Orhan Delibas

Orhan Delibas (Kayseri, 1971) is bokser. Na een bliksemstart in Nederland en een mislukte carrière in de Verenigde Staten, tekende Delibas een contract bij een Duitse promotor. Als professional bleef hij tweeëntwintig wedstrijden ongeslagen. Tot hij op 7 juni de strijd om de Europese titel in het zwaarweltergewicht verloor. Delibas, die te kennen had gegeven bij verlies te stoppen met boksen, hoopt inmiddels op een nieuw gevecht.

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,Bugün Allah için ne yaptin? Wat heb je vandaag voor Allah gedaan? Dit soort teksten zie je in Turkije overal hangen. Het zijn niet zo maar postertjes aan de muur - als het goed is, bedenk je je daardoor 's avonds in bed of je die dag eigenlijk wel iets goeds hebt gedaan. Ik denk niet dat het gezond is als je voortdurend aan Allah denkt, maar het is wel belangrijk om in gedachten te houden dat je alles aan Hem te danken hebt. De Koran kent ook de nodige geboden: je moet de armen helpen, vijf keer per dag bidden, vasten, als het mogelijk is één keer in je leven naar Mekka gaan en nog een paar van die regels. Ik probeer mij eraan te houden, maar ik ben toch vooral met de sport bezig. Boksen vergt veel van mijn lichaam; als ik niet mag eten, of onvoldoende vitamines binnenkrijg, gaat het mis. Ik houd mij dus niet aan de ramadan en dat vind ik eigenlijk wel erg. Ik hoop maar dat Allah er begrip voor heeft. Ik moet toch ook voor mijn familie zorgen? Mijn vrouw en kinderen zijn van mijn inkomen afhankelijk. Ik zou pas een zonde begaan als ik een ander beroep had en tóch niet zou vasten. Denk ik. Ik probeer goed te zijn voor mijn medemensen - dat is volgens mij voor alle geloven de belangrijkste regel. Als ik nu mijn best doe, krijg ik na dit leven misschien nóg een leven. Dat heb ik tenminste geleerd toen ik nog heel klein was. Ik geloof niet echt dat er mensen branden in de hel, maar ik geloof wel dat je later op een of andere manier zult lijden voor het kwaad dat je een ander nu aandoet.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Allah is ongrijpbaar. Allah is niet te zien. Allah is een gevoel. Ik heb nooit de neiging gehad om een beeld van Hem te aanbidden. Ik bezit ook geen talisman of iets dergelijks, maar ik heb wel mijn bijgeloof. Ik doe altijd eerst mijn rechter bokshandschoen aan en ga, voor een wedstrijd, tien keer door de touwen. Ik bid iedere keer weer of ik gezond uit de strijd mag komen. Kijk, je kunt natuurlijk niet op je luie reet gaan zitten en van Allah verwachten dat Hij het allemaal voor je zal opknappen. Je moet hard trainen. Als ik win, heb ik dat vooral aan mezelf te danken. Maar ik krijg wel een beetje hulp van Hem. Ook in dat opzicht wil ik op Mohammed Ali lijken die inzag dat hij zonder Allah verloren was en zich tot de islam bekeerde. Ik ben gek geweest op Tyson, maar die heeft - na dat verkrachtingsverhaal - voor mij afgedaan. Er is er maar één. En dat is Ali.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Niet dat ik zo snel boos ben, maar ik kan wel vreselijk schelden. Tering hier, tering daar - voor mij is dat gewoon taalgebruik. Het stelt ook niet zoveel voor. Ik ben beslist geen heilige, maar de naam van Allah zal ik nooit op een verkeerde manier gebruiken. En ik weet ook wel wanneer ik kan schelden en tegen wie. Ik ga natuurlijk niet tegen mijn vader tekeer. Vloeken doe ik vooral onder vrienden.''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Wij kennen de sabbat niet. Moslims gaan op vrijdagmiddag naar de moskee. Na het bidden ga je gewoon weer door met waarmee je bezig was. Ik ga in Keulen, waar ik train, zo vaak mogelijk bidden. Niet omdat het moet, maar gewoon omdat ik er behoefte aan heb. Thuis ga ik minder vaak omdat ik niet wil dat mensen zeggen: 'Kijk, daar gaat Delibas. Die moet zo nodig laten zien dat hij gelovig is.' Turken roddelen heel erg. Vooral de vrouwen. Ze bemoeien zich met alles en iedereen. Het laat mij koud wat andere mensen doen. Dat er over mij wordt geroddeld vind ik wel erg, maar ik zal het nooit laten merken.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Misschien heb ik in de ogen van anderen een strenge opvoeding gehad, maar voor mij was het heel normaal. Mijn ouders hebben mij op de wereld gezet. Zij hebben mij waarden en normen meegegeven. Ik heb een goede basis meegekregen, waarbij respect helemaal bovenaan het lijstje staat. Daar ben ik mee grootgebracht. Als mijn vader de kamer binnenkomt, sta ik op. En als ik hem een paar dagen niet heb gezien, kus ik zijn hand. Ik zal mijn vader nooit tegenspreken. Als hij zegt: 'Dit is wit' - terwijl iedereen ziet dat het zwart is - dan is het wit.

Ik ben als kind bang voor hem geweest. Maar dat had ook te maken met het feit dat ik hem in de eerste jaren van mijn leven niet zo vaak heb gezien. Hij werkte in Nederland, ik groeide op in Turkije. Als hij thuiskwam, moest ik altijd erg aan hem wennen. Toen ik ook naar Nederland verhuisde en hem iedere dag zag, ging het een stuk beter. Al zijn er momenten geweest waarop ik hem - als ik weer eens op mijn lazer had gekregen - echt haatte. Helemaal boven op zolder hing een zak waarop ik een paar ogen en een mond had getekend. Deze moest mijn vader voorstellen. Als ik kwaad op hem was, sloeg ik zo hard mogelijk op die zak in. En na een tijdje was ik dan weer afgekoeld. Ik begreep ook wel waarom hij zo streng was; geen ouder ziet zijn kind graag het slechte pad opgaan. Ik heb door die opvoeding ook geen verkeerde dingen gedaan; ik heb als tiener alleen maar kattenkwaad uitgehaald. En zelfs daarvoor kon ik al behoorlijk op mijn donder krijgen.

Ik heb het mijn Nederlandse vrienden vaak moeten uitleggen; het heeft ook met verschillende culturen te maken. Ik heb heel wat Nederlandse kinderen gezien die zich niets van hun ouders aantrekken. Dat is toch ook niet goed? Eerlijk gezegd geloof ik dat een opvoeding zonder respect het begin van alle ellende kan zijn. In Turkije zijn de families hecht, daar is ontzag voor ouderen vanzelfsprekend.

Het was voor mijn vader een groot probleem dat ik had gekozen voor een Hollandse vrouw. Ik had voor Jolanda ook al Nederlandse vriendinnen gehad, maar deze keer was het serieus. Op een dag heeft mijn moeder hem verteld dat ik met haar wilde trouwen. Nee, zoiets zeg je niet zelf tegen je vader. Natuurlijk niet. Ik ga hem toch niet beledigen? Zaken die gevoelig liggen, behoor je met je moeder te bespreken. Het eerste wat hij er tegen mij over zei was: 'Rot maar op.' Als ik met deze vrouw zou trouwen, was ik niet langer welkom in de familie. Ik ben het huis uitgegaan en een paar weken weggebleven. Toen hij in de gaten kreeg dat ik het meende, heeft hij zich bedacht dat hij zijn enige zoon hierom niet wilde verliezen. Ik heb het precies lang genoeg volgehouden en gelukkig nooit een keuze hoeven maken. Ik zou waarschijnlijk wel naar huis zijn teruggegaan, maar ik geloof niet dat ik mijn trouwplannen had opgegeven. Uiteindelijk is hij helemaal bijgedraaid en heeft hij mijn besluit geaccepteerd. Als we nu een paar dagen niet zijn geweest, belt hij ongerust op. 'Waar blijven jullie nou? Is er iets mis?'

Ik heb nu zelf twee jongens. Ze moeten mij respecteren, maar niet op de manier waarop ik mijn vader respecteer. Ze mogen mij best ongelijk geven. Ach, misschien gaat het tussen mijn vader en mij wat dat betreft ook al iets soepeler. Ik durf de laatste tijd wat vaker te zeggen: 'Nou, pa, weet u wel zeker dat het wit is?' Maar als hij toch blijft volhouden, dan zwijg ik er over. Ik vind het niet nodig om hem op zijn hart te trappen.

Ik ben trots op mijn vader. Of hij ook trots op mij is, weet ik niet. Laten we het hopen. Hij heeft het in ieder geval nog nooit gezegd. Hij denkt vast dat ik naast mijn schoenen ga lopen als ik zoiets van hem te horen krijg. Ik geloof wel dat hij trots op mij is. Tegen mijn moeder heeft hij er wel eens iets over gezegd. Heel af en toe denk ik: waarom zeg je dat niet tegen mij? Maar ik weet hoe hij in elkaar steekt. Ik probeer zoveel mogelijk naar zijn ideeën te leven, maar ga ondertussen wel mijn eigen gang. Als ik bij mijn ouders ben, gedraag ik mij volgens hun verwachtingen en thuis heb ik mijn eigen gezin. Dat zijn twee totaal verschillende werelden, maar daar ga ik echt niet onder gebukt. Ik geloof dat het mij aardig lukt om een goede zoon én een goede vader te zijn.''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Ik weet dat ik een tegenstander - als ik hem te hard knock-out sla - kan doden, maar als ik daar iedere keer bij zou blijven stilstaan, kan ik beter stoppen met boksen. Als je angstig bent, moet je geen bokser worden. Natuurlijk, het is een contactsport, maar er komt ook heel wat denkwerk bij kijken. Het is niet zo dat je met je ogen dicht de ring instapt en dan maar een beetje om je heen begint te slaan. Zo werkt dat niet. Ik wil de sterkste én de slimste zijn. Als je een potje gaat dammen, wil je toch ook winnen? Soms zie ik, later op de video, iemand vreselijk onderuitgaan en denk: goh, zonde van die jongen. Maar op het moment van de k.o. ben ik gewoon erg blij. Dat is puur sport - ik ga er helemaal in op. Buiten de ring ben ik heel rustig, maar bij de bel voor de eerste ronde gaat er een knopje om. Het is net een televisietoestel. Ik zie geen mens tegenover mij staan, maar een bokser - die óók wil winnen. Ik weet niet zo goed hoe ik dit moet uitleggen. . . In eerste instantie wil ik hem natuurlijk zo snel mogelijk uitschakelen. Maar als iemand te hard k.o. gaat, is dat niet alleen mijn schuld. Een lichaam dat goed getraind, goed uitgerust is, hoeft niet zoveel last van een k.o. te hebben. Ik ben niet verantwoordelijk voor mijn tegenstander. Ik zou me zeker schuldig voelen als iemand zou bezwijken onder mijn slagen, maar op dat moment sta ik daar niet bij stil. Het enige wat telt is winnen. Bovendien gaan mensen uit vrije wil de ring in. Boksers worden door niemand gedwongen om te vechten. Ik ook niet. De enige die me iedere keer weer vraagt om ermee op te houden, is mijn moeder. O, ik kan mij heel goed een leven zonder boksen voorstellen hoor. Ik ben tenslotte ook de jongste niet meer. Een bokscarrière duurt nooit lang. En voor het trainerschap heb ik veel te weinig geduld. Het liefst zou ik iets gaan doen wat helemaal niets meer met boksen te maken heeft. Ik ben nu alleen maar weg, trainingskamp hier, wedstrijd daar. Straks wil ik rust. Thuis zijn.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Volgens mij speelt het geloof hierin geen enkele rol. Je bent, in eerste instantie, zelf het belangrijkst: als je ongelukkig bent in een relatie heeft het geen zin om ermee door te gaan. Maar je moet er natuurlijk wel voor proberen te zorgen dat het huwelijk in stand blijft. Ik moet toegeven dat ik gevoelig ben voor de aandacht die ik van al die vrouwen krijg - het is echt niet altijd even gemakkelijk om daar nooit op te reageren. Maar ehh. . ., dit vind ik eigenlijk niet zo'n interessant onderwerp. Is het niet meer iets voor Privé of Story? Nee? Nou, laat ik het dan zo zeggen: ik vind het leuk om te flirten, maar ik weet precies tot hoe ver ik kan gaan. Ze liggen soms letterlijk aan mijn voeten. Ze sturen me slipjes en cassettebandjes met love-songs over de post. Maar ik sta stevig in mijn schoenen. Bovendien: als een meisje meteen met je naar bed wil, deugt ze niet.''

8. Gij zult niet stelen

,,Ik heb wel eens wat kleingeld uit de portemonnee van mijn moeder gestolen. En op de middelbare school ben ik een paar keer met een stel vrienden een snoepwinkel binnengestapt om te kijken wie er het meest kon jatten. Ik stond daar met het zweet op mijn voorhoofd. Op een gegeven moment heb ik die jongens wijsgemaakt dat het helemaal niet stoer was om te stelen. Maar het had veel meer met angst te maken. Voor diefstal ben ik veel te schijterig. Bang dat iemand erachter zou komen. Ja, inderdaad: we komen weer bij dat ene gebod uit. Ik was vooral bang dat mijn vader het te weten zou komen. Ik weet niet wat er dan zou gebeuren. Mijn vader heeft mij één of twee keer in mijn leven geslagen. Waarom weet ik niet meer, maar hij zal er vast een goede reden voor hebben gehad. Hij sloeg me met zijn blote handen. Nooit met een stok of een riem. Mijn moeder heeft ook wel eens een paar tikken uitgedeeld, maar dat deed helemaal geen pijn. Ze had daarna vooral zelf zere handen. Ik had mijn vader kunnen terugslaan; een paar stoten en het is gebeurd. Maar zoiets doe je natuurlijk niet. Als je vader je slaat, doe je niets terug.''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Liegen? Ik líeg jongen! Poeh, alsof het gedrukt staat. Soms geloof ik het zelf nog ook. Ik mocht thuis niet veel. Niet te laat thuiskomen. Niet te ver van huis. Niet spelen in dat ene park. Niet dit, niet dat. En als ik die dingen dan toch deed, moest ik er daarna over liegen. Daarom zit het er zo ingebakken. Als ik tegen mijn vrouw zeg: 'Ik ga even naar de kroeg. Ik ben rond tien uur thuis' en het wordt uiteindelijk één uur 's nachts omdat ik zat te kaarten en de tijd was vergeten, dan moet ik snel iets verzinnen om het minder erg te maken. Dus kom ik met een heel erg goede vriend op de proppen die ik in geen jaren had gezien. Als ik te laat op een afspraak verschijn, was de weg opgebroken, stond er een kilometerslange file, of had ik een ander tijdstip doorgekregen: ik heb alle smoesjes al een keer gebruikt. Voor mijn gevoel is het soms beter om over dat soort kleine dingen te liegen. Ze heten niet voor niets leugentjes om bestwil.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Er zijn maar heel weinig zaken waar ik van wakker lig. Mijn vrouw wordt daar wel eens kwaad om: 'Doet het jou dan helemaal niks!?' Nee. Ik trek mij nergens iets van aan, ben op niemand jaloers. Ik weet dat veel Turken jaloers op mij zijn. Dat heeft vooral met geld te maken. Iedere Turk denkt dat ik een miljonair ben. Dat is niet zo. Ik ben er ook nooit op uit geweest om zoveel mogelijk geld te verdienen. Ik heb een gezin waarvoor ik moet zorgen. Dat komt eerst.

Ik ben op mijn achtste met boksen begonnen. Gewoon, omdat ik het leuk vond. Op een gegeven moment zei iedereen dat ik talent had. Ik won de oostelijke kampioenschappen, de nationale kampioenschappen, werd gekozen voor de Nederlandse selectie, ging naar het buitenland en dacht: ja, misschien moet ik hier mijn beroep dan maar van maken. En als je het dan over ambities hebt: ik wil natuurlijk wel de beste zijn in wat ik doe. Ik wil dus de titel van een ander afpakken, maar dat heeft niets met afgunst te maken. Ik weet wat je ervoor moet doen om wereldkampioen te worden - hij heeft die plaats verdiend. Je hebt ook boksers die het niet verdienen, maar dat ligt eerder aan corrupte scheidsrechters dan aan hen. Of je moet je, zoals Jake LaMotta in de film Raging Bull, in elkaar laten slaan omdat er andere belangen op het spel staan. Dat zal mij nooit gebeuren. Als ik weet dat ik een wedstrijd verloren heb en toch als winnaar word uitgeroepen, zal ik met zo'n uitslag nooit gelukkig kunnen zijn. Winnen heeft vooral met gevoel te maken. Als ik ervan overtuigd ben dat ik er alles aan heb gedaan om te winnen is het minder erg als ik toch verlies. Dan kan ik in ieder geval zeggen: ik heb mijn best gedaan.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden