Ouborg ging tastend rond om een ongeziene wereld weer te geven beeldende kunst

'Heimwee naar het hart der dingen, Piet Ouborg (1893-1956)', t/m 9 jan. in Dordrechts Museum, Museumstraat 40 in Dordrecht, di-za 10-17 uur, zo 13-17 uur. Cat. f 19,50.

Omdat het honderd jaar geleden is dat Ouborg in Dordrecht werd geboren, bewijst het museum in die stad bijzondere eer aan zijn plaatsgenoot: zo'n 220 werken laten zien hoe belangrijk Ouborgs bijdrage aan de moderne kunst in Nederland was. Het grote aantal werken ten spijt, blijft de kijker met een aantal vragen zitten.

Ouborg is niet ouder dan 63 jaar geworden, maar in de jaren dat hij actief was - hij moest het schilderen bovendien combineren met een baan als onderwijzer - heeft hij een groot, constant opgebouwd oeuvre tot stand gebracht. Toch legt de tentoonstelling de nadruk op periodes in zijn leven, die als afzonderlijke brokstukken worden opgediend: veel uit de jaren '30, veel uit de jaren '50. De aanzet, het vroege werk dat zou leiden tot deelname aan het surrealistische avontuur en de ontwikkeling van surrealist naar de visionaire, lyrische abstractie, komen minder goed in beeld.

Deels komt dat doordat Ouborg zelf zijn werk niet compleet bewaarde (tijdens de oorlog was hij zo bang dat de Duitsers het zouden ontdekken, dat hij het voor een deel vernietigde), deels doordat het bij bijvoorbeeld brand verloren ging. Toch bekruipt je het idee dat er voor deze retrospectieve meer in had gezeten: al te zeer is geleund op wat het Dordtse museum zelf bezit en wat uit andere musea kon worden geleend.

Van het vroege werk van Ouborg, zijn eerste figuratieve stappen in de jaren '20, wordt nagenoeg niets getoond. Dat is jammer, want daar ligt toch de sleutel om de vaak zo raadselachtige Ouborg te kunnen ontsluiten. Het mag dan zo zijn dat Ouborg grote belangstelling had voor primitieve culturen (die in Indie op zeer hoog niveau stonden), zijn overwegingen om uit het religieuze karakter van die kunst elementen te gebruiken, komen nu slecht uit de verf. Ouborg was ook een van de eersten die belangstelling hadden voor de kindertekening. Daarin liep hij voor op de Cobraschilders. Die wilden hem na de tweede wereldoorlog maar al te graag in hun beweging opnemen, wat Ouborg zelf afwees. Hoe de schilderkunst zich ontwikkelde, interesseerde hem hevig, maar hij hoefde er zelf niet als sociaal dier deel aan te hebben.

Ouborg was in de jaren '30 een surrealist van het zuiverste water, maar niet in de trant van Breton, De Chirico of Dali. De taal van de psychologisch te duiden symbolen was Ouborg vreemd: geen smeltende horloges, lege huizen of spookachtige landschappen. Hij schilderde al heel gauw in een abstracte stijl; niet in de zin dat zijn werken geen voorstelling kenden, maar dat ze verwezen naar een mystieke, onzichtbare wereld die de schilder innerlijk beleefde. Ouborg is dus geen abstracte schilder geworden via de weg die bijvoorbeeld Mondriaan aflegde: vanuit het kubisme naar een steeds verdergaande abstrahering. Ouborg schilderde wat hij zelf beschouwde als 'de ongeziene wereld'; de vormentaal kan misschien niet benoemd worden, maar is zeker niet zonder betekenis.

Zijn ontwikkeling vertoont op dit punt overeenkomst met die van Amerikaanse abstract-expressionisten als Kline en Pollock die, nadat ze in contact waren gekomen met het werk van surrealisten als Breton en Matta, hun onderbewustzijn raadpleegden voor de weergave van een ongeziene wereld. Net als zij ging Ouborg tastend rond. Harde uitspraken waren hem vreemd, je ziet zijn hand zoekend en vol twijfel het beeld creeren. Alle ratio uitsluitend, ging Ouborg - net als zijn voorbeeld Henri Michaux - zo ver, dat hij de pen automatisch over het papier liet gaan. Deze kleine tekeningen behoren tot het interessantste materiaal op de expositie.

Voor de naoorlogse Ouborg waren, net als voor de Amerikanen, kleur, vorm en ritme van groot belang. Hij borduurde lang voort op het thema 'ritme', dat hij trachtte te koppelen aan een sterk expressionistische uitwerking. Zo maakte hij in de jaren '50 diverse voorstellingen die berusten op een min of meer ovale cirkel die vanuit de kern in snel opgezette lijnen lijkt te willen exploderen. Het wat statische, bedachte karakter van zijn vooroorlogse composities is daar geheel verdwenen. Het is een en al dynamiek, snelheid, op het nerveuze af. Ook zijn jarenlang aangehouden somberheid is dan verdwenen. Ouborg ervoer de oorlogsdreiging in de jaren '30 heel sterk, hij was zich bewust wat er in het westen dreigde (waar Duitsland de reactionairen in de Spaanse Burgeroorlog bijstond) en in het oosten stond te gebeuren (waar Japan ten koste van China en Korea naar gebiedsuitbreiding streefde). De tweede wereldoorlog heeft tot deze tweespalt geleid: er is duidelijk sprake van twee Ouborgs. De tentoonstelling bevat helaas weinig materiaal uit de overgangstijd, zodat je de omslag als heel abrupt ervaart. Dat neemt niet weg dat het werk uit beide periodes geen moment in kwaliteit te kort schiet. Ouborg is als surrealist en als visionair abstract een van de boeiendste deelnemers aan het avontuur van 20ste eeuwse schilderkunst geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden