Over alles wat verzwegen werd

Gé Reinders. 'In feite ben ik een beroepsleugenaar.' ( FOTO PATRICK POST ) Beeld Patrick Post

Op een zakdoekje had de moeder van Gé Reinders beknopt haar oorlogsgeschiedenis geborduurd. De liedjesschrijver vond het op zolder en ging op zoek naar haar verzets- en oorlogsverleden. „Mijn broer zei laatst: ’Fijn dat het is uitgezocht’. Het geeft rust.”

’Achteraf denk ik: ik heb er lang omheen gelopen. Het was te pijnlijk. Als je opgroeit met een verzwegen onderwerp, ga je het zelf ook vermijden.’ De Limburgse zanger en liedjesschrijver Gé Reinders (57) vond na de dood van zijn moeder in 1985 in haar nalatenschap een kartonnen doosje van het Rode Kruis waarin tijdens de Tweede Oorlog hulpgoederen en aanvullend voedsel werden verzonden. Zijn moeder had het meegenomen uit Duitsland – op het voorgedrukte etiket stond al de eindbestemming ’Dachau’ – en ze had daar haar spullen uit de oorlog in gestopt. Onder meer een versleten, rafelig oranje zakdoekje, waarop in kettingsteek het beknopte gevangenisdossier van Grada van Horen, geboren in 1911 in het Limburgse dorp Helden-Beringe.

Reinders: „Het doosje heeft, samen met veel andere spullen van mijn ouders, heel lang bij mij op zolder gelegen. Ik kon het niet weggooien, maar erin kijken deed ik evenmin. Tot ik in 2004 werd gevraagd om op de Dodenherdenking te spelen. ’Hebt u ook nog spullen?’, vroegen ze. Ik heb eerst mijn broer en zus gebeld of zij het ook goed vonden en dat was zo. Ik vond het heel spannend om die attributen te laten zien.”

Het duurde dus tot een aantal jaar geleden voordat Gé Reinders uit wilde en kon zoeken wat er precies met zijn moeder was gebeurd tijdens de oorlog. Zelf vertelde ze maar mondjesmaat over haar gebeurtenissen in de kampen Vught, Ravensbrück en Dachau. „Maar op een gegeven moment wílde ik het weten. Als kind vond ik Dachau het akeligste klinken, maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Mijn moeder vertelde daar wel eens wat over, ze hebben er met Nieuwjaar bijvoorbeeld een zelfgeschreven toneelstukje opgevoerd. Tijdens deze zoektocht ben ik erachter gekomen dat mensen juist praten over gebeurtenissen die ze een plek hebben gegeven. Over Ravensbrück heeft mijn moeder nooit gepraat. Nooit. Dát was dus het allerakeligste voor haar. Het enige bijvoeglijke naamwoord over de oorlog dat mijn moeder ooit gebruikt heeft, staat in een verhoor uit 1947. Daarin zegt ze dat Ravensbrück ’onmenselijk’ was. Dat was alles.”

Veel meer aanwijzingen dan het zakdoekje had hij niet, ook niet uit zijn moeders verhalen over de oorlog. Bij Reinders thuis werd nauwelijks over de oorlog gepraat, zoals in zo veel gezinnen waar de pijnlijke littekens van de oorlog de wonden angstvallig dichthielden. ’Spannende stiltes’, noemt hij ze. „Je voelt dat er iets verzwegen wordt en ik denk zelfs dat kinderen dat nog sterker voelen dan ouders. Want die ouders wisten waarover ze niet praatten en de kinderen weten het niet. Maar ze voelen wel die spanning.”

Reinders heeft het zijn moeder wel verweten dat ze er nooit over wilde praten. Kon niet snappen dat zij die heftige periode in haar leven niet met haar kinderen of zelfs maar haar man wilde delen. En als hij er wel eens naar vroeg, begon ze al gauw te huilen. Nu beseft hij, beter dan eerst, dat ze haar kinderen heeft willen beschermen. „In het theaterprogramma ’Helden’, dat ik nu speel, zit een nummer dat ’Iestied’ heet, ’IJstijd’. Daar komt een parlando in voor van Toon Hermans. Hij zegt, op zijn Sittards: ’Kinderen denken altijd dat zij het hebben gedaan/Het komt nooit in hun hoofd op/ Dat pap en mam zélf naar Nova Zembla zijn gegaan.’ Dat is voor mij de sleutelzin. Kinderen nemen vaak de schuld op zich, denken dat zij het hebben gedaan. Ik dacht dat vroeger ook. Als mijn moeder huilde, was dat mijn schuld.”

Zoeken naar het verzets- en oorlogsverleden van zijn moeder Grada bracht met zich mee dat Reinders af en toe flink ging twijfelen aan de waarheid. „Op een gegeven moment weet je het niet meer. Mijn moeder heeft bijvoorbeeld altijd verteld dat, toen zij op 17 mei 1944 is opgepakt, ze eigenlijk voor haar broer kwamen en dat zij maar in zijn plaats is meegegaan. Maar dat kán niet kloppen. Hij was allang het huis uit. Die razzia – waarbij nog 51 anderen zijn opgepakt – was zo goed voorbereid. Ze kwamen voor haar. Dat zie ik nu. Ze kon en mocht niet praten over haar verzetsactiviteiten, dus heeft ze een verhaal verzonnen. Ik snap wel hoe dat gaat, dat je in je leven moeilijke gebeurtenissen zo verdraait dat je er bijna zelf in gaat geloven.” Reinders peinst even. Zegt dan lachend: „Ik heb er een andere vorm voor gevonden, ík kan liedjes schrijven. In feite ben ik een beroepsleugenaar.”

Gé Reinders beschrijft in ’Het zakdoekje’ niet alleen de feitelijke zoektocht in allerlei archieven naar de verzwegen oorlogsgeschiedenis van zijn moeder, hij laat ook mensen uit zijn familie aan het woord, historici en kampvriendinnen van zijn moeder. Het tweede deel is een persoonlijk verslag van zijn eigen reis naar de kampen waar zijn moeder gezeten heeft. Jarenlang heeft hij zich ertegen verzet, maar als hij eenmaal voet in Duitsland zet, is het alsof er een stop uit hem getrokken wordt. „Duitsland is een indrukwekkend land, dat ik gewoon genegeerd heb door alles wat er thuis verzwegen is. Nee, mijn moeder sprak nooit over ’moffen’, bij ons in Limburg zeggen ze ’Pruse’. Dat is het woord voor Duitsers, maar dat is niet degeneratief. Ik vond de reis door Duitsland overweldigend en ik was blij als ik een reden kon vinden om het stopje er snel weer in te stoppen. Maar ik was eraan toe, het kon nu. Eerder was ik bang voor alles wat ik niet wist. Er moest eerst tijd overheen gaan. Ik voelde dat er veel speelde, maar je wéét niet wat er speelt. Dat maakt het zo moeilijk.” Dan weer lachend: „Het is misschien maar goed dat er dingen verzwegen worden, anders schreef niemand meer liedjes. Ik kom er steeds meer achter dat het mijn manier is om moeilijke én leuke dingen vorm te geven.”

Gé Reinders – zijn bekendste lied ’Bloasmuziek’ staat steevast hoog in de jaarlijkse Top 2000 – toerde jarenlang door het land om met allerlei plaatselijke fanfares, harmonieën en brassbands op te treden. Nu koos hij bewust voor de ’kleinere’ voorstelling ’Helden’. Samen met Lucas Beukers op de bassen en Pieter Klaassen op overige snaarinstrumenten, maakt Reinders muziek en zingt hij zijn liedjes in zijn moederstaal, het Limburgs. Tussendoor vertelt hij verhalen, over muzikale helden én natuurlijk de verhalen rondom het verzetsverleden en het zakdoekje van zijn moeder. „Eigenlijk zijn het helden tegen wil en dank, ook mijn moeder. Zij schrijft ergens: ’Ik was niet officieel aangesloten, maar je – ’je’ schrijft ze dan! – hielp mee met onderduikers-, joden- en pilotenhulp als je daarom gevraagd werd’. Alle vrouwen die ik sprak, doen hetzelfde: ze zeggen allemaal dat ze er min of meer ingerold zijn. En ze kleineren hun rol, zo van: ’Nee, ik bracht alleen maar geweren en pistolen rond, maar ik zat niet echt in het verzet’. Wanneer zit je er dan wel in?!”

Gé Reinders is blij dat hij uiteindelijk de zoektocht naar het verleden heeft ingezet. „Mijn broer zei laatst nog: ’Fijn dat het is uitgezocht’. Het geeft rust, ondanks dat ik geen antwoord heb gekregen op al mijn vragen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden