Otto Ketting op zijn best met gloednieuw werk

Asko | Schönberg met Natalia Zagorinskaja (sopraan), o.l.v. Reinbert de Leeuw: wo 3/3 in het Concertgebouw, Amsterdam.

Eigenlijk had er woensdag in het Concertgebouw een nieuw stuk van Andries van Rossem zullen klinken, een Nederlandse componist wiens muziek te weinig wordt uitgevoerd. Een titel had het werk in wording al, ’Carillon’, maar het was niet op tijd af gekomen.

Van Rossem had in plaats daarvan een bewerking gemaakt van het niet zo heel bekende ’Variations on a Recitative’ van Arnold Schönberg. Een laat werk uit 1941, dat Schönberg oorspronkelijk voor orgel schreef, dat volgens Van Rossem bijna onspeelbaar was en dat ook nog eens in de toonsoort d-klein staat. En dat is bijzonder voor de uitvinder van de twaalftoonstechniek.

Nou gebeurde er in ’Variations’ genoeg om iedere toonsoorten-vastegrond onder je voeten vandaan te trekken . Daarbij was het vooral interessant te horen hoe overtuigend Van Rossem de orgelcontrasten en -registers had vertaald naar Schönbergs ’Kammersymphonie’-bezetting . Het was alsof de ’Variations’ altijd al voor instrumentaal ensemble waren geweest.

Otto Ketting had zijn gloednieuwe ’Kammersymphonie’ (verwijzing naar Schreker) wel op tijd af voor woensdag. Een jaar geleden klonk in hetzelfde Concertgebouw nog de première van ’Trajecten’ voor het Koninklijk Concertgebouworkest. Met de ’Kammersymphonie’ leverde Ketting (1935) een fris en krachtig werk, waarin hij muzikale gestaltes in verschillende gedaantes als personages ontwikkelde en varieerde.

Tak! opende het werk met een slag op een daiko-trom. Waarna slagwerker Joey Marijs een soepele solo boven fanfare-achtig koper wegtimmerde. Om via een weelderig en welgevormd betoog het stuk met zo’n zelfde klap te beëindigen. Het watervlugge kleurenspel in strijkers en blazers, met harp, glockenspiel en piano als glinstering; de weemoedige trompet- en vioolsolo’s en de gonzende strijkerscantilene met accenten in het koper; de Reich-achtige akkoordherhalingen – ’Kammersymphonie’ was Ketting op zijn best.

Een Nederlandse première beleefden woensdag de ’Liederen op gedichten van Anna Achmatova’ van György Kurtág: werken die de Hongaarse componist in een tijdspanne van ruim tien jaar componeerde en in 2008 voltooide, maar die bij elkaar nog geen kwartier duurden – volgezogen universumpjes in al hun postzegeligheid, zoals altijd bij Kurtág.

Neem het lied ’Voronezh’ waarin de componist de ’in ijs geklonken stad’ tot leven liet komen met een windmachine, een sirene en ander slagwerk. Sopraan Natalia Zagorinskaja koppelde woensdag een grote stembeheersing aan het wonderlijk soort van samengebalde expressie die nodig is voor Kurtágs muziek.

Bij de première vorig jaar in New York werden Kurtágs liederen ook gecombineerd met muziek van zijn landgenoot Ligeti, die zich in zijn ’Kammerkonzert’ van eenzelfde aforistische kant liet zien. Maar deze Kammer leek uit elkaar te barsten van rusteloze kriebeligheid, virtuoos insecterig uitgevoerd door dirigent Reinbert de Leeuw en Asko | Schönberg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden