Oranjes koesteren Het Loo

Voor het eerst wordt openheid gegeven over de verbondenheid tussen de Oranjes en kroondomein Het Loo. Vooral koningin Wilhelmina en prins Hendrik drukten een ingrijpend stempel op het het grootste landgoed van Nederland.

Jan Neefjes en Hans Bleumink kregen de opdracht een overzichtswerk te schrijven over Het Loo. De opdracht kwam van het Kroondomein zelf. „Het is de eerste keer”, zegt Neefjes, „dat er van de kant van de beheerders openheid wordt gegeven over dit gebied en over hoe het door de Oranjes is en nog steeds wordt gebruikt.” De auteurs kregen voor hun research ook toegang tot het Koninklijk Huisarchief.

Een bijzonder gegeven en zeker geen gemeengoed, meent Neefjes, is de rol van de koningin als landgoed- en bosbeheerder.

„Kroondomein Het Loo op de Veluwe meet 10.000 hectare en is daarmee het grootste landgoed van Nederland. Dat maakt de koningin tot de grootste landgoedbeheerder en, naast Staatsbosbeheer, bovendien tot de grootste bosbeheerder van het land.”

Het Loo bestaat uit een deel Kroondomein en een deel Staatsdomein. Het Staatsdomein was oorspronkelijk ook in bezit van de Oranjes, maar werd in de Franse tijd geconfisqueerd door de Staat. Tegenwoordig valt het onder het ministerie van financiën. „Maar”, zegt Neefjes, „beide delen worden beheerd als één landgoed en de koningin wijst de feitelijke beheerder aan. Sinds 1979 is dat Opperhoutvester Jaap Kuper. De houtopbrengsten uit de bossen worden verdeeld over de Staat en de Kroon.”

De band van de Oranjes met de Veluwe begon ruim drie eeuwen geleden, toen koning-stadhouder Willem III op 27 november 1684 het oude jachtslot Het Loo kocht. Hij had als beloning voor zijn overwinning op de Fransen het jachtrecht verkregen over de Veluwe – een exclusief vorstelijk recht – en daar hoorde een jachtslot bij.

Tien generaties stadhouders en koningen van Oranje-Nassau traden in zijn voetsporen, verloren hun hart aan Het Loo, de Veluwse bossen en heidevelden en lieten er hun, vaak nog zichtbare sporen na: in de Koningslanen en jachthuizen, maar ook in de bosbouw en de uitbreiding en verfraaiing van het Paleispark.

Koningin Wilhelmina en prins Hendrik drukten in het begin van de twintigste eeuw een ingrijpend stempel op het Kroondomein. Tussen 1901 en 1914 verdubbelden zij de omvang van het landgoed door ruim 5000 hectare woeste heidegronden aan te kopen, die zij vervolgens voor een groot deel lieten bebossen.

„Wilhelmina schreef aan haar moeder Emma dat ze haar echtgenoot iets te doen wilde geven”, vertelt Neefjes. „Prins Hendrik mocht zich immers niet met staatszaken bemoeien. Als hertog van Mecklenburg had hij verstand van jagen en van bosbouw. Op de door Wilhelmina aangekochte woeste gronden kon hij die talenten uitleven.” Dat hij dat deed ’op Pruisische wijze’, is nu nog te zien aan de wijze van bebossen: de bomen strak in het gelid, de kavels gescheiden door rechte paden. Dat was zowel handig voor de bosbouwactiviteiten als voor de jacht.

Het was in die tijd een maatschappelijk ideaal van de elite om ’waardeloze’ heidegrond te bebossen en daardoor productiever te maken. De boeren deelden die denkbeelden niet. Zij lieten op de heide hun schapen grazen, waarvan ze de mest gebruikten op hun akkers – van kunstmest wilden ze niet weten. Maar om één hectare akkerland te kunnen bemesten had je wel het tienvoudige nodig aan heide.

Met de aankoop van de heide werd Wilhelmina noodgedwongen ook eigenaar van de boerengehuchten op deze grond, zoals Niersen, Gortel en een deel van het buurtschap Uddel. De boeren waren namelijk niet van zins hun gebruiksrechten op de heide op te geven. Wilhelmina verpachtte de grond en verhuurde de huizen en boerderijen aan de bewoners. Neefjes: „Wilhelmina beloofde de inwoners van de dorpjes werk in de nieuwe boswachterijen. Wie dat wilde, kon daarnaast zijn bedrijf aanhouden. Voor een aantal boeren die geen zin in bosbouw hadden, werden elders in Gelderland vervangende boerderijen gezocht.”

Zo werd de koningin ’opgescheept’ met een nieuw soort onderdanen, voor wie zij zich direct verantwoordelijk voelde. Zij zorgde echt voor deze mensen, blijkt uit het onderzoek van Neefjes en Bleumink. In het Koninklijk Huisarchief vonden zij een notitie, waarin Wilhelmina zich zorgen maakt om het welzijn van de kinderen die ’s winters in de bosbouw meehielpen met het planten van bomen. In de notitie dringt zij er bij opperhoutvester Tutein Nolthenius op aan deze kinderen ’handgeoliede manteltjes’ ter beschikking te stellen en ’chocolademelk en erwtensoep te serveren’. En vraagt ze hem ’de arme dagloners’ kleine hoeveelheden gratis kunstmest te verschaffen, om ze ’de waarde van den kunstmest te leren kennen’. Het gebeurde zoals zij wilde.

„Ook zorgde Wilhelmina voor sociale voorzieningen, zoals zusterhuizen met wijkverpleegsters. Ze liet een muziekcorps, een zangkoor en een meisjesvereniging oprichten en stelde een maatschappelijk werkster aan, die kon helpen bij problemen. Haar betrokkenheid ging zo ver dat ze de kinderkleertjes van Juliaantje weggaf, als die eruit was gegroeid, en op bezoek ging als er iemand ziek was. Ze werd ook wel eens aangesproken door een dorpeling, als zij in het bos zat te schilderen. Die vroeg haar dan bijvoorbeeld, vanwege gezinsuitbreiding, om een extra kamer in zijn huisje.”

In de crisisjaren vroeg de vorstin Tutein Nolthenius zoveel mogelijk mensen aan het werk te houden, en stond zij in Uddel een wildweide af aan de boeren. „Hij sputterde tegen, want zulke uitgaven waar geen inkomsten tegenover stonden, gingen ten koste van de rentabiliteit van de bosbouw. Juist door deze onzakelijke benadering van Wilhelmina heersten er”, zegt Neefjes, „feodale toestanden in die dorpjes. Niet dat de mensen werden uitgebuit, integendeel. Maar alles hing af van de gunsten van hetzij Wilhelmina, hetzij de opperhoutvester.”

In de jaren vijftig nam de overheidsbemoeienis met het platteland toe en daarmee de verzakelijking. Maar tot haar dood hield Wilhelmina die bijzondere relatie met haar Veluwse ’onderdanen’, die liefkozend over haar spraken als ’Willemientje’.

De koningin was niet alleen begaan met de mensen op haar landgoed, ze bekommerde zich ook om de inrichting van het landschap. Als het aan prins Hendrik had gelegen, was het hele Kroondomein vol geplant met bomen. En dan geen inheemse eik, beuk en berk, maar bij voorkeur goed in de bosbouw renderende exoten als lariks, douglasspar en Amerikaanse eik.

Dat er toch op het Kroondomein nog heidevelden zijn overgebleven, is te danken aan Wilhelmina. Zij hield van de uitgestrektheid, de ruimte en de uitzichten over de woeste grond en wist voor Hendriks plannen deels een stokje te steken.

Ook voorkwam ze dat haar echtgenoot korte metten maakte met ál het boombos – herkenbaar aan de krom gegroeide beuken en grillige padenstructuur – en eikenhakhoutbos. Behalve de overgebleven heidevelden zijn ook deze ’oerbosjes’ waarvan nu nog stukjes op Het Loo te vinden zijn – zoals De Duddel in het Paleispark – geheel te danken aan ingrijpen van Wilhelmina. Zij was dol op ’de dansende bomen’ en slingerpaadjes en had weinig op met Hendriks rechte paden en bomen. Ze verbood op een moment de kap van boombos. Na haar dood werden de kromste bomen alsnog geveld, maar sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het merendeel van het resterende boombos aangewezen als bosreservaat en wordt er niet meer gekapt.

Toch is het boombos gedoemd binnen enkele decennia te verdwijnen. De beuken die nu nog dansen, hebben zo’n beetje hun maximale leeftijd van 250 jaar bereikt, en worden omringd door dode staken en afgebroken stammen – vermolmd of begroeid met tondelzwammen – van soortgenoten die reeds het loodje hebben gelegd.

Onder koningin Juliana werd de verbondenheid tussen de Oranjes en de dorpelingen minder en ontstonden er normale pacht- en arbeidsverhoudingen voor huurders, boeren en werknemers in de houtvesterij. Tegenwoordig wonen er bijna geen boeren meer op Het Loo. De laatste boer van Gortel en Niersen stopte in 2009. Alleen in Uddel en Hoog Soeren zijn nog enkele boeren in bedrijf.

Koningin Beatrix is al sinds 1971 lid van de Raad van Beheer van het Kroondomein en houdt zich sinds het overlijden van haar grootmoeder Wilhelmina actief bezig met Het Loo. Zij heeft een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de Veluwse geschiedenis van haar familie, door af te stappen van de klassieke bosbouw, zoals haar grootvader die nog bedreef en daarvoor in de plaats houtoogst te combineren met natuurbeheer. In dit ’natuurvolgend bosbeheer’ dat in het hele Kroondomein wordt toegepast, wordt steeds een deel van de oude bomen gekapt, terwijl de rest blijft staan. Waar is gekapt, kunnen jonge boompjes ontspruiten. Zo ontstaat een rendabel en tegelijkertijd natuurlijker, niet uniform bos. De ’oerbosjes’ van grootmoeder Wilhelmina waren hiervoor, onbedoeld, een voorbeeld – voor Beatrix, maar in navolging van haar ook voor collega-bosbouwers en beleidsmakers. In die bosjes was al meer dan dertig jaar niet ingegrepen, waardoor half natuurlijk bos was ontstaan. In de jaren tachtig nam de waardering voor het bosbeleid van koningin Beatrix toe, en het werd bekroond in 1997, toen de Koninklijke Houtvesterij als eerste grote bosbedrijf in Nederland het internationale keurmerk verwierf van de Forest Stewardship Council, voor duurzaam geproduceerd hout.

En de jacht, waarmee het voor Willem V allemaal begon, en die de Oranjes vaak op kritiek is komen te staan? Neefjes: „Beatrix’ vader prins Bernhard was nog een fervent jager, en een fan van de drijfjacht die door prins Hendrik was geïntroduceerd. Zijn laatste trofee – een zwijn – schoot hij in 1996. Het Koninklijk Huis stopte met de drijfjacht in 2001. Tegenwoordig zijn er geen hofjachten meer. De jachtopzichter en zijn collega’s reguleren de wildpopulatie met noodzakelijk afschot, volgens de wet. Ook leden van het Koninklijk Huis en hun gasten jagen in het najaar nog wel eens, maar lopen dan mee met een boswachter of jachtopzichter.”

Boombos op Het Loo: de dansende bomen waar Wilhelmina dol op was. (FOTO'S (l) TOM HAARTSEN, COLLECTIE PALEIS HET LOO NATIONAAL MUSEUM APELDOORN; (r) JAN HUTTINGA, COLLECTIE KROONDOMEIN HET LOO)
Kaart van de Koninklijke Houtvesterijen in 1912, na de aankoop van privégronden door koningin Wilhelmina en prins Hendrik. (COLLECTIE HET UTRECHTS ARCHIEF)
Wilhelmina schilderde in 1925: 'Bij den Duddel bij Maneschijn'. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden