Oud op Nieuw in Groningen

Elke nacht schemerden de krottige woningen in het warme rode licht. Vanuit mijn slaapkamerraam boven de dakgoot zag ik de mannen naar binnen schieten en even later schichtig, met gebogen hoofd, naar buiten wandelen. De jaren zestig moesten nog komen, zeker in Groningen. In ons katholieke minderheden-milieu leidde vrijen een illegaal bestaan onder de dekens, als het al een bestaan leidde. Maar achteraan het Zuiderdiep, tegenover onze winkel met bovenwoning, heersten de lichamelijke lusten.

Verder heerste er niet zo veel. Je werd er, om maar wat te noemen, niet aangezet tot het lezen van Shakespeare. Wij lazen plaatjesboeken als 'De Onbekende Stille' of 'Fred, de eenzame cowboy'. Ik zou die hoerenlopers anders zeker Shakespeare in de mond gelegd hebben, terwijl ze na afloop zo eigenaardig met hun lichaam trokken, alsof alles weer fatsoenlijk op zijn plaats geschud moest worden. I have done the deed, zei Macbeth na de laffe moord op King Duncan tegen zijn vrouw. Didst thou not hear a noise? Lawaai heb ik nooit gehoord, maar ze maakten het vast en ze hadden de daad gedaan, allemaal, tot mijn verbijstering. Ik had achter het slaapkamerraam nog maar net in mijn eentje ontdekt hoe de daad ongeveer in zijn werk ging.

Mijn straatvriendjes waren rood, heiden en ruw in de mond, zo ruw dat ik ze vaak niet eens begreep. Dan lachten ze. Ik was verbaal geen held. Ik weet nog precies wanneer en waar ik voor het eerst hardop 'lul' zei en ik herinner me nauwkeurig het meisje dat zo maar hetzelfde schreeuwde. Ik keek haar geschokt aan, maar - moreel inschikkelijk als katholieken zijn - werd ik onmiddellijk ook verliefd. Tegen verkiezingstijd schreef ik met grote krijtletters KVP op de weg. Als ze maar wist dat ik bij de grootste politieke partij in het land hoorde, de aanstaande winnaar! Dit leverde mij een pak slaag op van ongelovige straatjongens die 'smerige roomse' schreeuwden. Zij stond er bij te lachen. Lul, dacht ik.

Pas als het bos van Birnam naar Dunsinane wandelt heb je wat te vrezen van een man die niet door een vrouw is gebaard. Dat zeiden de heksen tegen Macbeth. Geen wonder dat hij zich na deze voorspelling te buiten ging aan alles wat God verboden heeft. Hem kon niets overkomen want bossen wandelen niet en alle mannen zijn door vrouwen gebaard.

'Wat niet kan, is nog nooit gebeurd', zei een vaderloos straatvriendje van mij steevast als ik schijterig twijfelde aan de haalbaarheid van zijn vandalistische plannetjes. Hij trok uit zijn paradoxale uitspraak de onverwachte conclusie dat alles kon, ook het onmogelijke. Macbeth dacht daar anders over. Wat niet kon, gebeurde niet. Dat was zeer dom, zoals ik in Groningen helemaal op mijzelf, zonder kennis van Shakespeare, ontdekte.

Er was één jongen de baas in onze buurt. Hij heette Jan Schut en had meisjesachtig lang haar, wat toen nog heel gek was. Jan Schut, zijn moeder heeft geen kut, rijmden zijn grove volgelingen in het Gronings, als hij het niet horen kon. Jan Schut, zien moeke het gain kut. Maar soms hoorde hij het toch. De dichters sloeg hij dan zonder waarschuwing tegen de grond. Dat was zijn kracht. Hij was niet bijzonder groot of sterk, maar hij aarzelde nooit. Waar andere jongens in belachelijke bokshoudingen schoten als ze wilden vechten, hield Jan Schut zijn handen in de zakken, keek opzij, lachte minzaam en haalde dan opeens hard uit, midden op het gezicht. Deze eigenschap vormde een stevige basis van zijn gezag.

Zijn moeder heb ik nooit gezien, hoe nieuwsgierig ik ook naar haar was. Op de jaarlijkse meikermis aan de voet van de Martinitoren zou zo'n vrouw voor lange rijen hebben gezorgd. Uit vrees voor zijn mokerslagen durfde ik aan niemand te vragen waarom je haar nooit zag. De váder van Jan Schut kenden wij wel. Hij was een aardige man die zacht sprak en je over je hoofd aaide. Hij had ook vrij lang haar. In het bijzijn van zijn vader gedroeg Jan Schut zich altijd merkwaardig rustig en vriendelijk, maar zodra zijn vader weg was, straalde hij uit dat elke opmerking een vuistslag rechtvaardigde. Ook bepaalde gezichtsuitdrukkingen konden leiden tot sterretjes voor je ogen. Sterretjes met witte strepen. Ik kan het weten, want een keer heb ik zo'n dreun van Schut gehad. Ik verdiende hem.

De gloriedagen van Jan Schut lagen tussen Kerstmis en oudejaarsnacht. Dan leidde hij vastberaden de bende die in de stad op kerstbomenjacht ging. Hij droeg zwarte leren handschoenen en had een rode doek om zijn hoofd gebonden op de zeeroversmanier. De lange blonde manen die er onderuit wapperden gaven hem ook nog iets van Eric de Noorman, een machtig stripfiguur uit die tijd. Evenals de andere leden van de bende had hij een dikke stok in zijn hand. Zelfs zonder kennis van zijn Onverwachte Dreunen zag je dat hij onoverwinnelijk was. Ongeveer vijfentwintig jongens, onder wie gevreesde straatvechters die al eens door de politie waren opgepakt, hadden zich vrijwillig onder zijn gezag geplaatst. Ik zie ze nog staan voor een roodverlicht raam aan de Ganzevoortsingel. Afschrikwekkend. In de deuropening lachten de hoeren hen weliswaar uit met de handen in de zij, maar voor hoeren zijn alle mannen belachelijk.

Waarom was ook ik lid van de bende? Het paste helemaal niet in mijn ontwikkeling. Ik zat net in de eerste klas van het Sint Maartenscollege nabij het sjieke Haren, waar je de kinderen van de rijkste katholieke families zag rondlopen. Ze tennisten, hockeyden, hadden zomerverblijven op de Waddeneilanden, droegen dure kleren en spraken Algemeen Beschaafd Nederlands. De weinige meisjes waren allemaal van hoge komaf. Hun vaders droegen de namen van grote, bekende bedrijven of ze waren professor. Voor volkse zoontjes van kleine middenstanders haalden zij hun neus op.

Vanaf de eerste dag poogden de jezuïeten, die er de baas waren, mij mijn zwaar Groningse accent af te leren. In dit beschavingsproces paste een opleiding tot misdienaar. Een acoliet - dat was een vergevorderde misdienaar - bracht mij de kneepjes van het vak bij. Hij leerde mij ook de Latijnse teksten die misdienaars moesten opzeggen. Mijn Groningse accent maakte zich in korte tijd moeiteloos meester van het Latijn. De ij in kyrie eleison klonk bij mij als ai en de s werd een z. Als je dat zo uitspreekt en je voegt er et cum spiritu tuo aan toe met vette Groningse t's, dan begrijp je waarom mijn acoliet steeds hatelijk moest lachen. Hij was rijk en woonde in een herenhuis aan de Jozef Israëlsstraat. Zijn twee broertjes en een ouder zusje namen me altijd spottend op. Mijn uitspraak van het Latijn was waarschijnlijk een geliefd thema tijdens de gezamenlijke, harmonieus genoten maaltijden.

Nee, lid zijn van een jongensbende die op kerstbomenjacht ging, paste niet goed bij het Sint Maartenscollege en een misdienaarsopleiding. Er moet die rampzalige dag iets van verzet en verwrongen klassegevoel in mij zijn geslopen, dat meteen om daden vroeg. Ik nam een stok ter hand, bond een sjaal om mijn kop en sloot mij aan bij de troepen van Jan Schut. Dat hij me als volgeling aanvaardde, verbaasde me. Ik was een 'smerige roomse' en erg breekbaar. Ze noemden me wel eens een aangeklede spijker. Misschien dacht hij dat ik God aan zijn zijde bracht. Dat was dan een zware misrekening.

Tot een actief en opvallend bendelid ontpopte ik mij niet. Ik hief met de anderen een woest gehuil aan bij het zien van een kerstboom. Ik zwaaide met mijn stok naar jongens die ook kerstbomen zochten. Soms ondervroegen wij jongens hardhandig over de bergplaats van kerstbomen in hun buurt. Als Jan Schut bij hardnekkig zwijgende jongens uithaalde, keek ik katholiek gauw de andere kant op.

Ik sleepte een kerstboom achter mij aan waarin het engelenhaar nog glinsterde, toen wij de Jozef Israëlsstraat binnentrokken. Halverwege de straat liep mijn acoliet. Hij had een kerstboom in zijn bezit. Hij besefte pas dat wij het op hem gemunt hadden toen wij om hem heen stonden te joelen. Ik probeerde mij te verschuilen achter de ruggen van mijn bendegenoten en wond mijn sjaal als een oosterse vrouwensluier om mijn hoofd, maar de acoliet had mij al herkend. Ondanks zijn angst wist hij mij een minachtend lachje toe te werpen. Ik voorzag zware weken op het Sint Maartenscollege.

'Hier die boom', zei Jan Schut.

De acoliet was zichtbaar opgelucht dat het om de kerstboom ging en wilde die net aan ons overhandigen toen een man zich ermee bemoeide. Hij riep, wat ouderen destijds riepen, als ze de jeugd vermaanden:

'Wat moet dat hier!'

Ik denk dat alles vreedzaam verlopen zou zijn als deze man zich er buiten had gehouden.

De man was de vader van mijn acoliet.

Jan Schut deed de handen in zijn zakken en stelde zich in een onverschillige houding voor hem op.

'Wij will'n die boom hebb'n', zei hij rustig, zonder stemverheffing, eigenlijk heel beschaafd. Maar een ander bendelid, een grote slungelige bastaard met mongoloïde trekken, begon opeens woest te schreeuwen en agressieve gebaren te maken.

'Beheers je, knuppel', zei de vader van de acoliet, langzaam en duidelijk. De u sprak hij bekakt uit als een a.

Even was het stil. De botsing in omgangsvormen zorgde voor een impasse. Toen zei Jan Schut:

'Wat zegt u?' Zijn u zat vast aan een hele vette, tergend langgerekte t.

De vader van de acoliet was zo dom zijn vermaning te herhalen in de vorm van:

'En jij ook, snotaap'.

Jan Schut keek met de handen in de zakken minzaam lachend opzij en sloeg de man zonder aarzeling met een dreun tegen de grond. Hij leek wel dood. Het duurde vele seconden voordat hij toch langzaam overeind krabbelde en zwijgend afdroop, terwijl hij de acoliet aan de arm met zich mee trok onder hoongelach en gejoel van de bende. Met mijn ontzag voor leidinggevenden en hogergeplaatsten is het sindsdien nooit meer goed gekomen. Toch kon ik niet delen in de vreugde van de bende tijdens de triomftocht die via de Westerhaven terug naar de Ganzevoortsingel voerde. De dreun van Schut vond ik moreel niet verantwoord. De hand waarmee je je ouders sloeg, groeide later boven je graf. Ik leed hevig aan klassetwijfel. Waar hoorde ik bij? Waar wílde ik bijhoren? Met zulke vragen hoefde ik niet aan te komen bij de bendeleden. Tobbend hielp ik mee de buitgemaakte kerstbomen op te bergen in de leegstaande verdieping boven een hoerenkast. Enkele bendeleden hielden er 's avonds de wacht.

De volgende dag was ik geen lid van de bende meer. Ik durfde me ook niet buiten te vertonen uit vrees geliquideerd te worden. Vanuit mijn slaapkamerraam zag ik de bende voortdurend kerstbomen aanslepen. Jan Schut stond altijd toe te kijken als de bomen door het opengeschoven raam naar binnen werden gehaald. Hij werkte niet. Hij gaf leiding.

'Jan Schut, zijn moeder heeft geen kut', fluisterde ik, want zelfs in mijn slaapkamer durfde ik het niet hardop te zeggen.

Het vreugdevuur dat schuin voor ons huis op een open plek ontstoken zou worden, beloofde tot de hemel te reiken. Zoveel bomen als nu in de opslagplaats lagen, waren er volgens mij nog nooit verbrand. Er maakte zich op oudejaarsavond een grote spanning van mij meester. Ik was zo nieuwsgierig naar hoe hoog de brandstapel zou worden dat ik ruim voor de Wim Kan-conférence op de radio de volle katholieke huiskamer ontvluchtte en vanuit mijn slaapkamerraam naar buiten staarde. Het was een heldere nacht met veel maanlicht. De plaats van het vuur was totaal verlaten. Zelfs de hoeren hadden een vrije avond. Drank en oliebollen moeten de sociale controle die avond parten hebben gespeeld. Niemand lette op. Alleen ik zag de beweging voor het huis waarin onze bomen lagen.

Vanaf het Groningse filiaal van kasteel Dunsinane keek ik uit op het bos van Birnam. Gracious my lord, ik moet u vertellen wat ik zag, but know not how to do it, zei de schildwacht tegen Macbeth. Wat zag ik? Er wandelde een heel bos van jonge kerstbomen in de richting van de Museumstraat. I say, a moving grove. Toen het laatste boompje om de hoek was verdwenen, wilde ik naar buiten rennen en alarm slaan, maar ik bedacht bijtijds dat een smerig rooms, gedeserteerd bendelid als ik beter niet de boodschapper van slecht nieuws kon zijn.

Ongeduldig wachtte ik tot Wim Kan klaar was en wij naar buiten zou gaan om rond de oudejaarsfik handen te schudden van mensen met wie wij op alle andere dagen van het jaar niet om mochten gaan. De jaarwisseling verbroederde. Hoeren omhelsden keurige huisvaders. Dat wij katholiek waren werd ons ruimhartig vergeven voor de duur van een paar eucharistievieringen.

Eindelijk gingen we. Er was geen vuur. Er lagen ook geen bomen. We hoorden dat Jan Schut en enkele anderen de wacht hadden gehouden. Ze hadden teveel gedronken en waren overmeesterd door een grote groep jongens uit de Westerhavenbuurt, die met onze bomen op de loop waren gegaan. Die lagen nu te branden op vijandelijk gebied, dat enkele honderden meters verderop over de Museumbrug lag. De hele buurt trok er heen. Ik rekende op moord en doodslag, maar ter plekke reageerden ze zeer sportief op de brutale stunt. Het toch al niet zo overtuigende geschreeuw ging snel over in gelach. Zich warmend aan de werkelijk huizenhoge vlammen, dronken ze uit elkaars flessen en glazen.

Ik had hem natuurlijk al gemist. Jan Schut. Er viel een stilte toen hij er ver over twaalven aan kwam rennen, achtervolgd door zijn vader. Hij was stomdronken. Niets was er over van zijn trotse beheerstheid. Hij brulde, leek iedereen aan te willen vliegen, die ook maar iets tegen hem zei en nam voortdurend stevige slokken uit een fles jenever die hij als een slagwapen paraat hield. Zijn vader draaide bezorgd om hem heen. Jan Schut sloeg hem van zich af alsof hij een vlieg was en riep 'donder op' en 'blief van mie of'.

Opeens was hij rustig, zo rustig dat je er bang van werd, want rust ging altijd vooraf aan zijn meedogenloze dreun. Hij keek met een vuil glimlachje om zich heen. Toen scheurde hij met een dierlijke schreeuw zijn overhemd open en rende recht op de hoge vlammen af.

'Nait doun!', krijste zijn vader. Zijn stem klonk hoog en schril als die van een vrouw. Mannen schoten toe om Jan uit de vlammen te redden en terwijl zij er moeizaam in slaagden hem van het vuur weg te trekken, keek ik zijn vader met open mond aan. Hij had alle mannelijkheid in paniek van zich afgegooid. Ik zag zijn lange haar, zijn volle lippen, zijn onbehaarde gezicht, de welving van zijn borst en alles werd mij duidelijk. Jan Schut zijn vader was een vrouw die als man door het leven ging. De ontdekking kwam als een elektrische schok.

'Nou snap ik het van die kut!', riep ik, minder bang maar zeker even ontzet als Macbeth, toen zijn doodsvijand hem met getrokken zwaard vertelde dat hij niet echt gebaard was. Men had hem vroegtijdig uit de moederbuik gesneden. Wat niet kon, was toch gebeurd. Het kostte Macbeth zijn hoofd. Bij mij doofde slechts plotseling het vreugdevuur om plaats te maken voor sterretjes met witte strepen.

Jan Schut had mij vol met de vuist getroffen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden