Oude snoa overzee jarig

Curaçao telt twee synagoges, als het meezit twee rabbijnen, maar slechts 500 Joden. De sefardische sjoel bestaat deze week 275 jaar. Hoelang kan zo’n kleine gemeente nog bestaan?

De Curaçaose joden zijn trots op synagoge Mikvé Israel Emanuel (congregatie van Israël) uit 1732. Al was het maar omdat het de oudste, nog gebruikte synagoge van de Nieuwe Wereld is.

Toch zou een toerist in Punda, de oudste stadswijk, zo aan de zachtgeel geschilderde synagoge voorbijlopen. Het enorme gebouw is van buiten nauwelijks als zodanig herkenbaar. Pas als je de poort binnengaat en de binnenplaats betreedt, dringt de omvang goed tot je door.

Het interieur lijkt sterk op dat van de Portugees-Israëlitische synagoge van Amsterdam uit 1675. Bruine jaloezieramen met halfronde bovenlichten van blauw glas geven de gewelfde ruimte een prachtige gloed. Vier achttiende-eeuwse koperen kroonluchters zorgen op hoogtijdagen voor de verlichting, nadat ze op de patio glimmend zijn gepoetst. De houten Ark des Verbonds (met wetsrollen) is van voor 1709 en komt waarschijnlijk uit een kleinere sjoel die ooit op dezelfde plek stond.

De eerste Sefardische joden arriveerden in 1651 via Amsterdam op Curaçao. Ze kwamen uit Portugal waar ze waren ontsnapt aan de Spaanse inquisitie. Het laagje zand op de houten vloer van de synagoge zou herinneren aan die vervolging: het zand dempte de voetstappen in hun geheime Portugese gebedshuizen. Het witte zand kan ook een herinnering zijn aan Israëls veertig jaar durende tocht door de woestijn.

De gemeente floreerde en in 1790 was een meerderheid (2000 man) van de blanke bevolking Joods. Nu wordt het met slechts 350 gemeenteleden lastig en vooral kostbaar om zo’n fraai monument met alles erop en eraan te onderhouden.

Mali Blanken-De Waard, voorzitter van het synagogebestuur, Direktiva in het Spaans, beaamt dat. Om die reden betalen toeristen sinds kort zo’n vijf euro toegang voor de synagoge en het Joods historisch museum samen. „Verder bieden we tegenwoordig de mogelijkheid aan niet-leden van buiten het eiland om – tegen een vergoeding – life cycle events in onze synagoge te vieren. Alle beetjes helpen”, vertelt Blanken. Ze doelt op feesten zoals huwelijken en bar mitswa. Inmiddels zijn er al reserveringen voor 2009 binnen. Voornamelijk uit Canada en Amerika.

Blanken benadrukt dat er wel een balans moet zijn met de eigen diensten. „Bar mitswa is vaak op een zaterdag, wanneer we eigenlijk onze eigen dienst vieren. Dergelijke evenementen gebeuren daarom alleen op onze voorwaarden, met ons koor en onze rabbijn of voorzanger.”

Jaime de Sola, voorzitter van de Commissie 275 jaar Synagoge, vertelt dat de gemeente altijd al naar middelen heeft moeten zoeken om de snoa te onderhouden. „Zo hebben we in de jaren veertig de winkels aan de overkant laten bouwen. Met de huuropbrengsten betalen we een deel van het onderhoud. Alles in de synagoge is minstens 275 jaar oud, ook de houten banken waar we op zitten. Dat maakt het onderhoud enorm kostbaar en dat moeten we met steeds minder mensen opbrengen.”

Het kleiner worden van de gemeente is volgens Blanken en De Sola niet de reden dat vrouwen tegenwoordig een steeds grotere rol spelen. Hoewel de gemeente zich al langer liberaal noemt, duurde het nog tot 1999 voordat ook vrouwen lid mochten worden van de Direktiva.

De Sola: „Doordat we niet helemaal egalitarian waren, vrouwen waren niet gelijk aan mannen, werd het moeilijker om een rabbijn uit het buitenland te krijgen. Op Curaçao hebben we geen rabbijn, dus die moet altijd van buiten komen. Op een gegeven moment kwamen er duidelijke signalen dat we echt helemaal egalitarian moesten zijn, wilden we een rabbijn blijven krijgen.’’

Op bepaalde terreinen bestond al wel gelijkheid. Blanken wijst op de vrouwengalerijen boven, waar vóór 1964 de vrouwen zaten, gescheiden van de mannen. Dat was in de tijd van het schisma: in 1864 stichtte een groep liberale joden een nieuwe gemeente met een op een kerk lijkende, eigen synagoge, waar mannen en vrouwen bij elkaar zaten. Maar in de oude snoa, die de orthodoxen gebruikten, zaten de vrouwen dus apart.

Na een eeuw waren de verschillen tussen de gemeenten kleiner geworden en waren er eigenlijk te weinig leden voor twee Sefardische synagoges en twee rabbijnen. De liberale rabbijn Simeon Maslin bracht beide groepen in 1964 samen en als compromis sloot de gemeente zich aan bij de ’Jewish Reconstructionist Federation’, niet zwaar orthodox, maar ook niet superliberaal. Wel voorstander van algehele gelijkheid.

De vrouwen mochten dus bij de mannen zitten en kregen stemrecht. Maar lid van het bestuur, dat ging sommige mannen – en vrouwen! – nog te ver. De eerste keer kwam een voorstel daartoe er dan ook niet door. Blanken herinnert zich dat de Sisterhood, een groep vrouwen die op de achtergrond actief was in de synagoge, zich uit boosheid daarover heeft opgeheven. Een jaar later stemde een meerderheid wél voor en sindsdien zijn vrouwen in alles gelijk aan de man.

Een van de eerste vrouwelijke bestuursleden, Marlene Brandao-Henriquez, vertelt dat het eigenlijk bijzonder is dat vrouwen vóór die tijd al meetelden voor de minjan (minimum aantal personen benodigd voor een dienst). „Meestal komt dat pas als vrouwen eenmaal in het bestuur zitten.” Voor haar horen vrouwen er gewoon bij en is uitsluiting onbegrijpelijk.

Toch hebben vrouwen bij de Asjkenazische joden geen zitting in het bestuur. „Maar achter de schermen hebben we wel de touwtjes in handen”, vertelt Sandra Gerstenbluth-Martis, een moderne Curaçaose die het joodse geloof heeft aangenomen. Dat vrouwen in de gloednieuwe Asjkenazische synagoge achter een mechitza (afscheiding) zitten, vindt ze niet leuk. „Maar wat kan ik zeggen. Het is nu eenmaal een orthodoxe synagoge. Voor mij is belangrijk dat ik samen met de familie de joodse tradities in ere houd. Ik leer mijn kinderen van vier en acht bijvoorbeeld spelenderwijs hoe ze op kosjere producten moeten letten.”

De Asjkenazim kwamen pas in de twintigste eeuw vanuit Oost-Europa naar Curaçao, waar ze nu een orthodoxe gemeente vormen. Van samengaan met de Sefardim is geen sprake, al zouden sommige Sefardische joden dat graag willen. Maar de meeste Asjkenazische joden voelen zich niet thuis in de liberale snoa.

Wel worden familiefeesten zoals Poerim en Chanoeka gezamenlijk gevierd en gaan alle joodse kinderen van Curaçao naar dezelfde Hebrew School. Gerstenbluth vertelt dat de Asjkenazim joods nieuwjaar en andere hoge feestdagen niet op één dag vieren, zoals de Sefardim, maar op twee. „Sommige Sefardische joden komen op die tweede dag bij ons in de synagoge. Er zijn ook orthodoxe, Sefardische joden die liever bij ons komen. En omgekeerd.”

Of er over vijftig jaar nog steeds voldoende Asjekenazim zijn om een eigen synagoge te rechtvaardigen? Gerstenbluth houdt haar hart vast. „De meeste kinderen gaan in het buitenland studeren. Als ze al terugkomen, mag je hopen dat ze met een Joods iemand trouwen, zodat de gemeente wordt aangevuld met nieuwe leden.”

Blanken is over de Sefardische gemeente minder pessimistisch. „Ik zie de Joodse gemeenschap niet verdwijnen. We zijn er al zo lang. Steeds meer Joden willen niet naar Israël, die komen misschien hierheen. Zo zijn wij hier ook beland. Dit is toch een ’neutraal’ eiland.” Voor haar is vooral de instandhouding van de historische synagoge belangrijk. „Zolang er Joden op het eiland zijn, blijft de synagoge denk ik wel bestaan. Het is al 275 jaar een living snoa.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden