Oude Muziek / Te weinig geld voor vernieuwing

Voor de 25ste verjaardag wilde het Festival Oude Muziek zichzelf een cadeau geven in de vorm van drie geënsceneerde opera’s. Een mooie kans om het artistieke avontuur aan te gaan en verder te vernieuwen. Er blijkt maar geld te zijn voor één opera. Coryfee Ton Koopman dreigt boos naar Frankrijk uit te wijken met zijn barokorkest, dat tot de top behoort.

Jarenlang gold Nederland als gidsland in de oude-muziekwereld. Nationale grootheden als Gustav Leonhardt, Anner Bijlsma, Max van Egmond, Jaap Schröder, Frans Brüggen, Wilbert Hazelzet, Bob van Asperen, Lucy van Dael en Ton Koopman werden op het gebied van de authentieke muziekbeoefening internationaal bekend en als grote roergangers beschouwd. Nog steeds heeft Nederland de naam, oude-muziekland te zijn, maar de directe opvolgers van Leonhardt en Bijlsma in Nederland heten Murphy, Wentz, Egarr en Fentross. En dat zijn on-Nederlandse namen.

Het Festival Oude Muziek in Utrecht is altijd het boegbeeld geweest van die onvolprezen Nederlandse ontdekkingsdrift naar onbekende oude muziek en de verantwoorde uitvoering daarvan. Nog steeds geldt het Festival als volstrekt uniek in de wereld. Maar voor hoe lang nog? Morgen begint het Festival aan de 25ste editie en men wilde zichzelf voor die prestatie een groot verjaardagscadeau geven. Drie geënsceneerde opera’s stonden op het verlanglijstje. Het geld bleek ontoereikend, een co-producent trok zich terug en er bleef slechts één aangeklede opera over.

Deze ’L’Ipermestra’ van Francesco Cavalli luidt morgen het Utrechtse feest in. De opera kost 700.000 euro. Dat is meer dan de rest van het festival bij elkaar kost. Daarmee zitten ze in Utrecht nog lang niet op het niveau van wat De Nederlandse Opera voor een productie kan uitgeven.

Geldgebrek. Het woord klonk deze zomer al eerder uit de hoek van de oude muziek. Ton Koopman klaagde eerst in Leipzig, later in de Volkskrant over de laksheid van de Nederlandse overheid als het gaat om financiële ondersteuning van de oude muziek in Nederland.

,,We krijgen te weinig om van te leven en te veel om te sterven; de Nederlandse politiek houdt zich beschamend weinig bezig met de oude muziek’’, zei Koopman in Leipzig, waar hij afgelopen juni met de Bach-Medaille van die stad werd onderscheiden. Koopman dreigt zelfs met zijn Amsterdam Baroque Orchestra naar Bordeaux te verkassen, alwaar de overheden volgens Koopman wél geld overhebben voor oude-muziekkwaliteit. Gaat Koopmans orkest straks Bordeaux Baroque Orchestra heten? Er zijn inmiddels zowel aan de staatssecretaris als aan de gemeente Amsterdam vragen gesteld over de kwestie (zie kader).

Jolande van der Klis geeft Ton Koopman groot gelijk dat hij aan de bel trekt. Van der Klis is hoofdredacteur van het Tijdschrift Oude Muziek en al jaren betrokken bij het Festival. Van haar hand verscheen in 1991 het boek ’Oude muziek in Nederland, het verhaal van de pioniers 1900-1975’. Met het tweede deel ’Oude muziek in Nederland 1976-2006’ is ze op dit moment bezig. In dat vervolg, dat in februari volgend jaar verschijnt, zal uiteraard veel ruimte worden ingenomen door het Festival Oude Muziek, dat in 1982 officieel begon.

„Ton Koopman slaakt een hartenkreet en ik begrijp dat volkomen”, zegt Van der Klis. „Ton is altijd veel te aardig geweest en dat is eigenlijk symptomatisch voor oude-muziekmensen in Nederland. Oude muziek is allang geen hobby meer, het heeft status gekregen. We zijn heel groot geworden, maar de financiering heeft daarmee geen gelijke tred gehouden. Koopman zegt eigenlijk: ’Ik bén hier wel, maar zo vanzelfsprekend is dat niet.’ Natuurlijk wil hij het liefst hier blijven. Koopman heeft een enorme staat van dienst, en nog steeds is daar van overheidswege geen waardering voor. Als je nagaat dat in zo’n succesvolle sector geen enkel barokorkest de status en de financiële middelen van een symfonieorkest heeft. Barokorkesten worden nog steeds als ensembles beschouwd en het geld dat er is, komt uit de ensemble-pot.”

Zeuren om geld. Ze kunnen er bij het Festival Oude Muziek over meepraten. Zelfs Frans de Ruiter, destijds Holland Festival-directeur en grote initiator van het Festival Oude Muziek, kreeg het nooit voor elkaar meer geld te genereren. Volgens Van der Klis was dat zijn grootste frustratie. „Die prachtige Parijse productie van Lully’s opera ’Atys’ van William Christie en zijn Les Arts Florissants, die wilden we maar wat graag ook hier laten zien. Er was gewoonweg geen geld voor en dan ging de pers weer klagen dat het opera-aanbod zo ondermaats was.”

Maar voorlopig is het even feest. De organisatie verwacht veel van het komende jubileumfestival. „We zijn voor het eerst volledig mono-thematisch”, legt Van der Klis uit. „We hebben ons beperkt tot één historische periode.”

„Dat is het Italiaanse Seicento, hun 17de eeuw. Vijftig concerten in het hoofdprogramma en nog eens vijftig daaromheen. Er zijn meer festivals met oude muziek maar nog steeds is het nergens zo intensief als hier. Ik vind het fantastisch dat we dit aandurven. Hiermee bevestigen we onze status als durfal.”

Er is een trouw publiek voor die onbekende muziek. „Toen we begonnen”, vertelt Van der Klis, „hadden we een uitermate jong publiek. De spijkerpakdragers, zal ik maar zeggen. Die mensen van het eerste uur zijn ons heel trouw gebleven, maar zijn nu vijftigers geworden. De aanwas van nieuw publiek is nooit meer zo jeugdig geweest. Ook wij vergrijzen. In het buitenland heb je nog wel een jeugdbeweging. In SintPetersburg bijvoorbeeld is een heel jong publiek voor oude muziek. Daar voel je de begeestering van hoe het bij ons 25 jaar geleden was. Het is daar een exacte kopie van wat hier gebeurd is. De leraren aan het conservatorium daar hebben het hier geleerd en geven het nu door aan een jongere generatie.”

Van der Klis vertelt dat er in het begin in Nederland een behoorlijke anti-houding was tegen het getto-achtige van het festival. „Men had het idee dat ’wij’ hier het enige, echte en zaligmakende deden op het gebied van oude muziek en dat ’zij’ die muziek niet meer mochten spelen. Dat was natuurlijk helemaal niet zo. Het woord ’authentiek’ lag ook al direct onder vuur en dat werd dan veranderd in ’historisch geïnformeerd’, wat natuurlijk niks veranderde. Wij vonden het gewoon heel boeiend om ons vanuit een historisch perspectief met de muziek bezig te houden, maar anderen hoefden dat van ons helemaal niet. De tegenstanders riepen steeds dat het bij muziek maken om heel andere dingen ging dan ’authentiek’ en dat klopte misschien ook wel, maar wíj wilden het op dat moment zo doen. Er viel nog zoveel te ontdekken; die inspanningen waren echt nodig om iets te bereiken. In het begin speelde bijna niemand behoorlijk op die oude instrumenten, maar nu is er een heel nieuw specialisme met topvertolkers ontstaan en is er een vruchtbare wisselwerking met het mainstream concertleven.”

„In het festival kan nu ook moderne muziek gespeeld worden en het Concertgebouw heeft al jaren de serie Wereldberoemde Barokorkesten – dat is een erkenning! En als iemand nu Bach op de piano wil spelen, dan denkt hij of zij waarschijnlijk eerst: ’Goh! Hoe zal ik het eens gaan doen?’ Een pianist heeft nu de keus uit verschillende uitvoeringswijzen en dat besef is wel wereldwijd doorgedrongen.”

Het getto-idee van toen is nu wel weg, vindt Van der Klis, maar het kernpubliek van het festival is nog steeds in de eerste plaats een liefhebber van Renaissance-muziek, soms aangevuld met een beetje barok. „Het groot, groter, grootst van de moderne orkesten, daar wilde men vanaf. Die mensen wilden terug naar iets eerlijks, iets puurs en dus was het niet zo verwonderlijk dat er velen onder hen waren met geitenwollen sokken aan en onbespoten kroppen sla in de tuin. Zij omarmden de oude muziek omdat die ongevaarlijk en beschaafd was. Niet verwonderlijk ook dat die mensen afhaakten als we Beethoven programmeerden; die muziek kon je in de gewone concertzalen al genoeg horen, al was het natuurlijk op een andere manier. Uit onderzoek blijkt dat ons publiek wat hoger opgeleid is dan het normale concertpubliek en dat ze een grotere betrokkenheid hebben. Men dicht zichzelf een grote deskundigheid toe, is ’historisch geïnformeerd’. Het nieuwe publiek is meer generalist, er zitten niet meer van die specifieke diehards tussen. Dat merkte je aan de sterk teruglopende verkoop van het dikke programmaboek waar we alle festivalconcerten in beschreven. Er zijn nog wel mensen die voor twintig concerten tegelijk kaarten kopen, maar de meeste bezoekers gaan nu hap-snap naar een concert toe.”

„De status van het Festival Oude Muziek gaat misschien wel teloor. Op conservatoria hier zitten bijna alleen nog maar buitenlanders. Er gebeurt hier wel van alles, maar het is niet meer puur Hollands. Er is amper een tweede generatie, waardoor de oude muziek-beweging zich hier niet meer ontwikkelt. De bodem zakt er onderuit en je kunt je afvragen hoe lang het nog duurt. In de aard is het ernstig aan het veranderen. De fakkel wordt ongetwijfeld straks van ons overgenomen. Dan duiken er ineens festivals op in Napels of Milaan en dan moet je nog maar zien hoe het hier zal gaan. Ik werk al twintig jaar voor het festival en dat is beslist geen gewone baan. Je moet er wel een mateloos enthousiasme voor hebben. En: kunst, ook de oude muziek, gedijt alleen maar bij vernieuwing.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden