Oude begraafplaatsen zijn ecologische parels en een lusthof voor vogels en zoogdieren.

Ook wat natuur betreft zijn begraafplaatsen bijzondere plekken. DeGroningse stadsecoloog Klaas van Nierop zegt over de ecologische waardevan begraafplaatsen: ,,Het zijn parels. Potentiële natuurgebieden binnende stad die we heel hard kunnen gebruiken. Omdat de ruimte in Nederlandzo beperkt is, is het pure noodzaak om functies te dubbelen."Begraafplaatsen kunnen, net als ander stedelijk groen, stapstenen vormenvoor de natuur. Zij zijn de groene longen van de stad. Sterk punt vanbegraafplaatsen is de relatieve rust die er heerst. Vooral (broedende)vogels en schuwe zoogdieren profiteren daarvan. Menig vogelaar fietst voorhij naar het werk gaat even een rondje over de begraafplaats.

Het zijn vooral kerkhoven en begraafplaatsen uit de 19de eeuw die hoogscoren als groene oases in de stad. In die tijd werden begraafplaatsenaangelegd als romantische landschapsparken met relatief veel groen. De aangeplante bomen hebben inmiddels monumentale proporties bereikt.Begraafplaats De Nieuwe Ooster heeft zich zelfs - na overleg met deBomenstichting - uitgeroepen tot Arboretum. Veel naoorlogsebegraafplaatsen daarentegen zijn zo zakelijk en efficiënt ingericht dater weinig ruimte overblijft voor natuur. En echt jonge begraafplaatsenmissen de ouderdom om interessant te zijn vanuit natuuroogpunt, maarhebben wellicht wel natuurpotentie.

In het vroege voorjaar bloeit op sommige begraafplaatsen, met name inen rond Nijmegen, zeldzame flora. Heelbeen, mosbloempje en kandelaartjezijn pietepeuterige en onooglijke plantjes. Het in bijna heel Nederlandverdwenen heelbeen groeit op kaal, lemig zand rond graven en langs paden.Dit miniatuurplantje (soms enkele centimeters groot) profiteert van despecifieke grond op begraafplaatsen. Dat kenmerkt zich door een dik pakketarm zand, dat regelmatig diep wordt omgewerkt en door schelpengruiskalkrijk is. Op veel begraafplaatsen kun je daarnaast allerlei meeralledaagse planten aantreffen als vroegeling, zandhoornbloem enzandpaardebloem. Zelfs op de paden overleeft van alles, waaronderzeldzaamheden als het mosbloempje, dat op de Nijmeegse Sint-Anna tebewonderen is. Van het schoffelen en harken weet de soort te profiteren.In de gazons staan vaak gewone veldbies, muizenoor, kraailook en gewonevogelmelk. De laatste soort behoort tot de 'stinsenplanten.' Stinsenplanten zijn landgoedplanten die verwilderd zijn. Het zijn vaakfraaie planten als geelster, grote en kleine sneeuwroem, blauwe druifjesen de zeldzame vroege sterhyacint. Ook dit zijn grotendeelsvoorjaarsbloeiers. Ze staan onder bomen en struiken, of in bloemenweiden en hebben een meer humusachtige grond nodig. Mooie begraafplaatsen metstinsenflora liggen aan de binnenduinrand en in de Vechtstreek. Maar ookmidden in de stad Utrecht (de begraafplaatsen Kovelswade en Soestbergen)en in het noorden van het land.

Begraafplaatsen zijn vaak ommuurd. Op oude muren kan zich eenwaardevolle muurvegetatie ontwikkelen. Op de Nijmeegse begraafplaatsAltrade trof stadsecoloog Ton Denters mannetjesvaren, blaasvaren,muurvaren, muurleeuwenbek, en spoorbloem aan. Op Brakkenstein vond hij,op de sokkel van een Christusbeeld, schubvaren. Het is een soort dat maarop vier andere plekken in ons land voorkomt. (In zijn gids overstadsplanten wijdt Denters een hoofdstuk aan flora van begraafplaatsen.)

Op begraafplaatsen staan vaak coniferen en andere groenblijvendeplanten. Dat en de aanwezige rust maakt begraafplaatsen aantrekkelijke broedplaatsen voor vogels. Typische begraafplaatsvogels zijn de groenling,die ook wel doodskwekker genoemd wordt en de roek, die in films vaakfungeert als de kraai van de dood.

Zowel oude kerken als oude bomen en waterpartijen maken begraafplaatsen tot een geliefde plek voor vleermuizen. Ze kunnen erovernachten, overwinteren en insecten vangen. Bioloog Tom den Boer trofer ook bijzondere soorten aan zoals franjestaarten en watervleermuizen enzelfs eens in België een kleine hoefijzerneus.

Ook andere zoogdieren weten de begraafplaats te vinden. Konijnennatuurlijk, en reeën. Maar ook steeds vaker wordt er een vos ofsteenmarter gezien. Marterdeskundige Monique Bestman vond op de rkbegraafplaats in Amersfoort zelfs eens een nest boommarters.

Grafstenen hebben zo hun eigen natuurwaarde. Ze zijn een belangrijkevestigingsplaats voor mossen en korstmossen. Die wijken van mossen af,doordat zij bestaan uit een samenleving van een alg en een schimmel.Hiervan zijn er alleen al 200 soorten die op grafstenen voor kunnenkomen. Zo'n twintig daarvan zijn beschermd. Sommige zeldzame soorten komenbijna alleen voor op grafstenen, vooral op graniet (van minstens 50 jaaroud) en op harde kalksteen. Op liggende stenen vind je vaak meer(korst)mossen dan op staande stenen doordat de omstandigheden er ietsvochtiger zijn. Korstmossen gedijen goed op open, lichte en vochtige plekken. Ze groeien erg langzaam, vaak maar 1 of 2 mm per jaar en hebbenveel tijd nodig om tot ontwikkeling te komen. Voorbeelden zijn de kleinegranietkorst, de zwarte grafkorst, en de zwart-op-witkorst. Sommigesoorten komen pas na meer dan vijftig jaar op. Hoewel dikke mosplakkatendoor hun vocht de steen kunnen beschadigen, beschermt een dunne laagkorstmos de steen juist. Mooie voorbeelden van korstmossen zijn te vinden op de oude Joodse begraafplaatsen van Zaltbommel en Muiderberg, opKranenburg bij Zwolle, de begraafplaats bij de hervormde kerk in De Bilten bij veel Friese en Groningse terpkerkjes.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden