Othello van rechts naar links

,,Abdul Fattah al-Idrissi verzekert mij dat tussen de vijf en zeseneenhalf miljoen mensen vermoord of verdwenen zijn. 'Nog meer dan Hitler,' zegt hij. Omdat ik eraan gewend ben de meest fantastische getallen uit Iraakse mond te horen, zeg ik maar niet dat het mij zeer onwaarschijnlijk lijkt. Die overdrijving drukt vooral de wanhoop uit van een volk dat machteloos staat tegenover de duizelingwekkende gruwelijkheid waarmee het is behandeld.''

Ahmad Hadi is dramaturg, journalist, militair, bon vivant en optimist door dik en dun. Het is een aardige, enorm grote man voor wie de kamertjes een te kleine kooi lijken in het huis waar de redactie van de krant Azzaman ('De Tijd') is gevestigd.

De krant is opgericht door een beroemd journalist van de Iraakse oppositie, Saad Al-Bazaad. Deze ging in ballingschap naar Londen, nadat hij in 1991 had gebroken met Saddam Hoessein, door toedoen van de oudste zoon van de dictator, Oedai. Die had niet alleen het Olympisch Comité, de Voetbalassociatie, de krant Babel en nog veel meer onder zich, maar ook de vakbond voor journalisten. Door de val van het regime komt de krant nu op vier plaatsen uit: in Londen, in de Verenigde Arabische Emiraten, in Basora en in Bagdad. Hier in de hoofdstad verscheen hij voor het eerst op 27 april en de oplage bedraagt al 60.000 exemplaren.

Sinds 9 april verschijnen er massa's kranten, maar de Azzaman wordt algemeen beschouwd als de meest gelezen en misschien wel invloedrijkste krant. Er werken vijfenveertig journalisten, onder wie vijftien vrouwen. Zij passen met de grootste moeite in dit kleine gebouw, waar we amper kunnen ademhalen omdat de ventilatoren om de haverklap stilstaan door stroomuitval. Toch heerst er een energieke, ik zou bijna zeggen vrolijke sfeer en de in- en uitlopende of zich over de computers buigende, bijna allemaal jonge redacteuren, zijn heel aardig.

Even enthousiast en lachend alsof er niets aan de hand is, geeft Hadi me een overzicht van zijn drukke leven. Het was zijn droom aan het toneel te gaan en hij studeerde aan de toneelschool van Bagdad. Zijn afstudeerproject was een adaptatie en montage van De ingebeelde zieke van Molière. Hij wilde carrière maken als acteur en regisseur, maar het regime had een ander plan. Het lijfde hem in bij het leger, bij de artillerie, waar hij elf jaar moest blijven. Acht jaar vocht hij in de waanzinnige oorlog tegen Iran, die door Saddam Hoessein was begonnen en die een miljoen doden opleverde. Ahmad Hadi was al opgeklommen tot kapitein, maar hij hing zijn uniform aan de wilgen.

In 1991, precies toen hij wilde terugkeren naar zijn oude liefde, de planken, barstte de sjiietische intifada tegen de dictatuur uit, waar hij actief aan deelnam. De opstand werd afgeslagen, maar het lukte hem aan de slachtingen te ontkomen en de grens met Saoedi-Arabië over te steken. Tijdens zijn ballingschap nam de regering wraak en werden zijn twee huizen, met alles wat erin was, in brand gestoken. Hij vertelt me dit hele verhaal luid lachend, alsof het een grote grap was, of alsof het slachtoffer van die tragedie iemand was aan wie hij een hekel heeft.

Misschien is Ahmad Hadi zo vrolijk omdat hij, hoewel al in de veertig, nu eindelijk zijn toneelroeping waar kan maken. Zijn stuk De duivel moet gehoorzaamd worden, dat viermaal is gespeeld in een natuurlijk decor temidden van de puinhopen van Bagdad, heeft een enorm succes gehad. Veel mensen hebben mij er zeer lovend over verteld. Er deden negen acteurs en een actrice aan mee, die ook als danseres optrad. Ze waren geschminkt met houtskool, restant van de branden die je overal in de straat van Bagdad ziet liggen.

De kolossale, zwetende, met zijn armen zwaaiende Ahmad Hadi zijn stuk zien uitleggen, is bijna even spannend als een echte voorstelling zien. Het is zijn eigen creatie van Othello. Volgens Hadi had Shakespeare de Iraakse tragedie in gedachten toen hij dit stuk schreef. Bovendien, als je 'Othello' van rechts naar links leest, zoals je het in het Arabisch leest, klinkt het als 'Leota'. Dat betekent: 'Hij moet gehoorzaamd worden.' Volgens mijn vertaler professor Bassam Y. Rashid, die taalkundige is, klopt dit inderdaad. De duivel heeft Ahmad Hadi er zelf aan toegevoegd. Volgens hem is het vanzelfsprekend dat je aan de hel denkt, wanneer een maatschappij aan een irrationele en vernietigende kracht 'moet gehoorzamen'. Jaloezie, losgeslagen haatgevoelens, rivaliteit, naijver, misdaad en verraad tekenden het klimaat in de paleizen van de despoot. Het verraad van Jago, verzekert Hadi mij, is symbolisch voor de doortraptheid van de chef van de generale staf van Saddam Hoessein. Die heeft uit jaloezie Bagdad overgedragen aan de Amerikanen zonder de Iraakse soldaten de kans te geven te strijden. Geen twijfel mogelijk: zijn versie van Othello geeft weer wat Irak in al deze jaren heeft beleefd. Vandaar dat de inwoners van Bagdad zich er perfect in herkenden.

Dit is de enige uitspraak van Ahmad Hadi die kan worden opgevat als verborgen kritiek op de coalitietroepen. Verder is hij een en al dankbaarheid en vertrouwen in de Iraakse actualiteit. 'Ik ben optimistisch om een heel simpele reden: er kan niets erger zijn dan Saddam Hoessein. Na deze gruwelijke ervaring kan het alleen maar beter gaan.'

Zodra de CPA de voorlopige regering van Irak heeft benoemd, die uit aanzienlijke personen zal bestaan en waarin volgens zijn stellige overtuiging het hele politieke spectrum van het land zal zijn vertegenwoordigd, zal de bevolking nieuw vertrouwen krijgen, de orde worden hersteld en de dienstverlening weer functioneren, denkt Hadi. Volgens hem verlangen de Irakezen ernaar in vrede te leven, zonder haat en zonder geweld, en een moderne, tolerante, seculiere en pluralistische democratie op te bouwen naar het voorbeeld van het Westen. Dit is wat de Azzaman voorstaat en zelf ook toepast. In deze krant kunnen allerlei verschillende meningen worden geschreven, zonder enige beperking. Zelfs in de meest gepolitiseerde religieuze sectoren van zowel sjiieten als soennieten, hebben niet de extremisten maar de gematigden het op dit moment voor het zeggen. Deze mensen streven naar een vreedzame samenleving en willen niet dat de nachtmerrie van de Baathpartij zich herhaalt.

Het volk zal de afgelopen 35 jaar nooit vergeten. De massagraven met de lijken van verdwenen, gemartelde en geëxecuteerde mensen, die nu overal in alle provincies van Irak tevoorschijn komen, helpen eraan herinneren. De getallen die hij mij met woedende stelligheid noemt, zijn zelfs nog hoger dan die ik had gehoord bij de Vereniging van Vrije Gevangenen. Het duizelt me. Ik weet dat ze overdreven zijn, maar ook al trek je er flink wat van af, dan blijft het resultaat toch verschrikkelijk. Steeds als ik Iraakse getuigenissen hoor over de gruwelen van Saddam Hoessein moet ik aan de Dominicaanse Republiek denken en aan de dingen die ik daar heb gehoord over de 'heldendaden' van generalissimo Trujillo.

Als hij mijn ongelovige gezicht ziet, bezweert Ahmad Hadi me bij hoog en bij laag dat het cijfer acht miljoen voor de slachtoffers van de Baathpartij absoluut realistisch is. Ik zeg hem dat ik naar Irak ben gekomen om niet alleen de waarheden, maar ook de fictie te horen waarin de Irakezen geloven. Want de leugens die een volk bedenkt drukken vaak een diepe waarheid uit en zijn even leerzaam voor het begrijpen van een dictatuur als de objectieve waarheid. Hij houdt vol dat de berg van acht miljoen lijken de historische waarheid dicht nadert. Hij voegt eraan toe dat je alleen de lijken hoeft te tellen in de massagraven die sinds april tevoorschijn zijn gekomen: minstens drie in elke provincie van Irak. In één daarvan, in Babel, lagen zo'n honderdvijftienduizend lijken. Dat lijkt mij de stad met de meeste vermoorde mensen waarover ik heb gehoord sinds de nazi-slachtpartijen tijdens de holocaust. Hij geeft me nog meer gruwelstatistieken: in de stad Shanafia van amper twintigduizend inwoners, zijn al bijna vijfentachtigduizend stoffelijke overschotten geteld, slachtoffers van de moordlustige furie van de Baathpartij en van Saddam Hoessein.

Door een verleden met zoveel afgrijselijke gebeurtenissen, moet je, ondanks het uitvallen van water en elektriciteit, de anarchie en de onveiligheid, toch wel hoopvol zijn voor de toekomst? Ahmad Hadi wil zware sancties voor Saddam Hoessein, diens zonen en handlangers. Hij is er echter niet voor dat ze voor een internationaal tribunaal worden geleid. Zij moeten hier worden geoordeeld, door Iraakse rechtbanken en rechters. Het moet een voorbeeld zijn, opdat Irak voor eeuwig immuun zal zijn tegen dictaturen.

Ik vraag hem of er in zijn land nu absolute vrijheid is om te schrijven en te publiceren. 'Er heerst een absolute vrijheid zoals nog nooit is vertoond in de Iraakse geschiedenis.' Ook op economisch vlak moeten de mensen die werk hebben toegeven dat hun toestand is verbeterd (voor de werkloze meerderheid is dat natuurlijk anders). In de tijd van Saddam Hoessein verdienden journalisten zo'n vijf dollar per maand. Op dit moment verdienen ze het equivalent van tweehonderd dollar. Dat is toch een enorme verbetering? Hij vertelt me dat hij met zijn eerste salaris snel een ontbrekend onderdeel kocht voor zijn ijskast, die al twee jaar kapot was. Maar zijn vrouw, die onderwijzeres is, heeft haar eerste salaris uitgegeven aan de bevrijding: zij kocht een schotel waarmee ze nu televisieprogramma's van over de hele wereld kunnen bekijken. En ze is er heel blij mee!

Ahmad Hadi komt uit een gebied in het zuiden dat wordt begrensd door de mystieke sjiietische steden Najaf en Kerbala. Hij nodigt mij uit om mee te gaan naar zijn mooie geboortegrond. Maar het gaat hem niet om de heiligheid van die plaatsen, maar om aardser zaken. 'Tussen Najaf en Kerbala wordt de beste rijst van het hele Midden-Oosten verbouwd,' zegt hij enthousiast. 'Ga mee, dan zal ik iets heerlijks voor u koken dat u de rest van uw leven niet zult vergeten.'

Ik verlaat de krant en maak een wandeling door het centrum van Bagdad. Ik heb het gevoel alsof ik door een wereld loop die is veroverd door de omringende woestijn. Alles is aardkleurig, de voorgevels van de gebouwen, de pleinen en de bomen, de monumenten en zelfs de gezichten en kleren van de mensen. De kurkdroge deeltjes zweven in de lucht en dringen met hun zandsmaak door in de mond en de neusgaten. Op het Al Ferdaws-plein (het Paradijsplein) waar het reusachtige beeld van Saddam Hoessein stond dat de televisiekijkers over de hele wereld naar beneden zagen komen op de dag dat de coalitietroepen de stad binnentrokken, staat nu een boodschap in zwarte verf voor de Amerikanen in plaatselijk Engels: 'All done/ Go home.'

Ik heb de laatste weken als een gek zitten lezen om tenminste enig idee te krijgen van het land waar ik naartoe ging. Er was een steeds terugkerende straatnaam: Al Rachid, in de jaren veertig en vijftig de commerciële slagader van Bagdad. De droom van rijke families uit het hele Midden-Oosten die daar in de zeer luxueuze winkels boodschappen gingen doen. Ik word dieptreurig als ik erdoorheen loop, want nu moet ik er stinkende vuilnishopen, wroetende, magere honden en puin omzeilen. Er is veel fantasie voor nodig om de oude herenhuizen van de rijken en de verdwenen elegante winkels van het Bagdad van een halve eeuw geleden te herkennen in deze kapotte, leeggehaalde en in brand gestoken gebouwen. Inderdaad een toneeldecor. Veel gebouwen staan op instorten. Maar in de galerijen zit een handjevol buren op bankjes of op de grond, zonder angst voor de ramp, rustig te praten.

De Al Rachid wordt gekruist door een kleine straat, Al Mutavani, waar elke vrijdagochtend een tweedehands boekenmarkt is. Ik ben er tweemaal geweest en ik voelde me heel tevreden en enorm gestimuleerd te midden van die kleurige menigte van snuffelende, vragende, kopende of verkopende mensen. Sommige van die boeken en tijdschriften waren al zo oud dat de bladzijden verpulverden zodra je ze omsloeg. Het is een smal, ongeplaveid straatje vol huizen in puin, maar warm en gastvrij, het toneel van een levendige handel. In Bagdad wordt veel gelezen, dat is duidelijk. Er lopen mensen van alle leeftijden, sommigen met geld, maar de meesten heel arm. Gretig bladeren zij in de grote religieuze boeken, kijken verbaasd naar tijdschriften met halfnaakte balletdanseressen op de voorkant of wijzen naar oude krantenkoppen. Er zijn grote foto's van vermoorde of verbannen ayatollahs en imams, en ook van politici en revolutionairen. Verder zie ik communistische pamfletten en veel poëziebundels. In een van de stalletjes vind ik de memoires van Pablo Neruda Ik beken ik heb geleefd, in het Perzisch vertaald en in Teheran uitgegeven.

Aan het eind van de dag gaan we naar The White Palace, een van de weinige restaurants in Bagdad die nog open zijn. Hopelijk ontkom ik hier aan die vervloekte gebraden kippen waar ik onterecht een ongelooflijke hekel aan heb gekregen. De specialiteit is cusi, gekruid lamsvlees met witte rijst. Iets heel lekkers, wordt mij verzekerd. Maar ik kan er helaas geen koud bier bij drinken omdat er geen alcoholhoudende dranken worden verkocht. Mijn vrienden zijn verbaasd: ze hebben hier een paar dagen geleden nog bier gedronken. De verklaring is dat fanatieke gelovigen van restauranteigenaars zijn gaan eisen, onder bedreiging met de dood, dat ze zich aan de drooglegging houden. Het geeft niet, zelfs met water, zou Ahmad Hadi hebben gezegd terwijl hij zijn vingers aflikte, is deze cusi echt verrukkelijk!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden