Osj zal nooit meer dezelfde stad zijn

Het etnische geweld in het Centraal-Aziatische land Kirgizië heeft diepe wortels. De dichtbevolkte Ferganavallei, zo groot als België, kent een rijk verleden. Maar de streek heeft ook de twijfelachtige reputatie van een etnisch kruitvat dat elk moment kan exploderen.

Er was een tijd dat de bewoners van de Ferganavallei zich nauwelijks druk maakten om hun etnische identiteit of die van hun buren. Of je nu Oezbeek was, Kirgies of Turk deed er niet veel toe. Veel belangrijker was tot welke clan je behoorde, je verbondenheid met plaats of streek, je sociale status en religie, en of je nomade was of juist niet.

Het veranderde allemaal met de komst van de Russen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Moskou wilde dat de nieuwe gebiedsdelen van het Russische rijk nauwgezet in kaart werden gebracht en dat betekende dat de nieuw onderworpen volken moesten worden geclassificeerd. Zo kwamen de Oezbeken op de kaart, de Tadzjieken, Kirgiezen, Kiptsjaken, Sarten, Karakalpaken en anderen.

„Voor de Kirgiezen waren traditioneel vooral de familieclans belangrijk, de Oezbeken hadden diverse stammen waarmee ze zich identificeerden”, zegt Daniil Kislov. Hij is geboren in de stad Fergana en is hoofdredacteur van een website die actuele informatie over de vallei publiceert. „In het Russische rijk en de Sovjet-Unie waren ze gedwongen zich onder druk van de autoriteiten te identificeren als Oezbeken of Kirgiezen. En dat terwijl veel Oezbeken en Kirgiezen in het zuiden van Kirgizië tot een en dezelfde stam behoren, de Kiptsjaken, een volk dat tegenwoordig van de kaart is verdwenen. Maar historisch gezien hebben ze dezelfde wortels.”

De Ferganavallei is een gebied zo groot als België. Met elf miljoen inwoners is het de dichtst bevolkte streek van Centraal-Azië. De vallei wordt bewoond door een mengelmoes aan volken, die hier in de loop van de geschiedenis zijn blijven plakken. Ingeklemd tussen de bergketens van de Tjan-Sjan en Pamir is het geen echte vallei, maar eerder een uitgestrekte vruchtbare vlakte in een regio waar goede landbouwgrond schaars is. Dat verklaart de grote bevolkingsdichtheid in dit gebied.

De eerste associatie met de naam Fergana is een andere. De afgelopen tientallen jaren is de streek geteisterd door bloedige etnische conflicten die aan vele honderden en waarschijnlijk duizenden mensen het leven hebben gekost. Steeds hadden die conflicten een andere achtergrond, maar ze bevestigden de twijfelachtige reputatie van de vallei als een etnisch kruitvat dat elk moment kan exploderen.

In 1989 leidde een vechtpartij tussen Oezbeken en Turken in de Oezbeekse stad Fergana tot massale rellen, die aan tientallen mensen het leven kostten en uiteindelijk leidden tot de vlucht van 90.000 Mescheten-Turken (die zelf in 1944 op last van Sovjetdictator Stalin waren gedeporteerd naar Centraal-Azië vanuit Georgië) en andere bevolkingsgroepen.

Een jaar later brak de hel los in de Kirgizische stad Osj, na een geschil over de verdeling van grond tussen Kirgiezen en Oezbeken. Er vielen honderden slachtoffers en de herinnering aan de ’gebeurtenissen van 1990’ hing sindsdien als een zwaard van Damocles boven de stad.

In 2005 openden Oezbeekse troepen het vuur op een menigte mensen in de stad Andizjan. Er vielen honderden burgerdoden, en Oezbekistan kreeg felle internationale kritiek. Volgens de machthebbers in Tasjkent had het leger een staatsgreep van radicale islamitische groepen verijdeld. Die hadden enkele jaren eerder bomaanslagen gepleegd in de Oezbeekse hoofdstad Tasjkent en zouden de laatste jaren sterk aan invloed hebben gewonnen in de Ferganavallei.

„Al die gebeurtenissen hebben verschillende oorzaken en je kunt ze daarom niet over een kam scheren”, zegt Daniil Kislov. „Bij discussies over de Ferganavallei noemen deskundigen altijd het onderontwikkelde politieke systeem, de problemen van de grenzen die in de Sovjet-Unie geen betekenis hadden maar nu reëel zijn en de situatie zeer hebben bemoeilijkt, problemen met de waterhuishouding en hydro-energie, problemen van religieus extremisme. Maar we zien dat bij de gebeurtenissen van Andizjan in 2005 en de huidige massamoord in Osj geen van die factoren doorslaggevend bleek te zijn. We hebben ons allemaal vergist.”

Volgens Kislov is de Ferganavallei in feite ’een relatief gunstige plek’. De excessen die hebben plaatsgevonden kwamen telkens uit een onverwachte hoek. „In Andizjan spraken de autoriteiten van een poging tot gewapende overname van de macht.

Het was gewoon een vreedzaam volksprotest tegen de willekeur van de autoriteiten, het rechtssysteem, de politieke en economische druk. En in Osj zien we een concrete provocatie van mensen die de macht hebben verloren en de gespannen verhoudingen tussen Kirgiezen en Oezbeken gebruiken om hun eigen doelen te verwezenlijken.”

Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 had grote gevolgen voor de vallei. De vaak willekeurig getrokken grenzen tussen de vroegere Sovjetrepublieken, waarvan tot dan toe maar weinig mensen wisten waar ze precies lagen, werden ineens reële scheidslijnen tussen de nieuwe, onafhankelijke staten. Er kwamen paspoorten en grensposten. Wie vanuit het nieuwe land Oezbekistan de dagelijkse gang wilde maken naar de grote bazaar in Osj moest daarvoor de grens over en dat was een geheel nieuwe gewaarwording. Het gevolg was ook dat de Oezbeken in het zuiden van Kirgizië zich van de ene dag op de andere een etnische minderheid voelden, net als de pakweg 500.000 Kirgiezen die in het Oezbeekse deel van de Ferganavallei woonden.

Het ontstaan van verschillende landen met verschillende politieke regimes leidde ook tot een mentaliteitsverandering bij de bewoners, gelooft Daniil Kislov. „De Oezbeken in Kirgizië zijn vrijere, liberalere mensen, die al twintig jaar in een meer open samenleving wonen. Kirgizië was van het begin af een eiland van democratie in Centraal-Azië, met een weliswaar chaotische maar toch reële markteconomie. Dat in tegenstelling tot Oezbekistan, waar sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een planeconomie, een politiestaat en een totalitair regime zijn gehandhaafd die ook het karakter van de mensen vormen.”

Dat verklaart volgens hem ook waarom de Oezbeken in Kirgizië weinig op hebben met het buurland Oezbekistan. „De afgelopen jaren beschuldigden de Kirgiezen de Oezbeken er vaak van dat zij aansluiting nastreefden bij Oezbekistan. De Oezbeken ontkenden dat en zeiden dat zij de Oezbeekse dictator Karimov haten, dat ze hebben gezien hoe hij heeft huisgehouden in Andizjan, dat ze zo niet willen leven. Ze zeggen: ’Wij leven in ons eigen Kirgizië, wij zijn burgers van Kirgizië en patriotten van ons land.’ Dat is waar. Ze willen dat niet. Nu zijn ze uit wanhoop gedwongen bescherming te zoeken bij Oezbekistan en de grens over te steken.”

De situatie veranderde na de ’tulpenrevolutie’ van 2005, die een eind maakte aan het bewind van president Askar Akajev. Zijn opvolger, Koermanbek Bakijev, bleek uiteindelijk geen haar beter en zette Kirgizië op een autoritaire koers. Meer nog dan Akajev maakte Bakijev zich schuldig aan nepotisme. Hij installeerde familieleden en getrouwen op prominente plaatsen en zou voor miljoenen euro’s aan staatsgeld hebben verduisterd. Zijn broer Achmat had nauwe banden met de onderwereld in het zuiden van Kirgizië.

Maar Bakijev joeg ook steeds meer Oezbeken tegen zich in het harnas door vertegenwoordigers van deze minderheid uit overheidsposities te weren. Bakijev trad ook met harde hand op tegen religieuze organisaties als de Hizb ut-Tahrir, die zegt met vreedzame middelen te streven naar een islamitisch kalifaat. Deze maatregelen leidden vooral in het armere zuiden tot een radicalisering van de bevolking.

De val van Bakijev tijdens een volksopstand in april en het aantreden van een interim-regering onder Roza Otoenbajeva leek dit tij te keren. De Oezbeken voelden dat aan. Tijdens een massabijeenkomst in Jalal-Abad op 12 april riep een van de meest gezaghebbende Oezbeekse leiders, Katyrzjan Batyrov, de duizenden aanwezigen op met legale middelen te streven naar verbetering van hun positie, inclusief de verlening van een speciale status voor de Oezbeekse taal in streken waar veel Oezbeken wonen. Veel Kirgiezen bezagen de plotselinge activiteit van de Oezbeken met gemengde gevoelens.

De Kirgizische autoriteiten zeggen bewijzen te hebben dat Bakijev en zijn entourage gebruik hebben gemaakt van de groeiende spanningen en het recente geweld in en om Osj hebben geïnspireerd. Oud-premier Feliks Koelov, nu leider van een oppositiepartij, heeft Bakijevs broer Zjanysj, de voormalige chef van de staatsbewakingsdienst, aangewezen als de hoofdschuldige.

Anderen vermoeden dat de achtergrond eerder een criminele dan politieke achtergrond heeft. De gevechten zouden mogelijk het gevolg zijn van geschillen tussen criminele groepen. Waar wel consensus over lijkt te bestaan, is dat de onlusten niet louter zijn terug te voeren op onmin tussen twee bevolkingsgroepen.

„De gebeurtenissen zelf begonnen nadat onbekenden in een Kirgizische wijk bij een plaatselijke criminele Kirgizische jeugdbende de lichamen brachten van verminkte, vermoorde en verkrachte meisjes”, zegt Daniil Kislov. „Ze zeiden daarbij dat die meisjes afkomstig waren uit Batken en dat een groep Oezbeken hen had verkracht, gelyncht, hun borsten had afgesneden en op andere wijze hun dode lichamen had verminkt. Onmiddellijk daarna is een groep van die criminele jongeren een Oezbeekse wijk binnengetrokken om wraak te nemen. Een kettingreactie volgde. Iedereen haalde de wapens tevoorschijn.”

De feitelijke strijd in Osj werd gevoerd door een groep van enkele honderden mannen. De meeste bewoners verschansten zich in hun huizen. Kirgiezen en Oezbeken bewaakten gezamenlijk hun straten en vormden bij het ontbreken van politiebescherming vrijwillige volksmilities, maar konden vaak weinig uitrichten. Talrijk zijn ook de verslagen over Kirgiezen die hun Oezbeekse buren verstopten in hun kelders en hen hielpen Osj te ontvluchten, vaak met gevaar voor en soms ten koste van het eigen leven.

Onbekende mannen met maskers op en gehuld in camouflagepakken schoten op alles wat bewoog, Oezbeken en Kirgiezen. Volgens Kislov en andere waarnemers zijn dat aanwijzingen dat er provocateurs waren, die Kirgiezen en Oezbeken tegen elkaar op wilden zetten. Centraal-Azië-expert Arkadi Doebnov is ervan overtuigd dat in Osj Tadzjiekse huurlingen zijn ingezet om het geweld aan te wakkeren. Doel: aantonen dat de tijdelijke regering in hoofdstad Bisjkek machteloos is en om een referendum over een nieuwe grondwet, gepland voor 27 juni, te dwarsbomen. Dat referendum zou de nieuwe machthebbers de legitimiteit moeten geven die ze nu ontberen. Of dat doel bereikt is, is nog onduidelijk.

Duidelijk is wel dat de stad Osj nooit meer dezelfde zal zijn. „De stad zoals we die tot nu toe kenden komt nooit meer terug”, zegt Kislov. „De Oezbeken die zijn vertrokken hebben geen plek meer om naar terug te keren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden