Oud en jong over hun toekomst

De Palestijnse president Abbas vraagt de Verenigde Naties vandaag zijn land te erkennen. Palestijnen op de Westoever van de Jordaan reageren verdeeld. Het verschil tussen de generaties valt op. "We kunnen de Israëliërs er niet uitgooien."

Op een bed in de woonkamer van Ali Hoessein en zijn vrouw Fatima ligt zoon Ahmed (36). Toen hij negentien was werd hij getroffen door een Israëlische kogel. Sindsdien is hij verlamd. Aanwezig in de kamer zijn ook twee dochters die doofstom zijn geboren en de gescheiden dochter Soemoed (letterlijk: standvastigheid) en haar twee kinderen. Aan de muur hangt de foto van een van de zonen die gevangen zit in Israël, maar binnenkort vrij komt. Soemoeds ex zit ook gevangen, hij raakte na de scheiding depressief en sloeg een soldaat in elkaar, waarvoor hij anderhalf jaar kreeg.

Fatima zit achter een grote bak, courgettes uit te hollen. De televisie blijft hoorbaar aan: een Turks melodrama. Ali vertelt.

"Ik ben geboren in Malcha, dat toen nog een dorpje bij Jeruzalem was. Ik herinner me nog ons huis met de vruchtenbomen. Ik was amper drie toen we hoorden dat er in een naburig dorp, Deir Jassin, een slachtpartij had plaatsgevonden, de Joden hadden er Arabieren vermoord. We waren bang. Het dorpshoofd besloot dat we maar beter konden vluchten. We zijn eerst naar Jericho gegaan, toen naar Amman en in 1951 kwamen we hier terecht.

"De eerste jaren woonden we in tenten, met zijn tienen in een tent. Eten kregen we van de UNRWA (de VN-organisatie voor hulp aan Palestijnse vluchtelingen - red.). Na een paar jaar begon de UNRWA ook woningen voor ons te bouwen, één kamer per familie. Ze gaven ons water, twee vaten per dag. Ik ben tot mijn twaalfde naar school geweest, daarna ben ik gaan werken, in de bouw, in Ramallah en in El-Bireh. De Jordaniërs, die hier toen heersten, lieten ons met rust, we konden vrij naar Jordanië reizen. Alles was ook nog goedkoop, je kon de hele week van één dinar leven. Ik trouwde op mijn twintigste, Fatima was veertien."

"Het leven was toen goed", valt Fatima in de rede. "We kregen alles van de UNRWA: rijst, eten, alles, en in de winter gaven ze ons stookolie."

Ali werkte in de olie-industrie in Jordanië toen in 1967 de oorlog uitbrak. Hij keerde meteen naar huis terug. "Toen we hoorden dat de Israëliërs naderden, begon iedereen naar de bergen te vluchten. Nu is daar een Joodse nederzetting, maar toen was het nog een mooie plek waar we vaker bivakkeerden. De Israëlische soldaten vertelden ons dat we niet bang hoefden te zijn, dat we witte vlaggen moesten maken en naar het kamp terugkonden. Daarna hebben we hier jaren normaal geleefd. We konden nu ook weer naar Jeruzalem, maar we zijn maar één keer teruggeweest naar onze huizen in Malcha. In 1968. We plukten er vruchten, van onze bomen, toen een vrouw verscheen, Ze was aardig, gaf ons ook te drinken, koffie en thee en koud water. Het was een Joodse familie die oorspronkelijk uit Marokko en Irak kwam, ze spraken goed Arabisch. Maar toen arriveerde haar man, in legeruniform. Hij zei: 'Geef ons ons land terug in Irak en dan kunnen jullie je land hier terugkrijgen'.

"Tot de eerste intifada uitbrak in 1987 leefden we vrijwel zonder problemen. Daarna ging het mis. In 1994 werd Achmed neergeschoten, hij stond bij de ingang van het kamp..."

Fatima neemt over: "We hebben niks meer, ze hebben ons land afgenomen, en onze kinderen. Je kan elk Palestijns huis binnengaan en het is overal hetzelfde. Waar praten ze nu over? Over een staat? Gaan ze ons land teruggeven, laten ze de gevangenen vrij? We kunnen zelfs niet onze dochter opzoeken die in Jeruzalem woont. Het is makkelijker om naar de VS te vliegen dan naar Jeruzalem te gaan. Het Palestijns leiderschap drijft de spot met ons. En hoe komen zij aan al dat geld voor hun dure woningen? Wat is er veranderd sinds ze hier zijn? Er staat nu een muur en er zijn overal controleposten. Wat voor staat willen ze nu bouwen, alleen op de Westoever? Zijn ze vergeten waar wij vandaan komen? Ik wil mijn huis en land terug. Ze kunnen me een villa aanbieden, of zelfs een hele nederzetting beloven, ik ruil het niet voor mijn huis.

"Aboe Mazen (de Palestijnse president - red.) verkoopt zijn volk. De leiding wil onze kracht en energie gebruiken, maar als je zwak bent, geven ze niet om je. Wat hebben ze voor ons gedaan, wat hebben ze voor Ahmed gedaan? In Israël zorgen ze tenminste voor hun mensen. Familieleden daar krijgen allen pensioen. Wat hebben wij hier nou? Ahmed kon zelfs niet in het ziekenhuis blijven. We hebben onder Britten geleefd, onder Jordaniërs, onder Israëliërs en onder de Palestijnen. Als ik zou kunnen kiezen zou ik eigenlijk voor de Israëliërs kiezen, die zorgen tenminste voor hun mensen..."

Denken ze trouwens dat Israël zal instemmen dat Jeruzalem onze hoofdstad wordt? Waar moet die dan wel komen? In Ramallah? Laten ze die maar hier vestigen, laten ze Amari maar tot hoofdstad van de Palestijnse staat uitroepen!"

De plaats: Amari, een vluchtelingenkamp bij Ramallah, Westelijke Jordaanoever.

De ouders: Ali Hoessein (67), getrouwd met Fatima (61), zijn nicht. Ze hebben twaalf kinderen, van wie er twee zijn overleden. In totaal wonen er 21 mensen, in vier kamers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden