Over alles steeds verbaasd

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Bioloog Jan Lever gaat de geschiedenis in als degene die Nederlandse gereformeerden achter de evolutietheorie wist te scharen.

Na een serie lezingen over evolutie voor de NCRV-radio, eind jaren zestig, krijgt bioloog Jan Lever het zwaar voor zijn kiezen. Er vallen anonieme kaarten in de bus met een aap erop, vergezeld van de tekst: ’Groeten van uw neef’. Er verschijnen reeksen boze brieven in Trouw. En aan de hemelpoort moet Lever volgens sommigen ernstig rekenen op een afwijzing.

De hoogleraar dierkunde, zelf gereformeerd, laat zich niet van zijn stuk brengen. Hij reist stad en land af om lezingen te geven. Vrijwel elke week gaat hij een avond in debat met geloofsgenoten die de evolutietheorie zien als bedreiging van hun godsbesef.

Lever geniet van die dialoog. Geduldig legt hij steeds weer uit dat God en wetenschap prima samengaan. Wie afziet van de letterlijke bijbellezing kan de evolutietheorie volgens hem omarmen en tegelijk erkennen dat God, op een hoger niveau, de hele wereld in zijn hand houdt.

De hoogleraar wint snel terrein. Dankzij zijn grote innerlijke overtuiging en doorzettingsvermogen hebben de meeste gereformeerden de combinatie ’lab en kansel’ begin jaren zeventig aanvaard. Zelf was de bioloog veertig jaar eerder al zover. Daar ging een persoonlijke zoektocht in zijn vroege jeugd aan vooraf.

Lever wordt op 20 juli 1922 in Groningen geboren. Hij groeit op in Den Helder, waar zijn vader hoofd is van een christelijke school. Zijn moeder valt weleens in als onderwijzeres. Zo komt de kleine Jan bij zijn vader én zijn moeder in de klas te zitten.

De jongen laat zijn liefde voor de natuur de vrije loop. Thuis, te midden van zijn twee broers, omringt hij zich met een halve dierentuin: mieren, slakken, rupsen, spinnen, schildpadden, een kat en zelfs een bok. Op zoek naar kennis over al dit leven stuit hij in bibliotheekboeken op boeiende verhalen over de evolutie. Vooral ’Afstamming van den mensch’ van Wilhelm Bölsche intrigeert hem. God komt er niet in voor.

Dat maakt de jongen enigszins nerveus. Wat zouden gereformeerde denkers wel niet van die evolutie vinden? Een rede van het gereformeerde boegbeeld Abraham Kuyper uit 1899 – Lever schaft de tekst als puber aan, van zijn ’arme kleine beetje zakgeld’ – stelt hem gerust: de evolutietheorie is prima, zei Kuyper, zolang God maar blijft gelden als ’opperste bouwmeester’.

Met die vrijbrief op zak begint Lever in 1939 aan zijn studie biologie in Utrecht. Vanaf 1943 moet hij onderduiken omdat de Duitsers jacht maken op studenten die niet trouw zijn aan de bezetter. Een jaar na de oorlog studeert hij af en nog een jaar later trouwt hij met Juus Lagerweij. De twee blijven hun leven lang samen en krijgen vijf kinderen.

Lever blijkt een excellent wetenschapper. Hij promoveert in 1950 op onderzoek aan de schildklier, wordt nog datzelfde jaar lector aan de Vrije Universiteit en helpt daar de studie biologie opzetten. Wanneer hij de evolutietheorie in het programma opneemt, legt het gereformeerde bestuur hem geen strobreed in de weg. Ook niet als hij twee jaar later hoogleraar wordt en in zijn oratie een lans breekt voor de evolutietheorie, waarin hij dan nog een belangrijke, sturende rol ziet weggelegd voor de Schepper.

Bij dagblad Trouw blijft de oratie niet onopgemerkt. Hoofdredacteur Bruins Slot wil al enige tijd af van de gewoonte om persberichten over oeroude fossielen ongebruikt in de papierbak te laten verdwijnen. Hij vraagt Lever om in de krant eens omzichtig te schrijven over evolutie en schepping. Daar is de deskundige gaarne toe bereid, misschien ook omdat hij op die manier in de voetsporen kan treden van zijn moeder, L. A. Lever-Brouwer, die in de krant de rubriek ’Trouw voor de vrouw’ verzorgt.

Levers stukken maken halverwege de jaren vijftig veel lezersreacties los, meestal vrij mild van toon. Ook volgt een eerste golf verzoeken voor lezingen in het land, van Groningen tot Maastricht. Zijn rechtstreekse gedachtewisseling met soms zeer geschokte gelovigen resulteert in het boek ’Creatie en Evolutie’ (1956). Daarin beschrijft Lever evolutie nog altijd op Kuyperiaanse wijze, als een proces waarbij God voortdurend aan de knoppen draait. Tijdens zijn latere lezingen voor de NCRV-radio, in 1969 gebundeld onder de titel ’Waar blijven we?’, gaat hij een stap verder. Hij stelt nu dat God de evolutie weliswaar in gang heeft gezet, maar daarna niet meer ingrijpt. De evolutie voltrekt zich helemaal vanzelf, via toevallige genetische veranderingen en natuurlijke selectie.

Met dit nieuwe standpunt trekt de hoogleraar de natuurwetenschap en het geloof definitief uit elkaar. Maar geen haar op zijn hoofd die eraan denkt om God overboord te zetten. Lever blijft zijn leven lang gelovig.

Het goddelijke schuilt wat hem betreft vooral in verwondering. Verwondering over de schoonheid van de natuur.

Gevleugeld is zijn lyrische beschrijving van een klein zwart vliegje dat op een zondagmiddag plaatsneemt op zijn opengeslagen boek. Lever ervaart het als een godswonder dat zo’n beestje een kloppend hartje heeft, een buizenstelsel voor de ademhaling, en honderden spiertjes voor de voortbeweging; dat het kan lopen, vliegen en rondkijken. Het is voor hem een religieuze ervaring, en daar doet de toenemende kennis uit genetica en evolutiebiologie niets aan af.

Verwondering en nieuwsgierigheid vormen ook de bron van Levers wetenschappelijke inspiratie. Zijn werk, voornamelijk gewijd aan poelslakken en schelpen, komt vaak voort uit persoonlijke observaties die Levers verbazing wekken. Zo wordt de bioloog ooit volledig in beslag genomen door een kwestie over linker- en rechterkleppen van schelpen. Hij ontdekt dat op het strand, afhankelijk van de windrichting, soms vrijwel alleen linker- of juist rechterkleppen aanspoelen. Dit blijkt veroorzaakt te worden door de – mede door de wind bepaalde – waterstromen, die op linker- en rechterkleppen anders vat krijgen. Het blijkt voor het aanspoelen ook nog uit te maken of roofslakken links of rechts een gaatje in de schelp hebben geboord. Met een onderzoeksvoorstel over deze materie sleept Lever de allereerste Koninklijke Shell-prijs in de wacht.

De geleerde verbaast zich over nog veel meer. Over het feit dat de weefrichting van Amerikaanse stropdassen precies tegengesteld is aan die van Europese stropdassen; over de vele soorten putdeksels in de hoofdstad; en over de grote bomenvariëteit in Amsterdam-Zuid. Die laatste waarneming fascineert Lever zozeer dat hij in 2002 zijn ’Bomengids van Amsterdam-Zuid’ uitbrengt.

„Alles is interessant als je erin begint te graven”, zegt Lever vaak tegen zijn kinderen. Je zou het zijn lijfspreuk kunnen noemen. Hij leeft er in elk geval naar, ook in zijn werk. Het leidt tot wetenschap die door haar breedte een zekere focus mist, maar waarvan ingewijden de creativiteit en slimheid roemen.

Lever bekleedt het hoogleraarschap van 1952 tot 1986. Hij is geliefd bij studenten, die hem zeer beminnelijk vinden. In 1970 wordt hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waar hij van 1978 tot 1981 voorzitter is van de afdeling natuurkunde. Een hoogtepunt in zijn carrière is het omleggen van de traditionele cappa (een schoudermantel) bij Martin Luther King, wanneer die in 1965 een eredoctoraat van de VU ontvangt. Drie jaar later wordt de zwarte vrijheidsstrijder vermoord.

Na zijn pensioen stort Lever zich op zijn bomenboek en op de internationale genealogie van de Lever-familie. De mogelijkheid om zich in Kenia te gaan verdiepen in de bakermat van de mensheid laat hij onbenut. Hij kan goed afscheid nemen; zijn werk heeft hij al achter zich gelaten.

De laatste jaren gaat het moeizamer. De ouderdom slaat toe. Steeds meer functies houden ermee op. Dat irriteert Lever. Hij wíl nog zoveel.

Een van zijn grote wensen is het schrijven van een boek met kritische noten over de Bijbel. Zou Jona echt in de maag van een walvis hebben gepast? Zouden Noach en zijn vrouw werkelijk in staat zijn geweest om van alle dieren een mannetje en vrouwtje te selecteren, terwijl zelfs geoefende biologen bij sommige soorten het verschil tussen de seksen nauwelijks zien?

Het moet een schalks en tegelijk respectvol boek worden dat eens te meer aantoont dat een letterlijke bijbellezing niet valt vol te houden. Lever werkt er als een bezetene aan, voor zover zijn haperende lichaam dit toelaat. En het lukt hem: twee weken geleden rolde ’Een bioloog leest de Bijbel’ van de drukpers. Krap een week later, op 23 november, overlijdt Lever, 88 jaar oud. Hij laat zijn vrouw en vijf kinderen achter.

Op 25 november verschijnt de overlijdensadvertentie in Trouw. En wie twittert het bericht die dag als eerste rond? Andries Knevel

De EO-presentator schaarde zich vorig jaar plotseling achter de evolutietheorie, in navolging van de Delftse nanotechnoloog Cees Dekker. Beiden waren jaren in de ban geweest van de Intelligent Design-beweging, die op pre-Leveriaanse wijze stelt dat God binnen de evolutie nog steeds volop boetseert en kneedt, als een bemoeizuchtige ’intelligente ontwerper’. Lever kan het op een bepaald moment niet meer aanzien. Hij neemt contact op met Dekker en praat hem om, iets waar hij in de loop van zijn leven bedreven in is geraakt. Onder Dekkers invloed volgt Knevel een paar maanden later.

Lever moet het prachtig hebben gevonden. Nog één keer schitteren met zijn oude vertrouwde kunsten, ter meerdere eer en glorie van God én wetenschap. Zo verliest een vos wel zijn haren, maar nooit zijn streken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden