OUD IN AFRIKA

Bonte gewaden, prachtige maskers en voorouderbeelden zijn te zien op de tentoonstelling 'Wijzen, heksen & heiligen: oud in Afrika' in het Rotterdamse Museum voor Volkenkunde. Maar is het beeld dat wordt geschetst van de Afrikaanse ouderen niet wat idyllisch? Hoe gaat het met de jonge bruidegom? Het gezag in Soweto? Wat doen de beruchte Young Pioneers? Waar zijn de oude vrouwen? 'Wijzen, heksen en heiligen: oud in Afrika'. Museum voor Volkenkunde, Willemskade 25, Rotterdam; tel. 010-4112201; t/m 20 maart 1994. Dr. M. Schoffeleers is bijzonder hoogleraar antropologie van de religie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht.

Dit komt doordat in de Afrikaanse denkwereld mensen tijdens hun leven steeds meer kracht wordt toegekend. Gerespecteerd om hun levenservaring ontwikkelen ouderen zich aldus tot wijzen en in het uitzonderlijke geval van een teveel aan levensenergie, tot heiligen of ook wel tot heksen, het tegendeel van heiligen.

Deze ideeen staan centraal in de tentoonstelling die het Rotterdamse Museum voor Volkenkunde wijdt aan oud worden in Afrika. Door middel van dia's, filmfragmenten, saillante teksten en een fraaie collectie ceremoniele voorwerpen wordt geschetst hoe deze ideeen vorm krijgen in de praktijk en hoe de jongere leden van de samenleving er vertrouwd mee worden gemaakt.

De tentoonstelling dwingt tot een vergelijking met de situatie in onze eigen omgeving, waarin ouderen een omgekeerd proces lijken door te maken. We kennen het stereotype beeld: ouderen opgeborgen in bejaardenoorden, waar ze blij mogen zijn als de kinderen regelmatig langskomen, en voor de rest geen gezeur. Kan Afrika ons wellicht op een ander idee brengen? Mogelijk wel - er valt altijd wel iets te leren - maar de vraag is in hoeverre het zojuist geschetste beeld van Afrikaanse ouderen aan de werkelijkheid beantwoordt.

Om te beginnen twee punten van kritiek, die niet direct met de kern van de zaak te maken hebben, maar wel met een bepaalde vertekening in de presentatie, namelijk de disproportionele aandacht die de tentoonstelling besteedt aan mannelijke ouderen en de nadruk die gelegd wordt op westelijk Afrika. Wat de rol van de oudere vrouwen betreft krijgt de bezoeker betrekkelijk weinig informatie. Dat roept vanzelf de vraag op in hoeverre ook zij delen in de positieve kanten van het ouder worden. Het antwoord luidt dat ze, zij het grotendeels achter de schermen, evenveel te vertellen hebben als de oude mannen, of misschien wel meer. Maar we horen en zien daar niet zo heel veel over.

De voorkeur voor West-Afrika is wellicht te danken aan het feit dat de culturen daar spectaculairder uitpakken dan in de rest van Zwart Afrika. Bonte gewaden, prachtige maskers en voorouderbeelden, die je elders niet in die mate aantreft. Het is begrijpelijk dat je dat uitbuit. Mogelijk is in West-Afrika de positie van ouderen ook wat meer geprononceerd dan elders. Weliswaar hebben ook in een aantal Oostafrikaanse culturen ouderen een duidelijk geinstitutionaliseerde en geritualiseerde gezagspositie, maar toch ontkomt men niet aan de indruk dat het met zoveel overtuiging gebrachte beeld van druk geconsulteerde, invloedrijke ouderen primair op de Westafrikaanse situatie gebaseerd is.

Om te beginnen dient gezegd dat het beeld dat in het Museum voor Volkenkunde wordt geschetst van Afrika door en door dorps en statisch is. Het is het Afrika uit de tijd van de functionalistische antropologie, toen alle tekenen van westerse invloed nog zorgvuldig uit de beschrijvingen van 'stamgemeenschappen' weggepoetst werden. Het moest toen nog allemaal zo 'traditioneel' mogelijk voorgesteld worden, zonder de ook toen al alomtegenwoordige missie- en zendingsposten met hun scholen en ziekenhuizen.

De bezoeker hoort en ziet in Rotterdam dan ook nauwelijks iets over de razendsnelle verstedelijking en de massale veranderingen die dat heeft teweeggebracht. De bezoeker blijft zich dus afvragen of de beleving van de ouderdom als gepresenteerd op deze tentoonstelling ook nog stand houdt in oorden als Soweto. Het antwoord zal grotendeels ontkennend moeten luiden. De waarheid over Soweto is dat daar van het gezag van de oudsten niet zoveel meer over is. Het is deels opgevolgd door een vacuum, waarin de criminaliteit welig tiert; deels is het overgegaan op de Afrikaans christelijke kerken, die hun leden even intensief en efficient begeleiden als eens de ouden. De grootste van deze, de Zion Christian Church (ZCC), heeft in Zuid-Afrika een aanhang van verscheidene miljoenen. Deze mensen hebben een goede naam op de arbeidsmarkt wat betreft regelmaat en betrouwbaarheid en zijn daarom zeer in trek. Ouders kiezen naar eigen zeggen voor kerken als de ZCC om hun kinderen zo lang mogelijk op het rechte pad te houden.

Een andere vraag is of dat systeem van patriarchaal gezag wel zo idyllisch is of was als het doorgaans wordt voorgesteld. Uit antropologische studies blijkt dat het niet zelden leidt tot ernstige uitbuiting van de jongeren. Waar het bij voorbeeld gewoonte is dat de familie van de jongeman een bruidsprijs betaalt aan de familie van zijn aanstaande kunnen de oudsten die prijs zodanig opdrijven dat het voorgenomen huwelijk jaren uitgesteld moet worden. Waar geen bruidsprijs betaald wordt maar de jongeman het land van zijn aanstaande schoonouders moet bewerken om zijn geschiktheid te bewijzen, doen zich dezelfde misbruiken voor. Een Malawische historicus, die een studie aan dit systeem gewijd heeft zoals het tot voor kort gold in zijn eigen geboortestreek, spreekt wat dit betreft zelfs van verregaande rechteloosheid. De bruidegom in spe werd verondersteld het zwaarste werk te doen zonder enige vergoeding tenzij het vooruitzicht dat hij eenmaal de dochter des huizes mocht trouwen. Ging dat huwelijk om een of andere reden niet door, dan werd hij weggestuurd met weinig meer dan een schamele deken als vergoeding.

Lord Actons bekende uitspraak Power corrupts gaat hier even goed op als elders. Het heeft geen zin dat te verdoezelen.

Als reactie op deze en andere vormen van onderdrukking is er in vele delen van Afrika sprake van een jongerenprotest of zelfs van een jongerenrebellie. Dit jongerenprotest manifesteert zich in een land als Malawi bij voorbeeld in de vorm van een paramilitaire organisatie als die van de beruchte Young Pioneers. Deze jongelui oefenden een waar schrikbewind uit, waarbij met name het oudere deel van de bevolking het moest ontgelden. Ouderen, niet zelden straatarm, werden door dit tuig meedogenloos gedwongen een lidmaatschapskaart te kopen van de Malawi Congress Party (MCP), tot voor kort de enig toegestane politieke partij. Zonder die kaart hadden ze geen toegang tot openbare faciliteiten, zelfs niet tot de dorpsmarkt om voedsel te kopen of te verkopen.

Een ander voorbeeld in dezelfde categorie zijn de FRELIMO jongeren in Mozambique geweest. Geindoctrineerd door de marxistische staatsideologie voerden deze jarenlang een intensieve campagne tegen de kerken en de traditionele godsdienst. Initiatieriten werden verboden. Kinderen werd op school geleerd dat ze van nu af aan niet meer hoefden op te kijken naar de ouderen, want die hadden er alleen maar baat bij de rest van de gemeenschap even dom te houden als zijzelf.

Naast deze militaire of paramilitaire vormen, verschijnt het verzet tegen de ouderen niet zelden ook in een kerkelijke gedaante. Zo zijn in de stedelijke gebieden van oostelijk Afrika jeugdige religieuze leiders actief, die een fundamentalistisch christendom predikten, dat net als de FRELIMO-ideologie, mordicus tegen traditioneel geloof en traditionele riten gekant is. Degenen die zich bij deze bewegingen willen aansluiten moeten plechtig beloven daar radicaal mee te breken. Bezwijkt men toch voor de verleiding, dan volgt onherroepelijk disciplinaire actie. Al worden in dit geval de ouden niet direct aangevallen, toch zijn ze ook hier als dragers van de gewraakte tradities de grote slachtoffers.

Die fanatieke bestrijding van de traditionele religie is overigens niet iets van vandaag of gisteren. Het begon al meteen met de massale evangeliseringsbeweging in de negentiende eeuw. Christenen en kandidaat-christenen werd ook toen al ten strengste verboden deel te nemen aan initiatieriten of in geval van ziekte de 'tovenaar' - het toen gebruikelijke woord voor traditionele genezer - te raadplegen. Offergaven aan de voorouders werden beschouwd als een vorm van afgoderij. Een officiele katechismus, die tot voor een jaar of dertig in de roulatie is geweest, beschreef die gaven als 'een list van duivel'. Deze zou namelijk weten dat hij de meeste mensen niet zover zou krijgen om offers aan hemzelf te brengen. In plaats daarvan had hij de mensen wijs gemaakt dat ze die aan hun voorouders moesten brengen. Maar aangezien de voorouders geen weet kunnen hebben van eventueel aan hen gebrachte offers - aldus nog steeds onze katechismus - kwamen die uiteindelijk toch ten goede aan de Satan. Hoe verzint iemand het, zou je zeggen, maar in die dagen werd zoiets heel normaal gevonden en kwam het bij niemand op dat hier toch wel heel grof geschut werd gebruikt.

VERVOLG OP PAGINA 18

VERVOLG VAN PAGINA 17

Inmiddels hebben de meeste missionarissen de strijdbijl begraven. De missiebladen vandaag de dag puilen uit van bijdragen over acculturatie, inculturatie en incarnatie. Lovende boekwerken verschijnen over Afrikaanse religie als protoEvangelie of Vijfde Evangelie. Moeiteloos gewaagt men van de medicijnman/vrouw - de tovenaar van voorheen - als een christologisch paradigma; even moeiteloos erkent men hun pastorale bekwaamheden. Terecht allemaal, want zo wordt tenminste een basis van vertrouwen geschapen. Maar de strijd die de missionarissen inmiddels hebben opgegeven wordt nu met verve en zeker zo effectief voortgezet door de fundamentalistische jongeren.

Toch zijn de ouderen niet helemaal weerloos. Links en rechts ontstaan er onder hun leiding 'Kerken van de Voorouders', nieuwe religieuze bewegingen die zich ten doel stellen de verering van de voorouders en andere traditionele gebruiken in ere te herstellen. Aanhangers hiervan plegen zeer agressief op te treden tegen de gevestigde kerken. Beledigende taal en het verstoren van zondagse gebedsbijeenkomsten, of zelfs het beschadigen van kerkgebouwen, zijn daarbij niet ongebruikelijk.

Onder de traditionele gebruiken, die ze in ere hersteld willen zien, nemen de initiatieriten zoals te verwachten een belangrijke plaats in. Grote nadruk wordt daarbij gelegd op de gehoorzaamheid die ze verschuldigd zijn aan de ouderen en aan de regulering van sexueel verkeer. Dat laatste heeft sterk aan actualiteit gewonnen vanwege de enorme toename van aids en venerische ziekten. Dit wordt niet alleen door medici maar ook door brede lagen van de bevolking in direct verband gebracht met de opvallende sexuele vrijheid, die in grote gebieden van Afrika gebruikelijk is. Er is, gezien de om zich heen grijpende besmetting, behoefte aan meer regulering en de voorouderkerken hebben hierop weten in te spelen door herinvoering van de initiatieriten. Ze lijken nog succes te hebben ook, want allerwegen valt een toenemende belangstelling voor deze riten te bespeuren, al zullen er voor die belangstelling nog wel andere oorzaken aan te wijzen zijn dan alleen maar de angst voor besmetting.

De Rotterdamse tentoonstelling beoogt volgens een van de persberichten 'stof tot overweging' te geven: wat heeft Afrika ons mogelijkerwijze te leren? Daaraan gekoppeld ook nog de vraag: is het allemaal wel zo aantrekkelijk en zo eenvoudig als het uitziet?

Enerzijds kan in Afrika inderdaad gesproken worden van een gezag van de oudsten, gebaseerd op het geloof dat ze speciale kennis en speciale kracht opgebouwd hebben, waarmee ze de gemeenschap van dienst kunnen zijn, maar waarmee ze ook kwaad kunnen uitrichten. Anderzijds is dat gezag inmiddels zwaar geerodeerd door de voortschrijdende urbanisatie en door protesten en acties van militante jongeren.

De motieven van deze groeperingen kunnen verschillen. De ene protesteert uit naam van Marx, de ander uit naam van Christus, maar het effect is uiteindelijk hetzelfde: een terugdringen van de autoriteit van de ouderen. Toch is ook dat niet het einde van het verhaal gebleken, want we zien in de heropleving van de initiatieriten weer een tegenbeweging ontstaan van de jongeren naar de ouderen.

Tegen deze achtergrond doet de Rotterdamse aanpak nogal idealiserend aan. Het is het beeld van de ouderen zoals dat met graagte geschetst wordt in gedichten als de 'Lofzang op de voorouders' van de Zuidafrikaan Mazizi Kuenene. Het is ook het beeld dat opgeroepen wordt in de talloze schoolboekjes die de jeugd wat willen bijbrengen over oude gewoonten en gebruiken. Typische illustraties daarin tonen baardige oude mannen, die eerbiedig voor hen knielende jongeren leefregels en levenswijsheid bijbrengen. Voor een deel is deze voorstelling van de dorpsoudsten een ideologisch bijprodukt van het Afrikaans nationalisme en van een nieuw cultureel bewustzijn. Waar Afrikanen tientallen jaren hebben moeten horen dat ze de minderen waren van de Europeanen is er een dringende behoefte ontstaan aan herbevestiging van de eigen identiteit en waardigheid.

In dat proces van culturele herbevestiging is ook het begrip 'dorp' van groot belang geweest. Het dorp werd gezien als de plaats waar de traditionele wijsheid en de traditionele gemeenschapszin floreerden onder de wijze leiding van de oudsten. Diezelfde wijsheid en gemeenschapszin moesten ook kenmerkend worden voor de nationalistische staat. Het dorp werd aldus op ideologisch niveau verheven tot model voor die staat. Het Afrikaans socialisme van Nyerere, het Afrikaans humanisme van Kaunda, de Authenticite africaine van Mobutu, het zijn allemaal modellen die gefundeerd zijn in de geidealiseerde dorpsgemeenschap. De moderne gezagsdragers zijn de nieuwe dorpsoudsten; de staat is een uitvergroot dorp, een en onverdeeld.

Deze ideologie van de geidealiseerde dorpsgemeenschap heeft lange tijd grote politieke werfkracht gehad, maar is nu met de opkomst van meerpartijenstelsels op zijn retour. De Rotterdamse tentoonstelling kan, gezien tegen deze achtergrond, met recht en reden omschreven worden als een nostalgische terugblik op een cruciale ontwikkeling in het zelfbeeld van Afrika.

Een traditionele zegen voor het nieuwe jaar (Yoruba, Nigeria)

Moge u een goede bonenoogst hebben dit jaar.

Mogen uw gangen de tovenaars niet in woede doen ontsteken.

Moge het Opperwezen uw ziel niet zien wegkwijnen.

Een goed karakter is de schoonheid van een mens;

Mogen de kinderen u niet vernederd zien worden,

Mogen de volwassenen u niet zien ontaarden,

Moge uw karakter vredig en schoon zijn als het water

Dat 's ochtends uit de rivier wordt gehaald.

Bij de initiatiehut, drie weken na de besnijdenis . . .

En het volgende moment zag ik mijn moeder! Zij stond daar op de stoffige weg, enkele passen van de omheining vandaan. Zij mocht niet dichterbij komen.

'Moeder!' riep ik. 'Moeder'!

En opeens had ik het gevoel dat mijn keel werd dichtgeknepen. Was dat omdat ik niet dichterbij mocht komen, omdat ik haar niet kon omhelzen? Was het omdat we al zoveel dagen gescheiden waren geweest, en nog zo lang gescheiden moesten blijven? Ik weet het niet. Het enige wat ik weet, is dat ik nog slechts kon roepen: 'Moeder', en dat mijn vreugde over het weerzien plotseling plaats maakte voor een vreemd, mat gevoel. Of had deze stemmingswisseling te maken met de verandering die zich in mij had voltrokken? Toen ik mijn moeder had verlaten was ik nog een kind geweest. En nu . . . Maar was ik nu echt een man? Was ik al een man? . . . Ja, ik was een man! Nu stond mijn man-zijn tussen mijn moeder en mij. Dat was een oneindig veel grotere afstand dan de paar meters die ons scheidden.

Uit “L'enfant noir”, Camera Laye, Guinee

Lofzang op de voorouders

De voorvaderen, zij leven nog steeds.

Het geweld van de wervelstorm heeft hen niet overmand.

De dag die hun de ogen sloot heeft niet over hen gezegevierd.

Zelfs het grote rotsblok dat boven hen staat werpt slechts een nederige schaduw op hun rustplaats.

Wij zijn de grote stem die de heldendichten draagt. De voorouders zijn gekomen om naar onze liederen te luisteren,

Ze schudden hun hoofden in vervoering.

Samen met ons vieren ze hun eeuwig leven.

Wij eren hen die ons het leven schonken,

Kijken met hen naar het spel der bewegende nevels.

Zij hebben het heilige boek geopend om met ons te zingen.

Zij zijn het mysterie dat onze droom omhult.

Zij zijn de kracht die ons een zal maken.

Zij zijn de vreemde wereld van de aarde.

Zij kwamen uit de schoot van het heelal.

Rusteloos zijn ze, als een pad van dromen,

Als een woud vol dieren.

Ja, het diepe oog van het heelal bevindt zich in onze borst.

Daarmee staren we naar het centrum van de hemel.

Wij bezingen de grote tijdperken,

Want wij weten: het leven begint niet met ons.

Mazizi Kunene, Zuid-Afrika

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden