Ouderwetse reggae met Brown in glansrol

AMSTERDAM - 'Johoohoo' riep Dennis Brown en het Paradisopubliek kaatste de van Bob Marley befaamde yell in 1200voud terug. Keer op keer klaterde vrijdagavond het applaus tussen de ganjawolken op.

Brown bewoog even soepel als zijn zang. Soms was hij een goedmoedige leeuw die, de rasta-manen heftig schuddend, een dankbare prooi aan zijn toeschouwers had. Dan weer ontpopte Dennis zich als een springerige sjamaan, die op de cadans van zijn ritmisch gezongen teksten een bezwerend ritueel opriep.

Dankzij de zangers Andrew Tosh, Beres Hammond en Freddy McGregor raakte dit mini-festival op de juiste broeierige temperatuur, maar het was Dennis Brown die het kwik omhoog deed schieten.

Omdat raggamuffin' geheel ontbrak - een recente reggaevariant waarin Kingston digitaal met Newyork (hip hop) versmelt - was er vooral sprake van een 'ouderwetse' reggaeavond. In dertig jaar ontwikkelde dit genre zich tot een vitale en wijdvertakte stijl, die overal ter wereld wortel heeft geschoten. Net als 'pop' staat 'reggae' voor talloze varianten in produktietechniek (dub, een bepaalde studio), een specifiek ritme (ska, rocksteady) maar ook in zangopvatting zoals toasting, loversrock en dance hallstyle. De vier coryfeeen in Paradiso refereerden hier met wisselende voorkeur aan. Je zou ze oneerbiedig als Jamaicaanse soulzangers kunnen betitelen. Alles draaide om de persoonlijke interpretatie, wat versterkt werd door de tienkoppige 809 Band, die alle artiesten begeleidde alsof het een reggae-revue betrof.

Charisma

Tosh en Hammond behoren tot de jongste lichting. De eerste trad in de voetsporen van zijn beroemde vader Peter Tosh. Dictie, timbre en materiaalkeuze verrieden dat, maar pa's charisma ontbeert hij ten enen male. Hammond daarentegen had veel meer in zijn mars. De rauwheid van Otis Redding en het fluweel van Marvin Gaye komen in zijn keel samen. Bovendien wist Hammond in zijn jeugdig ongeduld het conventionele reggae-stramien te doorbreken, wat een scherp contrast met Freddie McGregor opleverde. In niets maakte hij de woorden van de spreekstalmeester 'high priest of reggae' waar. Weliswaar debuteerde McGregor al in 1963 op zevenjarige leeftijd, inhoudelijk had hij weinig te melden. Hij doorspekte zijn optreden met alle denkbare cliches waartoe onvermijdelijk ook een lied tegen de apartheid, 'Freedom', behoorde. Want na jaren Ethiopie als ideaal bezongen te hebben richtte de reggae- en rastacommune zich rond 1985 (toen de honger zich openbaarde) op Zuid-Afrika.

McGregor leek daardoor meer op een handelsreiziger met symbolische waar in de koffer dan de reggae-hoge priester waarvoor hij gehouden wordt. Sinds het wegvallen van Bob Marley en Peter Tosh zou Dennis Brown die eer moeten toekomen. Weliswaar geen prediker van de rastafilosofie, is hij eerder een nuchter artiest met dat extra van de grote communicator. Brown is een uiterst produktieve geest, die dertig platen uitbracht. Met de optelsom van ervaring, begeestering en vakmanschap gaf hij gestalte aan de titel van zijn laatste plaat: 'Victory is mine'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden