Oud en der dagen zat

¿Je hoeft geen Hugo Claus of J. J. Voskuil te heten om de dood zelf de hand te willen reiken.¿ Afscheidsplechtigheid voor de Vlaamse schrijver Hugo Claus, 29 maart 2008. (FOTO ROBERT VOS, ANP)

Moet ’onomkeerbaar verlies aan persoonlijke waardigheid’ een geldig criterium worden voor euthanasie? De Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde vindt van wel. Ethicus Frits de Lange heeft zijn twijfels. „Misschien is het zo dat de hoogbejaarden van vandaag te gemakkelijk verinnerlijken wat ze wordt aangepraat: dat je je tijd hebt gehad als je zo oud bent geworden.”

’Aan geen enkele doodsoorzaak sterft een mens zachter, noch ook langzamer”, schreef Seneca over de hoge ouderdom. Haal er dus uit wat er nog in zit en probeer je daar ook zo veel mogelijk in te oefenen, zo hield hij zijn filosofische tijdgenoten voor. Heel oud worden is bij de dag leven. En dat maakt de oude dag, paradoxaal genoeg, juist ook weer aantrekkelijk. „Die levensfase waarin wij op onze laatste benen lopen kent haar typische genoegens”, schrijft de stoïcijn monter. Zelfs het genoegen geen genoegens meer te hebben hoort daar tenslotte bij. Ook als je lichaam als een oud schip water maakt en de zeilen scheuren, kun je nog steeds je leven zelf sturen.

Maar er zijn wel grenzen. „De zeer hoge ouderdom heeft maar weinig mensen aan hun einde gebracht zonder dat hij afbreuk deed aan hun waardigheid”, stelt Seneca vast. „Als de ouderdom mij geen leven meer overlaat, maar alleen een levensbeginsel, dan zal ik uit dat verweerde en bouwvallige huis springen.”

De bejaarde Seneca zelf hield woord, enkele jaren nadat hij zijn brieven aan Lucilius schreef. Al was het niet de ouderdom zelf, maar keizer Nero die hem dwong de hand aan zichzelf te slaan.

Was hoogbejaarde zelfdoding in Seneca’s tijd nog een filosofische puzzel voor de hoge uitzondering, voor de huidige generatie ouderen wordt de optie een moreel dilemma en een dagelijkse verzoeking. Zo uitgewoond zijn dat je klaar bent met leven – het overkomt vele tachtigers en negentigers. In vroeger dagen was de levensloop wreder, bruter, korter. De dood rukte meer zuigelingen uit de wieg dan grijsaards uit hun bed. Nu duurt het soms zo lang dat je kunt denken dat hij je vergeten is. Dan hoef je geen Hugo Claus of J.J.Voskuil te heten om hem zelf de hand te willen reiken.

Voor deze groeiende groep ouderen biedt de bestaande euthanasiewetgeving onvoldoende soelaas. Voor hen is zij eigenlijk ook niet bedoeld. Bij levensbeëindiging op verzoek heeft de wetgever een patiënt voor ogen die ’ondraaglijk’ en ’uitzichtloos’ lijdt, en die medisch gezien uitbehandeld is. De wet bedoelt de arts die dan zorgvuldig handelt, vrij te pleiten van rechtsvervolging. Hij is bedacht voor dokters, en hun zieke patiënten. Maar deze ouderen zijn geen patiënt; zij lijden aan het leven, niet aan een kwaal. Zij komen bij de dokter, omdat ze niemand anders hebben, of omdat ze denken dat hij hen fatsoenlijk de verlangde dood kan brengen. Zij zoeken de dood niet omdat hun lichaam pijn doet, maar omdat hun bestaan leeg en zinloos is geworden.

Wat moeten we hiermee aan? Om aan de toenemende wens tot hulp bij zelfdoding tegemoet te komen, kunnen we proberen de bestaande euthanasiewet zo op te rekken dat ook geestelijk lijden eronder valt. Die weg is bewandeld door de arts die oud-senator Brongersma – niet ongeneeslijk ziek, maar volgens eigen zeggen lijdend ’aan het leven’ – in april 1998 hielp te sterven. De Hoge Raad oordeelde in 2002 evenwel dat de wet zich niet zover laat oprekken. Levensmoeheid kan geen criterium zijn als iemand „geen medisch geclassificeerde somatische of psychische aandoeningen” heeft. Een KNMG-rapport van de commissie-Dijkhuis vond die interpretatie van de wet toch te strak en bepleitte in 2004 een verruiming. De arts heeft een bijzondere, verreikende verantwoordelijkheid om de lijdende mens hulp en bijstand te verlenen. Hoe ver? De discussie daarover gaat moeizaam verder, maar zit eigenlijk op slot.

Misschien moet er een andere weg worden gevolgd, zegt nu de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). Misschien moeten we maar eerlijk erkennen dat de huidige wet voor mensen die ’ klaar zijn met leven’ niet geschikt is. Deze mensen doen immers geen beroep op de compassie van artsen, maar willen dat hun recht op zelfbeschikking wordt erkend. Niet hun lijden is in het geding, maar hun bestaansmoeheid. Als we de arts vragen hen daarvan te helpen verlossen, overvragen we hem. Ook niet-medische hulpverleners kunnen de dodelijke middelen verstrekken. De NVVE wil zich de komende jaren, zo blijkt uit de nota ’Perspectieven op waardig sterven’, sterk maken voor een verkenning van deze tweede weg (’de hulpverleningsroute’) – ook al zal zij blijven proberen de medische route via de bestaande wetgeving verder op te rekken.

De discussie krijgt daarmee een nieuwe impuls, de medicalisering voorbij. Ethisch verschiet zij ook van kleur. Niet meer de barmhartigheid, maar de zelfbeschikking staat centraal. Het gaat, aldus de NVVE, om mensen met een voltooid leven, „die worden geconfronteerd met een fysieke, sociale en emotionele ontluistering, die hun gevoelens van eigenwaarde zo ondermijnen, dat zij invoelbaar gaan verlangen naar de dood. Zij zijn in hun beleving te oud geworden en willen verlost worden van hun leven”. Voor hen bepleit de NVVE straffeloze stervenshulp. Om daarvoor wettelijk ruimte te creëren, stelt ze een uitbreiding van de zorgvuldigheidscriteria voor: naast ’uitzichtloos en ondraaglijk lijden’, kan nu ook het ’onomkeerbaar verlies aan persoonlijke waardigheid’ een overweging zijn die iemand vrijwaart van rechtsvervolging. Hij mag je helpen sterven, ook als hij geen dokter is.

Met de introductie van het criterium ’persoonlijke waardigheid’ verheldert de NVVE het debat, maar maakt ze het tegelijk ook weer ondoorzichtig. Verhelderend is dat de arts zich weer mag concentreren op waar hij goed in is: zieke mensen genezen. Of als dat niet meer lukt: hun leven draaglijk maken. Hij hoeft niet hun hele bestaansproblematiek op zijn schouders te nemen. De neiging om het moderne zinverlies te medicaliseren kan zo een halt worden toegeroepen. Tegelijk verliezen we door de invoering van het begrip ’waardigheid’ weer alle eenvoud die we dachten te winnen. Het haalt een prangende vraag (hoe ver strekt zinloos en ondraaglijk lijden?) weg bij de artsen. Maar het legt een andere op ons aller bordje: wat is dat eigenlijk, verlies van persoonlijke waardigheid?

Het NVVE-voorstel werd na lancering meteen op haalbaarheid gewogen en te licht bevonden. Want hoe toets je nu zoiets vaags ’onomkeerbaar verlies van persoonlijke waardigheid’ bij een voltooid leven? Wat is voltooid? Wat is waardig?

Was ’ondraaglijk lijden’ al zo’n subjectieve categorie dat je er nauwelijks vat op kreeg, hier lijkt elke vorm van objectiveerbaarheid uitgesloten. Of en wanneer een leven voltooid is, gedaan is wat gedaan moest worden, alles van waarde achter iemand ligt, elke nieuwe dag een kwelling is, het bestaan als leeg en zinloos beleefd wordt ( allemaal omschrijvingen uit de genoemde nota) – het is volgens de NVVE aan mensen zelf om dat uit te maken. Totale afhankelijkheid, regieverlies, ook die worden genoemd. Daar kun je nog met anderen over steggelen. Maar gevoelens van vernedering, schaamte, ontluistering, ondermijning van eigenwaarde – het zijn en blijven gevoelens.

De kritiek dat het nieuwe criterium niet toetsbaar zou zijn, schiet evenwel haar doel voorbij. Het is immers juist de bedoeling van het criterium dat uiteindelijk niemand anders het zal toetsen dan de levensmoede oudere zelf. De vaststelbaarheid van de mate van lijden is niet langer inzet, het ultieme recht op zelfbeschikking is in het geding.

Door waardigheid zo te subjectiveren en te personaliseren, versmalt de NVVE de reikwijdte die het begrip in onze cultuur heeft. Zij komt met haar nadruk op rationele zelfsturing als kenmerk van menselijke waardigheid dicht in de buurt van Seneca en de Stoa. Niets lijkt dan erger dan het vooruitzicht van dementie. Ook Seneca was daar als de dood voor. Moet je, zo vroeg hij zich af, niet uit het leven stappen voordat het vermogen uitdooft om je af te vragen of het daarvoor tijd geworden is?

Maar hoe erg is dementie? Erger dan voortijdig door anderen afgeschreven en in de steek gelaten te worden?

’Persoonlijke waardigheid’ is een zeer complex begrip. Je kunt het ook breder lezen dan de NVVE doet. Behalve de Stoa en de Renaissance, hebben ook het vroeg christendom en de Reformatie het met betekenis verrijkt en verdiept. Naast Seneca’s brieven aan Lucilius, is er ook de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Het is de moeite waard deze geschiedenis in zijn volle breedte in het debat over levensbeëindiging te betrekken. Ik doe daartoe een voorzet.

Mijn conclusie is dat waardigheid niet als een persoonlijke eigenschap moet worden beschouwd, maar als een relatiegoed. Persoonlijke waardigheid realiseert zich in de erkenning door anderen. Verlies aan waardigheid kan daarom nooit alleen een subjectieve beleving zijn. Pas wie in de ogen van anderen niets meer waard is, heeft zijn persoonlijke waardigheid verloren. Zo’n opvatting van waardigheid doet je misschien toch anders kijken naar de manier waarop onze samenleving met haar uitgebluste tachtigers en negentigers omgaat.

De Stoa koppelde de menselijke waardigheid aan de rede: dat wat ons onderscheidt van de dieren. De christelijke traditie deelde later dezelfde visie, vanuit het geloof dat mensen naar het beeld van God geschapen zijn. Immanuel Kant gaat in dezelfde lijn voort, door menselijke waardigheid aan autonomie te verbinden: het vermogen om onszelf de wet te stellen. Die focus op de menselijke rede maakt alle mensen gelijk en heeft daarmee een enorme democratiserende werking. We hebben er de mensenrechten aan te danken. Persoonlijke waardigheid ligt niet in macht, rijkdom, leeftijd of aanzien verscholen, maar in het vermogen om zelf over goed en kwaad te beslissen. Alle mensen delen erin en vragen daarin om respect en erkenning. Deze invulling van waardigheid is een krachtig instrument tegen elke vorm van discriminatie. We kunnen er racisme en seksisme mee bestrijden. Maar ook ageïsme: discriminatie louter en alleen op grond van leeftijd.

Waarom beschouwen tachtigers en negentigers hun levens als voltooid? Waarom zijn ze klaar met leven? Misschien omdat ze geestelijk ’op’ zijn, de moed, de energie of beide verloren hebben om nog iets nieuws te beginnen. Fysiek zijn het wel overlevers, mentaal hebben ze alle veerkracht verloren. Geen wonder: voor het eerst in de geschiedenis moeten we het massaal een eeuw lang met onszelf zien uit te houden. Geen wonder dat ons dat vaak niet lukt. De Franse socioloog Alain Ehrenberg spreekt over depressies als „la fatigue d’être de soi”.

Maar zijn zij die doodmoe zijn van zichzelf nu ook ’te oud’ om te leven? Dat lijkt me een heel tijd- en cultuurgebonden oordeel. De gemiddelde levensverwachting is nu rond de tachtig, maar kan in de volgende eeuw honderdtwintig zijn. De medische wetenschap garandeert ons nu een lang, maar wellicht straks dankzij wat psychofarmaca ook nog eens een vitaal leven.

Het zou wel eens kunnen zijn dat de hoogbejaarden van vandaag, aan het begin van de evolutie naar een langer leven, te gemakkelijk verinnerlijken wat ze wordt aangepraat. De stilzwijgende culturele code dat je je tijd gehad hebt als je zo oud bent, dat je eigenlijk zo langzamerhand maar eens moet gaan. Maar erkenning van de menselijke waardigheid van ouderen betekent niet alleen hun wens tot zelfbeschikking respecteren. Het betekent ook ze tot hun laatste snik als volwaardige leden van de samenleving beschouwen. Het sociale isolement waaronder veel ouderen lijden, is zo gezien een maatschappelijke misstand, een morele schande, geen legitimatie voor hun levensbeëindiging. We zouden hen langer bij ons moeten willen houden en hen niet zo snel moeten willen laten gaan.

Deze koppeling van waardigheid aan rede heeft ook een keerzijde. Zij democratiseert, maar sluit op haar beurt ook uit. Voor waardigheid moet je immers wel beschikken over basale redelijke vermogens. Sommige mensen zijn dan meer gelijk dan andere. Wie met een verstandelijke beperking geboren is, hoort er eigenlijk niet bij. En als de rede langzaam uitdooft omdat je dementeert, dan verschrompelt per definitie de persoonlijke waardigheid. Alzheimer is een ramp, voor hen die de ziekte hebben en voor hun naasten. Geen discussie daarover. Maar in de collectieve angst voor het verlies van onze cognitieve vermogens drukt zich ook een overschatting uit van het redelijke denkvermogen. Onze menselijkheid zit niet alleen in ons hoofd, maar ook in ons hart, onze huid en onze handen. Zorg voor het lichaam, aandacht voor een levensgeschiedenis, intimiteit met anderen – ook daarin toont zich respect voor persoonlijke waardigheid. Ook al lig je halfdood aan de kant van de weg, wie zich dan naar je toewendt, erkent je als mens.

Er is nog een tweede betekenislaag in het begrip waardigheid. Waardigheid is niet alleen gebaseerd op algemene menselijke eigenschappen. In de westerse traditie is het ook verbonden met de bijzondere sociale positie die mensen bekleden in een samenleving en de reputatie die ze daaraan ontlenen. Daarin zijn mensen juist niet gelijk, maar onderscheiden ze zich. De verworven dignitas – aldus Cicero – wordt iemand toegedicht op grond van maatschappelijke verdienste. Persoonlijke waardigheid is in deze betekenis geen democratische eigenschap, maar een aristocratische deugd. Je wordt er ook niet mee geboren, je doet er vaak een heel leven over om haar te verwerven. Je kunt haar ook verliezen, door haar te grabbel te gooien. Maar in onze samenleving verliezen mensen hun waardigheid vooral doordat zij achteloos vergeten worden. We zijn zo op vandaag en morgen gefocust, dat we gisteren snel de rug toe keren. Oude mensen van nu verklaren we ook al gauw als van gisteren.

Hoogbejaarden praten vaak over het verleden. Dat doen ze niet alleen om hun herinneringen te koesteren, maar ook uit zelfrespect. Hun persoonlijke waardigheid huist ook in wat ze gedaan hebben en in de mens die ze voor anderen geweest zijn. Gevoelens van vernedering, verlies van eigenwaarde – ze berusten niet alleen op de dreigende fysieke aftakeling, maar ook op het feit dat de verworven dignitas door niemand meer erkend wordt. Pas als het te laat is, in een necrologie, pakken we nog eens lovend uit over iemands verdiensten. In hun bejegening speelt het geen rol. Opa moet eens ophouden met het altijd over vroeger te hebben.

Is zulk verlies aan persoonlijke waardigheid onomkeerbaar? Nee, als wij zouden ophouden de verdiensten van mensen af te schrijven, zodra ze verder terugliggen dan de waan van een dag.

Er is nog een derde betekenis van persoonlijke waardigheid. De NVVE refereert daaraan als zij spreekt over ’ontluistering’. Waardigheid als luister heeft lange wortels in de westerse geschiedenis, maar werd pas betrekkelijk laat gemeengoed. De middeleeuwer Boëthius koppelde waardigheid aan de schoonheid van de mens, de mens als kunstwerk. In de hedendaagse levenskunstfilosofie wordt die esthetische invulling breed uitgemeten. Elk mens heeft het in zich een mooi mens te worden, van wie hijzelf en anderen kunnen genieten. Maar ook de christelijke traditie kent deze esthetiek. „U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie”, zegt psalm 8 over de mens. Niet in de rede schuilt het sacrale van het menselijke, maar in zijn schitterende schoonheid. Waardigheid staat hier voor het sublieme geheim van iemands individualiteit. Je kunt het ook gelovig zeggen: elk mens heeft een ziel, ook al beseffen we dat vaak alleen als iemand erop trapt. Wie zijn luister kwijtraakt, raakt zijn glorie kwijt. Wie dat vóór kan zijn, sterft ’een mooie dood’.

Blijkbaar kunnen we bij waardigheid met het taalveld van de ethiek alleen niet toe, en hebben we ook dat van de religie en de esthetiek nodig.

Toch lijkt het me armoedig als we ontluistering één op één koppelen aan afhankelijkheid, decorumverlies en dreigende dementie. Juist het esthetische taalspel kan ons gemakkelijk verleiden om onze definitie van een ’mooi mens’ en een ’mooie dood’ te glossy, te glad en te rimpelloos te maken.

Misschien moeten we wat beter kijken naar de verschrompelde huid en de verweerde geest van oude mensen, om er de schoonheid van te ontdekken. Om er iets van goddelijke glorie in te zien. Misschien zien ze het zelf ook niet meer, moegebeukt door het schoonheidsideaal van de jeugdcultus.

’Ontluistering’ is een tricky woord. Bij alles wat naar het sublieme en sacrale zweemt, past allereerst ontzag en een schroomvolle houding. Je trekt er op gepaste afstand je schoenen voor uit. Zo is het ook met de luister van oude mensen. Afblijven, is mijn eerste impuls. En pas in tweede instantie: God hebbe hun ziel.

Wie zo wat langer en aandachtiger het begrip ’waardigheid’ op betekenis beklopt, komt in een complexe morele wereld terecht. Waardigheid is meer dan zelfbeschikking. Het is ook: menselijke gelijkheid, sociale verdienste, ontzagwekkende luister.

De NVVE zet terecht een maatschappelijk probleem op de agenda dat verdere bezinning verdient. Van het leven kun je blijkbaar genoeg krijgen – niet omdat je niet meer van het leven zou houden, maar omdat je er zo veel van gehad hebt dat er gewoon niets meer bij kan. Je bent ’oud en der dagen zat’ geworden, zegt de Statenvertaling (al spreekt zij over aartsvaders die daarvoor aan een eeuw niet genoeg hadden). Maar het kan: zat, ladderzat worden van leven.

Hoe dan waardig naar het einde toeleven? Ik heb daar geen pasklaar antwoord op, maar ik zou willen dat het debat daarover niet alleen in termen van zelfbeschikking werd gevoerd. Een waardige ouderdom is meer dan een individuele eigenschap. Het is een waarde die generaties met elkaar verwerkelijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden