daalt, is zo eigenlijk een natuurlijk proces. Van ouders met een (zeer) laag opleidingsniveau zijn er namelijk steeds minder, hun aantal daalt al jaren. Dat geldt voor alle vaders en moeders, zowel van Nederlandse als van Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse, Turkse en andere afkomst.

Deze achterstand is bij niet-westerse allochtonen nog steeds relatief hoog, maar daalt wel. Was in 2011 nog één op de twee scholieren met Marokkaanse wortels achterstandsleerling, nu ligt dat op één op de drie.

Overigens zijn er bijna net zoveel Nederlandse (56.500) als niet-westerse allochtone (59.000) kinderen die onder dit criterium vallen. Om het nog ingewikkelder te maken: een aantal geldt als achterstandkind omdat ze wonen in een postcodegebied met veel lage inkomens en uitkeringen.

Na de bekendmaking van de 'positieve' cijfers barstte de discussie over de definitie los. "Die klopt niet", twitterde wethouder Hugo de Jonge uit Rotterdam, de stad met officieel het hoogste aantal achterstandsleerlingen. "Scholen zien dat aantal helemaal niet verminderen." Dat wordt door de PO-raad, de koepel van basisscholen, bevestigd. Voorzitter Rinda den Besten waarschuwt voor misplaatst optimisme. "Het label zegt niets over daadwerkelijke achterstanden."

De papieren werkelijkheid verhult volgens de critici dat er wel degelijk stevige - soms hardnekkige - problemen zijn. Veel leerlingen met een migrantenafkomst tobben met het Nederlands en hun ouders kunnen hen vaak niet helpen. Onder hen zijn kinderen van recente arbeidsmigranten uit Polen en andere Midden- en Oost-Europese landen, die meestal een goede opleiding hebben. Voor hen krijgen scholen geen extra geld. Daar komt een groep nieuwe leerlingen met achterstanden bij die bovendien extra ondersteuning nodig hebben: vluchtelingenkinderen.

Deskundigen waarschuwen ondertussen dat een goede taalbeheersing alsmaar belangrijker wordt in het leven. Communicatieve en sociale vaardigheden tellen op de arbeidsmarkt steeds zwaarder.

Achter deze hele discussie gaat het grote gevecht schuil: over het budget voor onderwijsachterstanden. Die strijd woedt al langer. Besloten is om dat budget met 50 miljoen euro te verlagen in de komende jaren. Bovendien wil staatssecretaris Sander Dekker (onderwijs) de gelden herverdelen omdat de grote steden onevenredig veel krijgen ten opzichte van kleinere gemeenten.

De PO-raad bepleit het budget voor onderwijsachterstanden te bevriezen, tot er nieuwe criteria zijn. Daarvoor zijn diverse suggesties: afkomst weer mee laten tellen, alsook armoede. Of, adviseert de onderwijsraad, het opleidingsniveau van ouders aanpassen naar minimaal mbo2-niveau.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden