Ouders in de maalstroom van de tijdgeest

Kinderen voed je het beste op in sociale verbanden die, ook als het eens niet leuk is, bijeenblijven. Een kind verplichten tot iets is daarbij nuttig. Zelfbeheersing moet worden aangeleerd, en daarbij werkt het averechts om af en toe stoom te laten afblazen.

In de vroege jaren tachtig waagde ik me op verzoek aan een korte voorspelling over de opvoeding in het begin van de eenentwintigste eeuw. Natuurlijk moet je zoiets nooit doen. Maar ik deed het nu eenmaal. En het begin was niet eens zo gek:

„Ouders hebben hun kinderen altijd grootgebracht voor een onbekende toekomst. Ook toen de veranderingen in de samenleving nog slechts heel geleidelijk, bijna per generatie, plaatsvonden. Toen die elkaar in sneller tempo gingen opvolgen door een aaneenschakeling van ontdekkingen en uitvindingen hebben ouders eerst pas goed kunnen beseffen dat de wereld waarin hun kinderen opgroeiden niet dezelfde zou kunnen blijven als die waarin zij later als volwassenen zouden leven. In die zin kun je zeggen dat het grootbrengen van kinderen altijd tekortschiet en achter de ontwikkelingen aanhobbelt.”

Dat lijkt me nog steeds een redelijke gedachte.

Ik schreef vervolgens iets over ouders die hun kinderen in de jaren zestig en zeventig kregen. Voor hen kwam er nog iets bij:

„De wereld veranderde als het ware onder de handen van de ouders zelf. Zij moesten zien te wennen aan allerlei nieuwe aspecten van het moderne leven. En tegelijkertijd moesten ze enige zekerheid geven aan hun kinderen. Dat was een verwarrende, moeilijke, dubbele taak.”

Ook niet zo gek.

Ik doelde daarbij op de uitvinding van de pil, waardoor men zelf het kindertal kon beperken en zich kon verlustigen in een vrije seksuele moraal, niet meer bang gemaakt door een kerkelijke leer van zonde en schuld.

Op de verhouding tussen hemel en aarde die door de ruimtevaart drastisch veranderde toen niet alleen het Opperwezen, maar ook de mens van bovenaf op de aardbol kon neerzien.

Op de antibiotica als standaardmedicijn tegen ernstige ziekten, zodat men niet langer biddend louter was overgeleverd aan Gods genade voor beterschap. Verder op de definitieve plaats van de televisie als meubelstuk en dus dag in dag uit gebeurtenissen van over de hele wereld zichtbaar en dichtbij in de huiskamer.

Op de toenemende multiculturele (multiraciale schreef ik toen nog) bevolking. En op de doorbraak van de vrouwenemancipatie met als belangrijk nieuw element de buitenshuis werkende moeder.

Allemaal waar. Maar dan komt mijn voorspelling:

„In het begin van de eenentwintigste eeuw zullen deze kinderen uit de jaren zestig en zeventig zelf vader en moeder zijn. En ik denk, maar bewijzen kan ik dat natuurlijk niet, (gelukkig zette ik dat erbij) dat zij het makkelijker zullen hebben dan hun ouders.”

Waar baseerde ik dat op? Op het idee dat die door mij genoemde fundamentele veranderingen uit de jaren zestig en zeventig vanzelfsprekendheden zouden zijn geworden voor de inmiddels volwassen kinderen. En dat zij niet meer, zoals hun ouders, zouden hoeven tobben over vragen als: Hoe leer ik m’n kind niet te discrimineren? Is een crèche slecht? Hoeveel uur televisiekijken is normaal? Moeten de kinderen mee naar de kerk? Mijn dochter van veertien al de pil?

Ik verwachtte nog wel wat nieuwigheden, maar in alle argeloosheid dacht ik kennelijk dat die toch niet zo fundamenteel zouden zijn.

Tegenwoordig zijn dat stuk voor stuk dragende probleemgebieden in het dagelijks leven.

Denk niet dat ik bedoel dat vroeger, en met name voor de jaren zestig, alles beter was. Hooguit op een andere manier slecht. Het onvolmaakte van het menselijke bestaan heeft in ieder tijdsgewricht een eigen gezicht.

Mensen van nu hebben de samenleving in grote lijnen vormloos, rusteloos, redeloos en bandeloos gemaakt.

En dan sta je met z’n allen tamelijk machteloos tegenover maatschappelijke veranderingen die zich, zoals altijd, onherroepelijk en onomkeerbaar voordoen. Sommigen gaan vanuit die machteloosheid in het wilde weg om zich heen slaan en schelden. Anderen raken in een sociaal-emotionele apathie verzeild. Beide houdingen ondermijnen de weerbaarheid en vitaliteit van de samenleving en vormen al helemaal geen stevige basis om kinderen op groot te brengen.

Met dat bandeloos bedoel ik niet losbolligheid, maar letterlijk het gebrek aan bindingen. Er is in de jaren zestig een wel te begrijpen weerzin ontstaan tegen de toen in Nederland bestaande zuilen. Zij werden verantwoordelijk gehouden voor individuele benauwenis en publieke verstarring.

Toch was dat maar één kant van de medaille. Binnen elke zuil bestonden ook vanzelfsprekende netwerken, gebaseerd op een ons-soort-mensengevoel, die beschutting gaven. Verenigingen, stichtingen, scholen en partijen, waar je automatisch bijhoorde, zonder dat je daar moeite voor hoefde te doen.

Auto en televisie brachten in de jaren zestig en zeventig andere werelden in het vizier en veroorzaakten onder jongeren van elke zuil het verlangen daarin te gaan avonturieren. Maar in plaats van terugkomend op het oude nest -socialistisch, rooms, calvinistisch of humanistisch- de boel aldaar te vernieuwen, heeft men ze protesterend en provocerend afgebroken.

Op zich ook niet zo erg, als er voor die oude gemeenschappen maar iets anders in de plaats was gekomen. Maar dat is niet gebeurd. Burgers zijn blijvend op hun individuele bestaan teruggeworpen. En ze zijn daar zo aan gewend geraakt dat ze niet graag meer vaste verbintenissen aangaan. Een goed voorbeeld: ze willen wel vrijwilligerswerk doen, maar niet op vaste tijden. Om het wat paradoxaal te zeggen: men hecht aan vrijblijvendheid.

De nieuwe netwerken die ze bouwen zijn vervolgens weinig duurzaam, want louter gebaseerd op sympathie, op elkaar aardig vinden. Maar dat is een te smalle basis voor een enigszins sociaal bestaan. Je wordt snel eenzaam als je je alleen richt op mensen die je helemaal liggen. Dan heb je zelfs niemand om ruzie mee te maken, als je het oneens bent. Een verschijnsel dat zich binnen een zuil bijvoorbeeld veelvuldig voordeed.

Er is tegenwoordig wat weinig ’door dik en dun’. En een teveel aan vluchtige netwerken, die je net zo makkelijk opzegt als dat je ze aangaat.

Maar gemeenschappen, verbanden waar je zonder meer in opgenomen bent, zijn voor kinderen essentieel. Het bij elkaar horen van familie, vrienden, buurtgenoten. Ook als het er niet altijd vredig toegaat.

In zijn boek ’Brieven aan mijn kleinzoon’ vertelt Abel Herzberg over zijn moeder die eeuwig heimwee had naar haar kindertijd in het joodse stadje in Rusland waar zij vandaan kwam. Ze straalde zelfs als ze vertelde over de seideravond toen ze met z’n allen in de kelder moesten zitten omdat bovengronds een pogrom in volle gang was: „Ik denk dat het er voor haar niet zo erg veel toe deed, of dat, waaraan ze terugdacht, plezierig of verdrietig was. Wat voor haar telde, was, dat de hele familie toen bij elkaar was, dat er vrienden en kennissen waren, die allen hetzelfde beleefden en daarom echt bij elkander behoorden.”

Het probleem is dat je gemeenschappen niet kunt oprichten. Die groeien spontaan uit aanvankelijk vrijwel niets, bijna organisch.

Gelukkig is er nog wel één overgebleven: het gezin. De eerste gemeenschap waar kinderen mee te maken krijgen. Er wordt wel wat laatdunkend over gedaan en het mag vooral niet meer de hoeksteen van de samenleving worden genoemd, maar het is er nog wel.

Ik moet denken aan wat Renate Rubinstein schreef in haar boek ’Niets te verliezen en toch bang’ over haar intense heimwee als kind tijdens logeerpartijen: „Als je bedenkt hoe zelden mijn vader thuis en mijn moeder aardig was, en hoe zeer de omgang tussen de drie schatten van kinderen zich beperkte tot kibbelen, vraag je je toch af waarnaar in ’s hemelsnaam zo terug werd verlangd.”

Ik denk naar het vertrouwde nest, waar je gedachteloos, vitaal, ikloos je gang kon gaan, omdat je nu eenmaal toch bij elkaar hoorde en bij elkaar bleef.

Dat hoe dan ook bij elkaar blijven is er nu niet meer bij. Ook hier geldt dat je een relatie volhoudt zolang deze prettig is. En als het om een huwelijk gaat is dat misschien nog wel zo goed. Het is alleen zo jammer dat voor kinderen na een echtscheiding zo vaak de hele familiegemeenschap uiteenvalt. Terwijl ik denk dat die nog wel eens belangrijker zou kunnen zijn voor een kind dan het basisgezin van vader, moeder en de kinderen.

Dat soort gezin heeft trouwens maar heel kort bestaan. Misschien alleen maar in de jaren vijftig, toen door de medische vooruitgang enerzijds het sterftecijfer van jonge ouders sterk daalde en anderzijds de pil nog niet op het toneel was verschenen, die via seksuele vrijheid ook het echtscheidingscijfer omhoog deed schieten. Maar voor die tijd was het aantal gezinnen dat ongeschonden de eindstreep haalde laag.

Het ouderwetse begrip ’gezin als hoeksteen van de samenleving’ sloeg dan ook helemaal niet op die standaard van vader-moeder-eigen kinderen, maar simpelweg op de kleinste en meest basale gemeenschap binnen de samenleving, wonend onder één dak en waar kinderen werden grootgebracht.

Het gezin, hoe ook van samenstelling, zou het aanhakingspunt kunnen zijn voor het geleidelijk uitgroeien van nieuwe verbanden, nieuwe gemeenschappen, met gezamenlijk gedragen ideeën en doelstellingen. De familie- en vriendenkring, de buurt, de school, de verenigingen.

Bindingen krijgen kinderen ook doordat ze leren verplichtingen te hebben. Nog steeds is de titel van het boekje van Lea Dasberg veelzeggend: ’Grootbrengen door kleinhouden’. Veel langer dan nodig is worden kinderen verzorgd zonder iets terug te hoeven doen. Ze hangen er maatschappelijk gezien voor spek en bonen bij. Ze staan volkomen consumptief in het leven.

Veel eerder dan nu gebeurt zouden zij op maat taken kunnen krijgen die sociaal-maatschappelijk relevant zijn. Niet-vrijblijvende bijdragen aan het algemeen belang. Dat levert morele betrokkenheid op.

Het gezin en de school zouden daarmee kunnen beginnen. Ik heb bijvoorbeeld nooit begrepen waarom leerlingen vanaf de bovenbouw niet zelf hun school kunnen schoonhouden. Nu blijft dat beperkt tot matjes kloppen en een beetje vegen.

En het is in dit verband ook tekenend dat de minister van onderwijs wel is gekomen met een plan voor maatschappelijke stages voor middelbare scholieren, maar er nadrukkelijk aan toevoegt dat zij het absoluut niet als verplichting wil opleggen.

Dat niet graag verplichtingen willen aangaan en niet iets volhouden als het niet prettig is, heeft de beroemde behaviouristische psycholoog Skinner het pleasing effect genoemd. In zijn theorie ging hij ervan uit dat het menselijk gedrag afhankelijk is van de effecten die het heeft. Fundamenteel daarbij is dat de omgeving door dat eigen gedrag verandert. Als die verandering gunstig is voor de levenscondities van het zich gedragende individu, wordt het gedrag in het repertoire versterkt. Dat is het strengthening effect. Als het effect tegelijkertijd een prettig gevoel oplevert (het pleasing effect) is dat mooi meegenomen, maar niet essentieel. Heel kort geschetst komt zijn redenering erop neer dat onze genetische bagage nog steeds op dit principe is ingesteld, terwijl men in het huidige westerse bestaan voor een belangrijk deel de greep op eigen levenscondities is kwijtgeraakt. De zorg daarvoor, en dat kan in een complexe samenleving ook niet anders, is uitbesteed aan maatschappelijke organen van een hogere orde dan een menselijk individu.

Waar invloed op levensomstandigheden als gedragsbekrachtiger ontbreekt, krijgt echter plezierigheid (pleasing effect) als gedragsbepalend principe de overhand. Prettig of onprettig, dat is de kwestie. Interessant, uitdagend, lekker, opwindend zijn de moderne gedragsversterkers.

Een belangrijk euvel van pleasing effects is echter dat zij onderhevig zijn aan verzadiging, zodat iedere keer weer iets nieuws moet worden verzonnen om mensen aan de gang te houden.

Dat is, denk ik, een belangrijke oorzaak achter de rusteloosheid onder mensen. Van de ondraaglijke drukte die in veel levens heerst, zonder dat die nodig is voor het basale levensonderhoud en voortbestaan.

Het gewone, alledaagse wordt snel als verveling ervaren. Men heeft graag dat er van allerlei te beleven valt, anders wordt het saai.

Dat van alles willen beleven maakt ook dat mensen vaak moeilijk kunnen kiezen. Ze willen Alles. Wat dat betreft is de staatssecretaris van economische zaken een prototype van haar tijd: én, naar het zich laat aanzien, binnen twee jaar drie kinderen krijgen én een prettige politieke positie willen vasthouden.

Toch is het heel belangrijk kinderen te leren kiezen. Hun voor te leven dat het belangrijker is plezier te hebben in wat je hebt gekozen en dat zo nodig goed te doen, dan chagrijnig te zijn om wat je mist, omdat je het niet gekozen hebt.

In de psychologie kent men het begrip ’sociale vergelijking’: wat de tevredenheid met het eigen bestaan betreft en de idealen die men wil bereiken, gaat men over het algemeen heel realistisch te werk. Je vergelijkt je niet met wat ver van je mogelijkheden ligt, maar met wat net daarboven ligt, maar nog wel binnen bereik. Met mensen die het net iets beter hebben, net iets meer bereikt hebben.

Mensen van nu worden ook rusteloos doordat hun sociale vergelijkingsmogelijkheden zo heterogeen zijn geworden. Ze worden de hele dag gebombardeerd met berichten over anderen die op een ander en hoger sociaal-economisch niveau leven dan zijzelf. Over hogerop geklommen gewone medeburgers die krankjorum hoge inkomens voor elkaar regelen.

Kinderen delen in die rusteloosheid. Ook in veel gezinnen heerst gejaagdheid. Zeker als beide ouders werken is er veel te doen. Er moet veel worden geïmproviseerd. Van allerlei gaat op het laatste moment niet door. Of moet juist snel tussendoor toch ook nog even.

Wat er bij rusteloosheid inschiet is de voor kinderen zo broodnodige voorspelbaarheid. Het houvast van een vaste dagindeling. Van gezinsrituelen. Van tradities.

Volwassenen kunnen die drukte misschien wel aan, als ze tenminste een daarbij passende persoonlijkheid hebben. Maar men staat er niet altijd bij stil hoeveel van wat zich in de wereld voordoet voor een opgroeiend kind nog allemaal nieuw en vreemd is. Volwassenen zijn er om al dat nieuwe op een overzichtelijke manier in kaart te brengen. Als dat niet gebeurt, ontstaat voor een kind een baaierd aan indrukken en ervaringen.

Het is niet zo vreemd dat veel kinderen tegenwoordig ’druk’ worden genoemd. Dat kijken ze deels af van hun ouders en deels is het een gevolg van gebrek aan structuur in hun leven. Een kind heeft, zeker de eerste jaren, behoefte aan een vast patroon van zorg en contact. Over bindingen gesproken: een kind hecht zich aan het voorspelbaar terugkerende.

Skinners pleasing effect heeft ook iets te maken met de heersende redeloosheid. Dat wil zeggen met het primaat van de emotie en de onderwaardering van het verstand.

Het evenwicht tussen die twee is weg. Met een variatie op de woorden van Abel Herzberg: de gloed van de emotie en de controle van het intellect zouden moeten samengaan. Verstand zonder emotie mag kil zijn, emotie zonder verstand gaat ongeremd woekeren.

Er is ook sprake van anti-intellectualisme. Als je maar gelukkig bent (die vreselijke uitdrukking ’als je maar goed in je vel zit’), dan hoef je niet veel te weten. Geen moeite te doen om veel te leren. Niet veel na te denken om dingen te begrijpen. Vooral ook niet over en van het verleden, van de beschavingsgeschiedenis. Van hoe vroeger het een tot het ander heeft geleid.

Toch is voor kinderen de beste opvoeding tegen autoritair denken en voor democratie hun te leren niet ongericht met hun gevoelens te strooien, maar te leren gericht na te denken. Dat betekent wel dat hun dan ook stof tot nadenken gegeven wordt. Dat hun dingen worden verteld en te lezen worden gegeven die ze moeten weten. Ook die waar ze zelf de zin vooralsnog niet van inzien of die ze niet leuk vinden. Aansluiten bij de leefwereld van kinderen hoeft niet te betekenen dat ze daarin blijven hangen.

Het is ook belangrijk hun te leren niet klakkeloos alles aan te nemen wat anderen zeggen, maar wel aandachtig te luisteren naar hun argumenten. Leren hun mond te houden als anderen praten. Niet omdat zij maar kinderen zijn, maar juist omdat zij mens zijn tussen de mensen.

Redelijkheid heeft te maken met beheersing. Een mooie, typisch menselijke mogelijkheid, waar tegenwoordig wat weinig gebruik van wordt gemaakt. Freud heeft wat dit betreft een wet uit de fysica toegepast op de psychologie: vorm ontstaat pas bij weerstand. Er is tegenwoordig veel vormloosheid.

Het bewustzijn van de mens, diens karakter en intellect worden gevormd doordat in zijn kinderjaren primitieve en egocentrische behoeften en impulsen niet zonder meer worden bevredigd dan wel vrijelijk hun gang kunnen gaan. Zij ondervinden veel weerstand.

Dat is de prijs die een mens moet betalen om een bewust levend en beschaafd wezen te worden. Beschaafd mens worden vergt beheersing, indamming.

Waar die twee wegvallen grijpt het primitieve zijn kans. Dan gaat men weer ongegeneerd in het openbaar plassen. Afval om zich heen laten vallen. Elkaar omverlopen.

Dat primitieve is vooral fascinerend te zien als mensen hun agressie uiten via seksuele symbolen. Primitiever kan het haast niet. ’Kut’ als voorvoegsel bij alles wat niet bevalt. Of de middelvinger fallisch omhoog. Het is tekenend dat ongeremdheid normaal wordt gevonden. Er is veel vormloze seksualiteit vandaag de dag.

Het is deze letterlijke grofheid die de beschaafde samenleving ondermijnt. Het burgerlijk fatsoen. Niet het kleinburgerlijk fatsoen. Dat is iets anders, benepen, gegrond in onbeholpen identificatie naar boven, uit angst voor wegzakken naar beneden. Maar ’burgerlijk’ gewoon als de publieke moraal van bewoners van een grondgebied om het samenleven met elkaar in een vorm te gieten en beheersbaar te houden. Een prettig soort geformaliseerde wellevendheid als smeerolie van de civil society.

Het grove, onbehouwene van nu is deels sociaal-economisch te verklaren. Het proletarische volksdeel, altijd al wat ongeremder, wordt niet meer arm en in sloppenwijken afgezonderd gehouden. Het laat zich talrijk zeer zien en horen in het openbare leven.

Maar het is merkwaardig dat hun gedrag zo besmettelijk is geweest voor de aanvankelijk meer burgerlijke bevolking, zelfs tot in tamelijk hoge regionen. Ik heb daar geen verklaring voor.

Ook vaders en moeders doen hieraan mee. Dat belooft dus niet veel goeds. Kinderen grootbrengen betekent namelijk hun leren zich te beheersen.

Daar zijn veel ouders tegenwoordig niet zo goed in. Misschien dus omdat ze zichzelf ook niet meer zo in het gareel houden. Maar vooral vanwege allerlei vage opvoedingsideeën.

Bijvoorbeeld het idee dat kinderen stoom moeten kunnen afblazen, zich moeten kunnen uitleven. Net als bij emoties gaat men er dan van uit dat alles wat er nu eenmaal in zit, eruit moet en dat dan de drukte vanzelf uitdooft.

In de psychologie heeft men hier inmiddels twijfels over. De opwinding die het onbeheerste gedrag teweegbrengt, houdt het spanningsniveau juist hoog en het opgewonden gedrag juist gaande. Kinderen worden wat te weinig in hun opwinding en ontlading ingeperkt. Dat ouders dat af en toe wel doen als het hun te gek wordt, heeft weinig zin. Het zou gestager en vooral preventiever moeten. Kinderen kunnen zichzelf maar beter zo min mogelijk als opgewonden en druk beleven.

En dan is er ook nog het ideaalbeeld dat goede ouders blije kinderen hebben. Als je kinderen ongelukkig zijn of boos, schiet je als ouders tekort.

Toch kunnen ouders er maar beter tegen kunnen dat hun kinderen niet altijd stralend en gelukkig zijn. En dat zijn ze niet als ze niet meteen hun zin krijgen. Misschien dat ouders daarom snel toegeven.

Terwijl uitstel van bevrediging nu juist zo’n mooie, vormende weerstand is. Net als het stellen van grenzen. Geen graniet-strenge weerstand, waardoor zelfs de meest acceptabele behoeften geen kant op kunnen. Maar ook niet ijl-tolerant onbegrensd, zodat een kind geen enkel houvast vindt. Milde frustratie is waarschijnlijk de best vormende weerstand.

Begrenzing, ook in het uiten van opwinding en emotie.

Volwassenen moeten dan liefst wel een goed voorbeeld zijn. Een kind destilleert op den duur normen uit wat het zijn ouders ziet doen. Niet uit wat ze zeggen. Preken helpt niet. Ouders die liefde en respect voor hun kinderen hebben zijn een aantrekkelijk model en als ze hun eigen normen ook werkelijk naleven zijn ze ook een duidelijk model.

Kinderen serieus nemen en respecteren betekent niet hun wensen onmiddellijk bevredigen. Als ouders dat doen speelt misschien ook wel iets mee van wat ik eerder noemde: de norm van prettig, leuk en gezellig. Conflicten met kinderen zijn dat allesbehalve. Met maar toegeven omzeil je die.

Maar grenzen stellende ouders hoeven niet zo bang te zijn niet aardig gevonden te worden door hun kinderen. Kinderen houden niet van hun ouders omdat ze zo lekker veel mogen. Kinderen houden van ouders die hun het gevoel geven dat ze de moeite waard zijn. Ook de moeite van conflicten.

Dat geeft hun het gevoel hoe dan ook met elkaar verbonden te zijn.

Dit is een licht bekorte versie van de Abel Herzberglezing 2005, die gisteren door Rita Kohnstamm in Amsterdam werd gegeven. Kohnstamm is psycholoog en publicist, en schreef onder meer ’Het jonge kind’, ’De schoolleeftijd’ en ’De adolescentie’.

De Abel Herzberglezing wordt georganiseerd door Trouw en de Rode Hoed. De integrale lezing is te bestellen door euro 5,00 over te maken op de rekening van De Rode Hoed: SNS bank 63.50.31.434, onder vermelding van: Abel Herzberglezing 2005. Zorg dat uw adres erbij staat, zodat het boekje kan worden toegestuurd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden