Orde in historische chaos

Het amateuristische Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie worstelde en kwam boven uit de zee van toegespeelde stukken

Tegenover een overvloed aan materiaal stond in de beginjaren van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod), net als in de rest van Nederland, een gebrek aan bijna alles. Waar haalde je bijvoorbeeld fatsoenlijke kasten vandaan om al dat spul te bergen? In een vergadering opperde iemand zelfs de mogelijkheid om boekenrekken te laten maken van gedemonteerde startbanen van vliegvelden.

De documentenvloed was van ongekende omvang. Materiaal kwam met stukjes en beetjes, maar ook met tonnen tegelijk. Een natuurlijke orde was dikwijls ver te zoeken: collecties kwamen gehavend, met onderbrekingen en niet zelden vanuit verschillende richtingen binnen. Het Riod - de voorloper van het huidige Niod instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies - zou nog jaren kampen met wat auteur Annemieke van Bockxmeer met een prachtwoord 'archiefcongestie' noemt.

Toen ze er in 1989 begon te werken trof de oud-medewerkster van het instituut (ze studeerde Nederlands, filosofie en archiefwetenschap) veel stukken aan die niet in depots waren opgeslagen maar over kamers van medewerkers verdeeld. Zelf zat ze met een collega tussen materiaal van de voormalige afdeling Onderzoek Gevangenissen en Concentratiekampen en daarmee ook tussen de geschiedenis van de collectievorming van het Riod. Het leidde ertoe dat Van Bockxmeer tien jaar geleden begon met haar promotieonderzoek naar de eerste, cruciale jaren van het instituut.

Haar boek 'De oorlog verzameld' past prima in de rij van recente publicaties die niet per se de jaren 1940-1945 beschrijven, maar de manier waarop Nederland dat roerige tijdperk een plaats gaf en geeft.

Dat leverde al zinnige boeken over de herdenkingscultuur op en Boudewijn Smits' vuistdikke biografie van Riod-directeur en geschiedschrijver Loe de Jong.

Op het documenteren van de bezettingsgeschiedenis zinspeelde minister van onderwijs Gerrit Bolkestein in een toespraak voor Radio Oranje op 28 maart 1944: "Wil het nageslacht ten volle beseffen wat wij als volk in deze jaren hebben doorstaan en zijn te boven gekomen, dan hebben wij juist de eenvoudige stukken nodig - een dagboek, brieven van een arbeider uit Duitsland, een reeks toespraken van een predikant of priester. Eerst als wij er in slagen dit eenvoudige dagelijkse materiaal in overstelpende hoeveelheid bijeen te brengen, eerst dan zal het tafereel van vrijheidsstrijd geschilderd kunnen worden in volle diepte en glans."

Dat appèl was niet aan dovemansoren gericht. De Nederlanders speelden het Riod veel, heel veel toe. Het verkrijgen van andere archieven was in de chaos net na de bevrijding vaak lastig. Bovendien was er concurrentie van andere instellingen. Het nieuwe instituut, nadrukkelijk als tijdelijk bedoeld, wist zich snel sterk te manifesteren en vond ondertussen zichzelf uit.

Het oorspronkelijke enthousiasme voor dagboeken en andere persoonlijke getuigenissen nam na verloop van tijd af, ook door de 'overstelpende hoeveelheden' waarmee ze binnen kwamen. Oordelen over dagboeken konden ook heel streng uitvallen. "In een buitengewoon gezwollen stijl wordt in feite niets belangrijks gezegd." De belangstelling verschoof stilaan naar andere bronnen zoals de archieven van het Duitse bezettingsbestuur.

Gaandeweg wist het Riod zich te ontworstelen aan de chaos en het amateurisme. Soms hadden ook invloeden van buiten hun weerslag op de wijze van werken.

Zo maakte de vraag naar gegevens ten behoeve van de berechting van 'foute' landgenoten, dat Riod-medewerkers zich een meer gedetailleerde en op strafbare feiten gerichte manier van beschrijven aanleerden. Die methodiek bleef hangen en dat droeg bij aan een wetenschappelijker manier van opereren. Dat was des te meer van belang omdat de beschrijvingen van destijds later ongewijzigd werden gebruikt voor de geschiedenis van de bezetting.

Plannen voor publicaties kregen rond 1948 echt vorm. Dat bracht ook weer meer lijn in de organisatie. Onderzoekers wisten nu beter waarvoor ze hun werk deden.

De kracht van 'De oorlog verzameld' is dat Van Bockxmeer voorbij het hardnekkige romantische en heldhaftige verhaal kijkt van de bij elkaar geraapte gideonsbende die ondanks alles de geschiedenis van de bezetting veilig stelde voor het nageslacht. Haar beeld is veel realistischer, hier en daar zelfs onthutsend. Ze plaatst het instituut ook in de tijd en de toenmalige trends. Nadeel is wel dat de auteur te ver verdwaalt in de theoretische kaders en details. Dit is zo'n boek dat met minstens een derde van de pagina's minder en een iets soepeler pen een stuk prettiger had gelezen.

Annemieke van Bockxmeer: De oorlog verzameld. Het ontstaan van de collectie van het NIOD. De Bezige Bij, Amsterdam; 444 blz. euro 24,90

Oral history en amateurpsychologie

Pas ruim dertig jaar later zou oral history echt in zwang komen, maar het RIOD hechtte al vanaf het begin groot belang aan mondelinge getuigenissen. Zo mogelijk nog opvallender was de manier waarop bij de gespreksverslagen betrekkelijk vergaande karakterbeschrijvingen van de geïnterviewden werden gevoegd.

Directeur Loe de Jong zelf zette mogelijk de toon voor deze psychogrammen met de manier waarop hij de Oostenrijkse oorlogsmisdadiger Hanns Albin Rauter, hoogste vertegenwoordiger van de SS in Nederland, karakteriseerde na een gesprek: "Stellig zonder enige zin voor het typisch Nederlandse: de bedachtzaamheid, het fatsoen, de ruimheid van geest. Hij was een natuur van de bergen, bepaald geen natuur van de zee. Met iets wilds van de bergen, iets van de Balkan, een roverhoofdman - figuur voor Den Doolaard."

Ook andere onderzoekers schroomden daarna niet om de amateurpsycholoog uit te hangen, vaak met nog krassere beschrijvingen. Een inwoner van Putten, waar na een aanslag van het verzet in 1944 veel huizen werden verwoest en een groot deel van de mannelijke bevolking de kampen inging om er nooit meer uit te komen, werd neergezet als typisch dorps: "Nuchter, precieserig burgermannetje in een vast gareel. In de egaliteit van dit leven kwam de razzia zeer ingrijpend."

Over iemand die de kampen overleefde: "Jonge, passieve man, zeer slecht waarnemer en moeizame verteller... (...) Een van die figuren, die in de kampen niets-beseffende dieren zijn geworden, die alleen maar leven en niet meer denken."

Een andere overlevende was iemand "die zich waarschijnlijk in geen enkel opzicht aangepast heeft aan de nieuwe omgeving en voor honderd procent was ingesteld op lijfelijk zelfbehoud."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden