Oud eten ruikt nogal pkoes

Mensen blijken tot meer in staat dan gedacht: ze kunnen geuren onderverdelen in abstracte klassen en ze benoemen, net als kleuren. Als je de juiste maar taal spreekt, kun je zelfs de geur van geplette hoofdluizen verwoorden.

Hoe zou je de geur van een roos noemen? Van een tosti met kaas? Of van een ondiepe sloot tijdens een broeierige zomer? De meeste geuren kunnen we wel beschrijven - 'Het ruikt hier naar gebakken brood' - maar veel afzonderlijke woorden hebben we er niet voor. Niet zoals voor kleuren, bijvoorbeeld. Dat lijkt vanzelfsprekend, omdat de meeste andere talen die we leren dat ook niet hebben. Maar er zijn wel degelijk talen die woorden hebben voor geuren, en mensen die net zo makkelijk een geur benoemen als een kleur. En dat is nu ook experimenteel aangetoond.

De Jahai bijvoorbeeld, een stam die in het regenwoud van Maleisië woont, hebben een taal met geurwoorden. Ze figureren deze maand in een Nijmeegse publicatie over geurwoorden in het tijdschrift Cognition. De Jahai leven van jagen en verzamelen (vis, vlees, fruit) en wonen in bamboehutten. Sommigen praktiseren nog de nomadische leefstijl van vroeger en trekken van plek naar plek.

Voor Jahai zijn kleuren en geuren heel vergelijkbare dingen. Kleuren herken je met je ogen, geuren met je neus en vervolgens heb je een woord om ze te benoemen. Zo is bamboe pas geschikt om drinkbekers van te maken als die sterk genoeg is. De stevigheid bepalen Jahai niet alleen door aan de bamboe te voelen en te kijken of de kleur helder geelgroen is; ze ruiken er ook aan. En als het ruikt als bruikbare bamboe, hebben ze daar een woord voor. Een woord dat alleen iets zegt over die geur en dat ook voor andere dingen die zo ruiken gebruikt kan worden, ongeacht wat het is - bamboe, een bes, een dier, een plant.

Asifa Majid, hoogleraar taal, communicatie en culturele cognitie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en een van de auteurs van het Cognition-artikel, onderzocht de Jahai en hun geurwoorden. Volgens haar is er een essentieel verschil tussen Nederlandse woorden als 'stinkend', 'geurig' en 'penetrant' en Jahaise geurwoorden. "Om geuren te benoemen, gebruiken wij vaak de bron van de geur. Iets ruikt naar appeltjes of naar tomaat of schimmelig. Of we baseren het geurwoord op de emotie die de geur oproept of op een bijpassende smaak: iets stinkt of ruikt zoet. Jahai hebben woorden die puur gaan over de geur, ongeacht wat voor ding het is, net zoals wij dat bij kleuren hebben."

Woorden als rood, groen en blauw zeggen iets over de kleur van een object en over niks anders. We kunnen heel simpel antwoord geven op de vraag hoe een aardbei en een tomaat in kleur overeenkomen: ze zijn beide rood. En dat ze rood zijn, heeft niks te maken met het feit dat het allebei eetbare dingen zijn die je in één hand vast kan houden, want een T-shirt en een brandweerauto kunnen ook rood zijn. Rood is een abstract concept dat alleen wat zegt over de kleur van iets. Maar zodra je ons vraagt wat de geurovereenkomst is tussen een orchidee en popcorn staan we met onze mond vol tanden. Een Jahai roept direct: "Ltpit!"

"Ltpit wordt gebruikt voor geurige bloemen, vers fruit en de beermarter, een soort boomkat waarvan wel wordt gezegd dat die naar popcorn ruikt", zegt Majid. "Het is een woord voor lekkere geuren, maar het is specifieker dan dat. Dingen die 'tsngus' zijn, ruiken ook lekker, maar op een heel andere manier. Het is het woord voor dingen die eetbaar ruiken: klaargemaakt eten, snoep." En dat is weer heel wat anders dan het erop lijkende woord 'tsngès', wat Jahai gebruiken voor een prikkelende geur, zoals van benzine, rook en vleermuispoep. Zelfs voor gevaarlijke geuren hebben Jahai een woord: 'plkèng'. Het is de geur van geplette hoofdluizen en eekhoornbloed: een geur die tijgers aantrekt.

Dat er talen zijn met abstracte woorden voor geuren, is eerlijk gezegd geen nieuwe vondst. Majid en haar collega Niclas Burenhult trokken ervoor de Maleisische jungle in, maar anderen gingen ze voor. Al in de jaren negentig schreef de Canadese antropoloog Constance Classen met twee collega's het boek 'Aroma: De culturele geschiedenis van geur', met talloze voorbeelden van de dominantie van geur in andere culturen, inclusief geurwoorden. En het eerste artikel over geurwoorden stamt uit 1946. Maar die antropologische studies zijn compleet genegeerd door de wetenschappelijke wereld. Dat de Jahai nu toch in het psychologisch georiënteerde Cognition staan, komt door de toevoeging van Majid en Burenhult aan hun onderzoek: een experiment. Majid: "Met antropologische beschrijvingen van culturen en hun woorden voor geuren kunnen psychologen niks. Zij willen mensen vergelijken in gecontroleerde experimenten. Naar mijn weten zijn wij de eersten die dat hebben gedaan voor geurwoorden."

In het experiment moesten twintig mannen, tien Jahaise en tien Amerikaanse, geuren en kleuren benoemen. Ze kregen de vraag: 'Welke geur is dit?' bij kaartjes waar een geur uit opsteeg zodra ze die met een potlood bekrasten. En ze kregen ook kaartjes met kleuren en de vraag welke kleur het was. De Amerikanen en de Jahai zeiden bij de kleuren uiteraard dat rood rood is en blauw blauw.

Maar bij de geuren waren er grote verschillen. De Amerikanen gebruikten allemaal andere woorden voor dezelfde geur. Een kaneelgeur noemden ze bijvoorbeeld kruidig, zoet, snoep, heet, rokerig, eetbaar, wijn, potpourri. Meestal verwezen die geurwoorden naar de oorsprong van de geur, zoals Majid al had verwacht. De Jahai benoemden de geuren net zo makkelijk als de kleuren en ze gebruikten er bovendien dezelfde woorden voor. In hun taal zeggen ze niet alleen dat rauw vlees rood is, maar ook dat het 'pkih' ruikt: het woord voor rauw vlees, en ook rauwe vis en bloed. Kinderen leren dat woord al als ze opgroeien.

Dat was niet het enige verschil met de Amerikanen. Hun antwoordden op de geurvraag waren vaak hele omschrijvingen; bijna vijf keer zo lang als hun antwoorden op de kleurtest. Zoals: "I don't know how to say that, sweet, yeah; I have tasted that gum like Big Red or something tastes like, what do I want to say? I can't get the word. It's like that gum smells like something like Big Red. Can I say that? Ok. Big Red. Big Red gum."

Volgens Majid bewijst het experiment dat mensen in staat zijn om geuren in te delen in abstracte klassen. Dat druist in tegen het heersende idee, dat in 2010 nog in een groot overzichtsartikel werd verkondigd in de Annual Review of Psychology, dat reuk een ondergeschikt zintuig is voor de mens en dat mensen geur niet kunnen beschrijven in abstracte geurwoorden. "Dat wij geuren niet goed kunnen benoemen komt door onze cultuur en niet door tekortschietende cognitieve vermogens", aldus Majid. "Er is meer variatie tussen mensen van verschillende culturen dan we dachten. Mensen kunnen geuren prima verwoorden, zolang ze maar de goede taal spreken."

Geurwoorden in het Jahai
Tsngus Lekker, eetbaar ruiken, bijvoorbeeld klaargemaakt eten en snoep

Tsrngir Geroosterd ruiken, bijvoorbeeld geroosterd eten

Harim Geurig ruiken, bijvoorbeeld bepaalde bloemen, parfums, zeep

Ltpit Geurig ruiken, bijvoorbeeld bepaalde bloemen, parfums, beermarter

Hagèt Stinken, bijvoorbeeld uitwerpselen, rottend vlees, garnalenpasta

Pkoes Schimmelig ruiken, bijvoorbeeld oude hutten, paddestoelen, oud eten

Tsngès Prikkelend ruiken, bijvoorbeeld benzine, rook, vleermuizenpoep

Sking Ruiken naar urine van mensen, bijvoorbeeld dorpsgrond

Hanjtsing Urine-achtig ruiken

Pkih Bloederig, vis-, vleesachtig ruiken, bijvoorbeeld bloed, rauwe vis, rauw vlees

Plkèng Ruiken naar bloed dat tijgers aantrekt, bijvoorbeeld geplette hoofdluizen, eekhoornbloed

De reukrevolutie
De negentiende eeuw bracht niet alleen een industriële revolutie, maar ook een reukrevolutie. Dat stellen de antropologen Constance Classen, David Howes en Anthony Synnott in hun boek 'Aroma: De culturele geschiedenis van geur'.

Meer en meer mensen woonden in steden, waar ziekten als cholera en tyfus hun dodelijke tol eisten. De ziekten leken te worden opgewekt door vieze geuren van uitwerpselen, dode dieren, afval. Was poep voor boeren nog een bron van nieuw leven, in de stad deed het niks anders dan stinken en de dood aantrekken. De armste mensen werden het ergst getroffen door de ziekten, en zij leefden in de meest stinkende huizen en wijken van de stad. Elke dag die doordringende stank inademen moest toch wel slecht zijn voor de gezondheid.

Langzamerhand kwamen er ondergrondse riolen en vuilophaaldiensten en beetje bij beetje werd de stank steeds meer de stad uitgedreven. En het bleef niet bij stadse hygiëne, ook persoonlijke hygiëne deed zijn intrede. Mensen gingen zich wassen, om de viezigheid die zich in hun lichaam had opgehoopt een weg naar buiten te bieden. Maar door al dat schoonmaken, werd stank pas echt vies. Nu rook je pas goed hoe het stonk in de armere delen van de stad. Stank werd iets dat de arbeiders scheidde van de gegoede burgerij: vieze geuren werden synoniem voor een verderfelijke, arme leefstijl.

Of met de alomtegenwoordige stank in de negentiende eeuw ook de woorden voor geuren uit onze taal zijn verdwenen, daar kunnen we alleen naar gissen. Maar Asifa Majid, taalhoogleraar aan de Radboud Universiteit, zou het niet verbazen.

"We hebben onze wereld ontgeurd en het zintuig zien een dominante positie gegeven. Het is belangrijker dat een tomaat mooi rood is dan dat hij goed rijp ruikt. Maar ik ben ervan overtuigd dat we vroeger meer interesse hadden voor geuren en misschien zelfs woorden, die langzaam in onbruik zijn geraakt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden