Oud worden, je kunt er niet jong genoeg mee beginnen

In elke levensfase hebben we iets anders te doen. Maar we kunnen ons niet vroeg genoeg voorbereiden op de laatste zone van het leven.

Voor zijn beschouwend proza ontving Willem Jan Otten (1951) in 2014 de PC Hooftprijs. Onlangs verscheen bij uitgeverij Van Oorschot zijn essayboek 'Droomportaal'.

Alles draait om ouder worden - de rest is avontuur. Arthur Schnitzler

Wanneer begint ouderdom eigenlijk? Er heerst hierover een zekere verwarring; zijn de Rolling Stones, ruim in de zeventig inmiddels, eraan begonnen? Matthijs van Nieuwkerk is halverwege de vijftig, zullen wij zijn leeftijd ooit ergens aan merken? Yolanthe Sneijder née Cabau is net dertig, maar heeft, volgens botoxwatchers, iets aan haar lippen laten doen, is dit haar eerste stap het ouder worden in?

Oud is wat niemand wil zijn, en toch zijn we het gemiddeld langer dan ooit tevoren in de geschiedenis - en daarom zijn we de ouderdom gaan opschuiven. Toen mijn grootvader van vaderszijde in de jaren vijftig even oud was als ik nu, was hij weliswaar kerngezond en een regelmatig tennisser, maar hij was ook iemand die onmiskenbaar een scheidslijn was gepasseerd, iemand die ongegeneerd 'van een andere tijd' kon zijn - iets wat me, toen het te laat was want hij was stervende, in 1970, ging fascineren. Hij had de poëzie van zijn geliefde Boutens gelezen op het moment van haar verschijnen; hij tenniste in een witflanellen lange broek; hij sneed, decennia vóór de introductie van de carpaccio, op zondagavond met een negentiende-eeuws vleeschmes de rosbief in de dunste plakken.

Zijn zoon, mijn vader, zou, toen híj de zestig passeerde, niet op dezelfde wijze op leeftijd komen. In de jaren tachtig was er al sprake van de krasse knar en de pensionado, van het menstype dat liever sterft dan 'van een andere tijd te zijn'. Mijn vader was atypisch, in een spotje van Zwitserleven had hij met zijn melancholische, en beslist ook ouderwetse snor nooit kunnen figureren, maar toen hij tegen zijn AOW liep zag ik hem niet als iemand die de zone van de oude dag in ging. Een man op jaren, dat zou ik pas een decennium later in hem zien, veel later dan ik dat in mijn grootvader was beginnen te zien. En ik vraag me af of ik bij mijn vader ooit eenzelfde sensatie van 'uit een andere tijd' te zijn heb gehad als bij mijn grootvader. Dat wat ik als ouderdom was gaan beschouwen, kwam bij mijn vader pas met de gebreken, met de bypass, met de afasie na een coma.

Kennelijk is er tussen mijn grootvader en mijn vader, tussen het bereiken van hun pensioengerechtigde leeftijden, iets met het woord 'ouderdom' gebeurd. Ik geloof niet dat dit alleen maar aan mijn subjectieve waarneming ligt, die van de grootvader van 65 een ouder iemand maakt dan van de even oude vader dertig jaar later. Het heeft ook te maken met hoe de ouderdom door hen gedragen werd.

Voor opa Otten, geboren in de jaren tachtig van de eervorige eeuw, was anciënniteit een pluspunt, zelfs een soort verdienste. Het had zekere voordelen om ouder te zijn dan anderen. Hij benadrukte zijn leeftijd zelfs, met een in mijn ogen volkomen overbodige wandelstok, met een gleufhoed die alleen mensen van zijn generatie nog droegen. Het waren niet alleen tekenen van zijn klasse, maar ook: van zijn generatie, hij wilde ten enenmale niet voor jonger aangezien worden dan hij was. En ik denk dat hij het nooit gehoord heeft, het compliment waar mijn vader al, en de generatie na hem, op het neurotische af naar is gaan haken: 'je ziet er jonger uit dan je leeftijd'.

Opa Ottens ouderdom, kun je zeggen, heeft geduurd van zijn zestigste tot zijn dood op 83-jarige leeftijd. Een ouderdom tot het laatste jaar toe vrijwel zonder gebreken. De ouderdom van mijn vader begon pas met de gebreken, ongeveer zes jaar voor zijn dood op 84-jarige leeftijd. Ik vraag me af of hij daarvoor van zoiets als zijn anciënniteit heeft genoten.

Wat is er gebeurd met de vijftien à twintig jaren na ons zestigste? Hoe moeten we haar noemen, deze periode waarin we ons zelf niet meer als 'op leeftijd' willen beschouwen - het levensstadium waar de Stones het symbool van zijn geworden? In de psychologie werd dit levenstijdperk ooit het praesenium genoemd: het 'voorverval'. Intussen oogt het alsof de nieuwe ouden leven om hun leeftijd te weerleggen.

Natuurlijk, we zien dat Keith Richards een ruïne is. Het lange, wilde leven dat van meet af aan en zonder ophouden dat van een zojuist aan het ouderlijk huis ontsnapte achttienjarige is geweest, heeft zijn diepe voren getrokken. Maar juist het feit dat de jaren hem getekend hebben, doet des te genadelozer uitkomen dat hij in een staat van surrealistische ontkenning verkeert. Hij is een Lazarus zonder gestorven te zijn - een zelfgewekte schim, die in een tussentijd is beland. Hij is niet, zoals mijn grootvader, 'van een andere tijd', maar hij is niet van de tijd.

En zo kunnen we de nieuwe oude dag misschien dan ook dopen: het levenstijdperk van het eeuwige nog niet. Als we dit stadium laten beginnen waar hij van oudsher begon, ergens tussen de zestig en de vijfenzestig, dan hoef je geen geschoold ontwikkelingspsycholoog te zijn om te zien dat alles op alles wordt gezet om hem permanent nog niet in te gaan. De 'oude dag' is dat waar je, zelfs al word je vijfenzeventig, nog niet aan toe bent. Want, zeggen we, hij komt met de gebreken. Eigenlijk zeggen we: pas als we sterven zijn we oud. En tot die tijd zijn we iets anders. We hebben nog net de realiteitszin om te zeggen dat we niet 'jong' zijn, heus, we zijn niet helemaal zo zombie-achtig als de Stones, in plaats daarvan zeggen we 'ik ben zo oud als ik mij voel'.

Voilà, het centrale leerstuk van de nieuwe ouderdom. En met deze acht woorden taboeiseren we de centrale ervaring die we bij het ingaan van de laatste zone van ons leven onherroepelijk ieder afzonderlijk hebben te hebben. Je hoeft geen ziekte, geen genetisch bepaalde jonge dag, geen stoflongen te hebben om na je zestigste overvallen te worden door het besef, dat méér dan een wetenschap, een existentiéle notie is: op dit stadium volgt niets. Ik sta in het portaal van de dood.

Natuurlijk is het besef van sterfelijkheid niet voorbehouden aan de laatste levensfase. Al in zijn kindertijd ontkomt geen mens aan het moment waarop de marmot of de hond gestorven blijkt; heel veel kinderen experimenteren met de dood van insecten, vlinders, wormen.

Hun starende fascinatie is niets meer of minder dan het begin van een levenslang onbegrip, een fantastisch verweer. Alles verzet zich tegen de zekerheid dat wat het kind ziet - de hamster roerloos en koud als een steen - ook voor alle mensen, voor moeders, voor hem of haar zelf in het verschiet ligt.

Wie in de film 'Das weisse Band' van Michael Haneke heeft gezien hoe het zevenjarig zoontje van een dorpsdokter, tijdens een gesprek met zijn veertienjarige zusje, ontdekt dat zijn moeder niet 'naar het ziekenhuis' is, maar dood (ongetwijfeld een van de sterkste verbeeldingen van het ontstaan van 'realiteitsbesef' in de recente filmkunst), die herinnert zich ook de woede van het kind. Niet verdriet, maar: een explosie van de ontbijttafel in scherven slaande razernij. En je realiseerde hoe krankzinnig het eigenlijk is dat een mens, na de 'ontdekking van de dood', überhaupt nog kan blijven functioneren.

Ieder mens doet in zijn kindertijd op zijn eigen wijze, en vaak in acute eenzaamheid, deze ontdekking; en leeft daarna door. We beschikken over het vermogen om dat wat onze geest doet exploderen er weer onder te krijgen, terug in de fles, en te vergeten. Ons bewustzijn lijkt zelfs zó georganiseerd te zijn, dat we ons de ontdekking van de dood meestal niet eens herinneren - terwijl we altijd weten dat we hem gedaan hebben. Je eerste doodsbesef herinneren is even moeilijk als je herinneren dat je voor het eerst wist 'ik leef'.

Volgens sommige wijsgeren gaat het zelfs om een en dezelfde denkbeweging; religieuze mensen proberen het exploderende besef in te bedden in rituelen - kaarsjes opsteken is daar in onze geloofloze tijd het residu van. Religie is de manier waarop mensen elkaar leren dat ze van dood niet doodgaan. Van kindsbeen af aan zijn mensen dichtvriezende rivieren die het alles meesleurende niets dat onder ze door stroomt wegdenken of trachten te ontlopen.

Hoe we de zone van ouderdom ingaan hangt dan ook samen met hoe we de ontdekking van de dood hebben doorstaan, verdrongen, ingebed. Volgens de grote, vergeten psychiater H.J. Rümke (1893 - 1967) is het leven inderdaad een kwestie van zones, hij noemt ze 'levenstijdperken'. Hij onderscheidt er zeven: kindertijd, puberteit, adolescentie, juventus, virilitas, praesenium en ouderdom. Hij merkt op dat de meeste normale mensen steeds bij de overgang van de ene fase naar de andere een crisis doormaken. Leven gaat niet zonder de angst en de agonie die groei met zich meebrengt. Mensen zijn beseffende schepsels - hoe biologisch en hormonaal het in de puberteit ook toegaat, mensen kunnen niet in voortplantingsbekwame wezens veranderen zonder op enig moment de verandering ook te beseffen en te accepteren. Zulk beseffen impliceert onherroepelijk: lijden, spartelen, worstelen.

Rümkes befaamde boekje 'Levenstijdperken van de man' (1938) doorstaat (ondanks zijn wonderlijk vrouwloze titel) om vele redenen de tand des tijds; één ervan is dat hij je de ogen opent voor de moed die mensen, bijna of ze willen of niet, hebben op te brengen om het allermenselijkste te doen: volwassen worden, bindingen aangaan, sterven. Op een mysterieuze manier schildert hij de ongeveer vijf crises waar een mens voor hij de dood bereikt bij vol bewustzijn doorheen moet af als grote, verrijkende gebeurtenissen - ook de passage naar het tijdperk van 'het verval der krachten'.

Wonderlijk, want Rümke maakt tegelijkertijd duidelijk dat er niets bijzonders is aan zo'n crisis: de elementen ervan staan vast en gelden zonder onderscheid des persoons. En toch wekt hij eerbied bij je, voor je vermogen om het onvermijdelijke aan te gaan...

Terwijl ik het boekje, dat ik uit de kast van mijn hoogbejaarde moeder heb geplukt, las (de achtste druk uit 1967; ik weet dat mijn moeder het boekje altijd heeft gelezen alsof er in de titel 'vrouw' stond), realiseerde ik me eens te meer hoe zeldzaam het is geworden - iemand die je, in mooi, ernstig Nederlands vertelt dat er voor aanvaarding van het onvermijdelijke moed nodig is.

Een van de vele fascinerende dingen die Rümke in zijn 'Levenstijdperken van de man' opmerkt is dat ieder tijdperk zijn eigen kans op realisering biedt. Het loslaten van opgegroeide kinderen, bijvoorbeeld, in het begin van de 'virilitas', wordt door Rümke voorgesteld als een precaire, moeilijke opgave. Een opgave die met een agonie gepaard gaat die spiegelbeeldig kan zijn aan die welke je als adolescent tijdens de losrukking aan het ouderlijk huis hebt ervaren. Ook kinderen loslaten is iets wat je 'aan kunt gaan', onder andere door je de angsten en eenzaamheid te herinneren van je eigen huisverlating. Voor elke passage geldt dat hij ook half of slecht, dat wil zeggen: niet ten volle aangegaan en beseft, kan worden doorleefd.

Merk op dat Rümke elk levenstijdperk als een afzonderlijke zone beschouwt, waarbinnen je jezelf al dan niet realiseert. Wat je in het ene tijdperk 'hebt laten liggen' verzwaart de aanvaardingsproblemen in het volgende, maar het is niet zo dat je pas af bent wanneer je alle levels hebt doorlopen, zoals in een game. Dat wat je in het laatste stadium, de ouderdom, doormaakt en verwezenlijkt, had je niet in het eerdere stadium kunnen realiseren.

Elk stadium kent zijn eigen verwezenlijking, zijn eigen bloei - en de bloei van het praesenium heeft te maken met wat Rümke 'de crisis van de involutie' noemt. De zone van de ouderdom betreedt men door de beperkingen der mogelijkheden te aanvaarden, en binnenwaarts te keren. Dit gaat gepaard met 'het op de achtergrond treden van het eigen ik' - een loslating die, overbodig te zeggen, het loslaten van de kinderen spiegelt, die weer de loslating van het ouderlijk huis vele jaren eerder spiegelde.

Hij zegt het nergens met zoveel woorden, maar de les die je uit zijn boekje trekt is dat je niet jong genoeg kunt beginnen aan je ouderdom. "Wie de mensen leert hoe ze sterven moeten, leert hun te leven", schreef in de zestiende eeuw Montaigne - die nog geen zestig is geworden, overigens.

Het zijn allemaal inzichten die haaks staan op hoe onze levensverzekerde en toch doodsbange samenleving tegenover ouderdom staat - alsof mensen creaturen met een houdbaarheidsdatum zijn, en eigenlijk hebben af te stevenen op het uur waarop zij, gevrijwaard tegen crisis of agonie, 'klaar met leven' zijn. Wat, als je denkers Rümke en Montaigne ernstig neemt, eigenlijk vooral betekent: 'niet aan sterven begonnen'. En dus ook de vervulling van de 'ontzeggende aanvaarding' niet toegelaten hebben - die volgens Rümke kan bestaan in het realiseren van een 'ongekend gevoel van vrede, dat men in het volle seizoen niet kende'.

In een van haar onvergetelijke ouderdomsgedichten schrijft de Zuid-Afrikaanse Elisabeth Eybers dat ze, nu ze de oude dag is aangegaan, hoopt 'om te voldoen aan omgekeerde bloei'.

Die oude dag is met gebreken en kwalen gekomen, 'vermindering neemt waarneembaar toe'. Toch stelt ze vast dat hoe dichter ze de dood nadert, hoe intenser haar vermogen wordt om 'het uitsig op die kade' met aandacht te bezien:

Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop

om te voldoen aan omgekeerde bloei

en leeg genoeg te loop om vol te loop

met wat vanuit hierbuite binnevloei.

Willem Jan Otten is op 20 januari in De Rode Hoed (Amsterdam) een van de sprekers tijdens de themavond 'Wàt, oud?'. De bijeenkomst is de eerste uit een serie themavonden waar Trouwlezers met korting heen kunnen: zie trouw.nl/exclusief, of de advertentie elders in deze krant.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden