Review

Oude mensen waren kind in de oorlog

Ze schelen tachtig jaar en zijn vriendinnen: Roelien van elf en Ploon van 91. Ploon kan prachtig vertellen over vroeger, maar Roelien is de enige van de familie die naar haar wil luisteren. Want Ploon, die meer dan een halve eeuw in de familie gediend heeft, is 'maar' een 'dienstmeid, kindermeid, zonder enige achtergrond, lastig, veeleisend, ondankbaar'. En dus hebben de ouders van Roelien haar 'weggedaan' naar een bejaardentehuis. Voor hen een opluchting, maar voor Roelien en Ploon, aan wie niets gevraagd is, een schok.

In 'Sterre en Joe' van Martha Heesen (49) gaat het niet alleen om de vriendschap tussen een kind en een stokoude vrouw, maar ook om de verhalen van de oude vrouw, uit haar jeugd tijdens de Eerste (!) Wereldoorlog.

Het boek herinnert aan het scherpzinnige artikel van godsdienstsocioloog Meerten ter Borg, onlangs in Trouw (25-10), waarin deze analyseert hoe oude mensen die niet meer effectief & efficiënt - E2 noemt hij dat sarcastisch 'uit overwegingen van efficiëntie' - kunnen werken, opgeruimd worden in bejaardentehuizen. 'Sterre en Joe' illustreert dat en geeft er ook een antwoord op. Een kind speelt de hoofdrol.

Het is een boek van scherpe contrasten. Zoals de harteloze houding van Roeliens ouders tegenover de zorg van Roelien om Ploon ongemerkt terug te krijgen, op een zolderkamer waar haar ouders nooit komen; en daarna de onmogelijke taak om stiekem voor haar te zorgen. Maar voor het fraaiste contrast zorgt de afwisseling tussen tekstgedeelten uit het heden in de jaren negentig, en uit Ploons jeugd in de jaren tien, waarin we de stugge oude vrouw van nu zien als klein meisje, dol op de paarden Sterre en Joe. Roelien zíet dat meisje in haar ook, en kan daardoor vriendin met haar zijn. Ploons relaas levert een fraai stukje 'orale geschiedenis' op over een Vlaams boerengezin dat bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog, als Ploon tien jaar is, te voet moet vluchten naar Nederland, en in een Amsterdamse kelderwoning terechtkomt. De verhalen beginnen in 1910 als Ploon een meisje van zes jaar is. Na een idyllische begin op de boerderij zijn de vlucht, het sneuvelen van drie broers in de oorlog en de armoede in Amsterdam een tragisch vervolg. Opnieuw een contrast.

Een ontroerend boek vol uitersten, maar heel geloofwaardig. Ploon wordt niet alleen als slachtoffer getekend, maar ook als lastig mens met gebruiksaanwijzing. Roelien is niet alleen een engel, maar ook een kind dat het allemaal niet meer volhoudt, en haar ouders zijn minder harteloos dan aan het begin leek, zodat tenslotte een menselijke oplossing wordt gevonden.

Ook 'En iedere week een brief', het kinderboekendebuut van de Amerikaans-Duitse schrijfster Irene Dische (45), gaat over een argeloos kind in de oorlog, hier de Tweede Wereldoorlog. En, zo blijkt uit de epiloog, ook dit verhaal is geschreven als waar gebeurd relaas van iemand die nu oud en grijs is. Het is echter geheel in het verleden gesitueerd en wordt door een derde verteld.

Hoofdpersoon is de Hongaars-Duitse jongen Peter, die een 'onstuimige losbol' als vader heeft en een strenge, rechtlijnige dorpsarts als grootvader. Peter gaat eind jaren dertig met zijn vader vanuit Hongarije mee naar Berlijn, waar zijn vader een baan heeft gekregen. Wat de lezer herkent als voorbereiding op de oorlog, ervaart Peter als een onschuldige eigenaardigheid van het nieuwe land. “Hij keek vol bewondering naar de mooie rode vlaggen die overal hingen, met een grappig symbool in het midden dat 'hakenkruis' heette.” Zijn vader leert hem om nooit te laten merken dat je zelf nadenkt, en zelfs aan de Ohrfeigen-opvoeding van het Duitse kindermeisje raakt hij gewend. Hij is verbaasd over het lawaai en de glasscherven in wat de lezer als de beruchte Kristallnacht herkent, maar die zijn vader bagatelliseert tot 'Dat was me het feestje wel, vannacht.' Als hij van de meester op school hoort dat de joden een lesje hebben gekregen, en tegen zijn vader zegt: 'Net goed, hè papa?', wordt zijn luchtige vader eindelijk ernstig, en vertelt hem dat zijn overleden moeder joodse was.

Dat is het keerpunt in het verhaal. Peter gaat terug naar Hongarije, naar zijn strenge opa. Zijn vader blijft in Duitsland, maar belooft hem elke week te schrijven. Dat gebeurt, jarenlang. Tenminste, er kómt elke week een brief. Over ditjes en datjes. Maar zijn het wel brieven van zijn vader? En waarom is opa's studeerkamer verboden gebied voor hem? Net als de briefwisseling saai begint te worden, tegen het einde van de novelle, schiet er spanning in het verhaal. Maar dan - de Duitsers zijn in aantocht - ontlaadt zich ook alles tegelijk. En dan blijken zowel het losbollige van zijn vader als het strenge, gevoelloze van zijn grootvader een masker te zijn geweest.

Wat het verhaal zo sterk maakt, is dat Irene Dische de oorlog laat zien door de ogen van een argeloos kind, een onbeschreven blad. Voor hem zijn uniformen, hakenkruisen en glasscherven losse verschijnselen, geen samenhangend systeem van dreiging. Bovendien is het bijzaak voor hem, het contact met zijn vader is hoofdzaak. Knap is ook dat Dische weinig woorden nodig heeft om veel te vertellen. Niet alleen over oorlog, maar ook over alleen zijn, over de lege stilte van iemand missen, en de geladen stilte voor de storm. Het verhaal vereist enige voorkennis over de Tweede Wereldoorlog. Het líjkt simpel, maar is door de suggestieve werking van Dische's laconieke taalgebruik rijk van inhoud.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden