Oranje overleeft Republikeins Genootschap

Historicus Jos Wienen weerlegt de opvatting van Paul Cliteur dat er een noodzakelijke band bestaat tussen koningschap en christelijk geloof: 'In de joodse en christelijke denkwereld is er juist een fundamenteel verzet tegen vergoddelijking van het koningschap of overheidsgezag' .

door Jos Wienen

Onlangs hield Paul Cliteur een betoog voor een beschaafd vriendenclubje met de naam Nieuw Republikeins Genootschap (Letter & Geest, 10 maart). Volgens Cliteur bestaat de monarchie bij de gratie Gods. De meest innige band tussen koningschap en godsdienst zouden we vinden in het monotheïsme, in het bijzonder in het christendom. Nu het geloof in God heeft afgedaan, moet ook de monarchie vanzelf verdwijnen. Cliteur schetst een erg simpel beeld van de visie die christenen hebben op het koningschap. Zij zouden geloven dat koningen over een soort exclusieve goddelijke help-desk beschikken, zodat zelfs de grootste kluns met die bijzondere hulp een goede koning is.

In veel culturen is er een verbinding tussen het sacrale terrein en de wereldlijke heerser. De Egyptische farao's werden als godkoningen vereerd, de Romeinse keizers lieten zich als goddelijk vereren en tot in de twintigste eeuw werd de keizer van Japan als rechtstreekse afstammeling van de zonnegodin gezien. In veel godsdiensten is de verbinding tussen het goddelijke en de werkelijkheid zo sterk dat de manifestatie van macht ook goddelijke trekken krijgt. De koning als drager van een vaak absolute macht, had deel aan de bovenmenselijke goddelijke ordening van de wereld.

Cliteur ziet een bijzonder verband tussen koningschap en monotheïsme, maar dat moet een vergissing zijn. Juist een polytheïstische benadering maakt het mogelijk de koning goddelijke trekken te verlenen. Heel de werkelijkheid is verankerd in de godenwereld. Dat geldt in het bijzonder voor de drager van het hoogste menselijke gezag. Merkwaardig genoeg blijkt een dergelijke verabsolutering van de staatsmacht ook in een atheïstisch klimaat mogelijk, zoals communistische systemen hebben laten zien.

In Israël werd de verbinding van godenwereld, natuur en macht doorbroken. De natuur werd ontgoddelijkt en het koningschap werd in de bijbel zeer kritisch benaderd. Toen het volk van Israël een koning wenste (zoals alle andere volken), werd dat uitgelegd als een verwerpen van God. Gods koningschap was Israël blijkbaar niet genoeg. En ook de charismatische leiders die in Gods naam het volk aanvoerden voldeden niet.

Israël kreeg zijn koning, maar de verdere geschiedenis laat zien dat er geen sprake was van een klakkeloos aanvaarden van zijn gezag. Er waren slechte koningen, die door profeten werden weersproken en weerstaan in de naam van God. En er waren koningen die typen waren van het ware koningschap van God en de Messias, de gezalfde van God. David was zo'n koning en zijn dynastie kreeg inderdaad een goddelijke legitimatie. Maar dat betekende niet dat de koning altijd door God geleid het goede deed. Iedere telg uit het geslacht werd opnieuw afgemeten aan de vraag of hij koos voor de invulling van het koningschap naar Gods bedoeling. Vrome koningen werden gezegend, maar goddeloze koningen gestraft.

In het nieuwe testament is de notie te vinden dat de overheid Gods dienares is, niet alleen de (heidense) keizer, maar iedere overheid. Met de monarchie heeft dat niets te maken. Ook presidenten regeren bij de gratie Gods. Cliteur meent dat de speciale band tussen God en de koning is ontstaan toen de Romeinse keizer Constantijn christen werd. De koning maakte aanspraak op gehoorzaamheid, omdat God een bijzondere band met zijn koningshuis zou onderhouden.

Dit is een merkwaardige redenering. Met Constantijn komt er een einde aan de periode dat de keizer zich als goddelijk liet vereren. De keizer deed onder invloed van het christendom een stap terug in de goddelijke legitimatie van het keizerschap in plaats van een stap vooruit. Een bekende geschiedenis van enkele tientallen jaren later illustreert dat. Ambrosius, de bisschop van Milaan, ontzegde aan keizer Theodosius de toegang tot de mis. Theodosius moest eerst boete doen voor een bloedbad dat hij had laten aanrichten.

Het is onjuist dat de koning zijn legitimatie vooral ontleende aan de verbinding met het christelijk geloof. In de joodse en christelijke denkwereld is er juist een fundamenteel verzet tegen vergoddelijking van het koningschap of overheidsgezag. Dat er een christelijk koningschap ontstond is waar. Maar dat kent naast de legitimatie van het gezag (bij de gratie Gods) ook de kritische notie dat ook het koninklijk gezag aan God en zijn wetten onderworpen is.

Voor de relatie tussen koninklijk gezag en godsdienst is de 16de eeuw van groot belang. Godsdienstig werd Europa verscheurd door de strijd tussen pauselijk katholicisme en het protestantisme dat het kerkelijk gezag ondergeschikt maakte aan het gezag van de bijbel of van het persoonlijk geweten. Politiek gezien was het de eeuw van de opkomst van de natiestaat. Deze twee ontwikkelingen hebben sterk op elkaar ingespeeld.

De strijd en chaos waartoe de godsdienstige twisten leidden, versterkten het gevoel dat de vorsten de rust moesten herstellen. Zo ontstond de politieke filosofie van het absolutisme. De vorst vormde het absolute gezag en garandeerde daarmee de opbouw van een sterke staat. Dat absolute gezag werd gebaseerd op het goddelijk recht dat de koningen belichaamden.

Daar tegenover stond de opvatting dat de onderdanen rechten hadden, die de koning moest respecteren en beschermen. Zo mochten koningen niet heersen over het geweten van hun onderdanen. Dit zijn woorden van Willem van Oranje. Zijn leven stond in het teken van het verzet tegen een absoluut koningschap. In 1581 stelden de Staten-Generaal onder zijn leiding een document op, de Acte van Verlating, waarmee zij hun vorst (Filips II) verlieten, in feite afzetten. Wel wordt in dit document gesteld dat de vorst door God is aangesteld, maar om als een herder voor zijn onderdanen te zorgen. Als hij een tiran wordt staat het zijn onderdanen vrij hem te verlaten. Dat deden zij dan ook. Oranje stond aan de wieg van een tolerante staat, waarin een vorst die zich op zijn goddelijke legitimatie beriep, werd afgezet.

Terwijl in Frankrijk de godsdiensttwisten leidden tot de theorie van het absolute koningschap, leidden ze in de Nederlanden tot een recht van verzet tegen de vorst. Dit mondde uit in een republiek. Niet dat in die republiek het volk heerste. De elite van regenten had de macht in handen. In deze republiek te midden van koninkrijken was er een bijzondere rol voor de Oranjefamilie. Als dienaren van de Staten, stadhouders, hadden zij grote bevoegdheden en functioneerden vaak als de feitelijke leiders van het land. Voor de gereformeerden had Oranje een historische opdracht ontvangen om geloof en vaderland te beschermen. Maar niet alleen de gereformeerden waren Oranjeaanhangers. Ook veel joden, doopsgezinden en katholieken zagen de Oranjes als een steunpilaar voor hun vrijheid en veiligheid.

Tussen Oranje en Nederland is een historische band ontstaan. De Oranjes werden deels op basis van hun feitelijke historische rol en deels op basis van historische mythevorming exponenten bij uitstek van de Nederlandse vrijheid, van Nederlandse roem en van de eenheid van het vaderland. Een deel van de politieke regentenelite moest niet zoveel hebben van de quasi-monarchale positie van de Oranjes. Twee lange stadhouderloze tijdperken deden ze het liever zonder de familie. Maar in tijden van oorlog, in 1672 en in 1747, werden Oranjes door een volksbeweging aan de macht gebracht. Willem III versterkte de Oranjemythe nog: onder zijn leiding werd in 1672 de inval van Fransen en Engelsen gestuit en het land gered. Daarna werd hij de grote tegenstander van de absolutistische, goddelijk gelegitimeerde vorst bij uitstek: zonnekoning Lodewijk XIV. In Engeland legde hij met de Bill of Rights de grondslag voor het constitutionele koningschap.

In 1795 leek het definitief gedaan met de Oranjes in Nederland. De laatste stadhouder vluchtte weg voor de revolutionaire Franse troepen. Die brachten eerst een nieuwe (Bataafse) republiek, daarna bleek het revolutionaire Frankrijk zelf een keizerrijk te baren, en van Nederland een koninkrijk te maken. Niet in naam van God, maar van Napoleon. In Cliteurs gedachtelijn past deze vervanging van de republiek door een niet op religieuze basis berustende monarchie niet best.

Na de Franse tijd werd de zoon van de laatste Oranjestadhouder binnengehaald als soeverein vorst. In 1815 werd hij koning. Niet op basis van een bijzondere religieuze fundering, maar op basis van de breedlevende wens zo de band tussen Nederland en Oranje aan te passen aan de nieuwe tijd: zijn koningschap was een uitdrukking van een nieuwe gecentraliseerde staat. Oranje was de band met het verleden, de monarchie drukte uit dat de vernieuwing van de Franse tijd in stand bleef. Maar wel een Oranjemonarchie: alleen 'onder waarborging ener wijze constitutie, welke uwe vrijheid tegen volgende mogelijke misbruiken verzekert' aanvaardde Willem I de soevereiniteit. Sindsdien vererft het koningschap in de Oranjefamilie.

Voor Cliteur is die erfelijkheid een probleem. Het kan zeer ongeschikte kandidaten opleveren. Maar met of zonder bijzondere bijstand van God heeft dit beginsel in Nederland nooit gezorgd voor grote ongelukken. Integendeel. Mede dank zij een grondige voorbereiding hebben de meeste koning(inn)en het er uitstekend afgebracht. Natuurlijk zijn er genoeg voorbeelden van door erfrecht aan de macht gekomen heersers, die absoluut ongeschikt waren voor hun ambt. Helaas geldt hetzelfde voor democratisch gekozen leiders, met Hitler als absoluut dieptepunt.

Je kunt natuurlijk zeggen: goed, ook gekozen staatshoofden kunnen ongeschikt zijn, maar dat is dan tenminste de wil van het volk. Daar staat tegenover dat ook het koningschap van Beatrix spoort met de wil van het volk. Enquêtes spreken duidelijke taal. Het volk heeft meer gevoel voor traditie, erfelijkheid en politieke mythes dan Cliteur en de zijnen wensen. In de Verenigde Staten bracht het volk de zoon van een vorige president aan de macht. Een combinatie van veel geld, erfelijkheid (naam en faam van vader) en vriendelijke uitstraling bracht Bush in het Witte Huis. En de familie Bush is bepaald niet de enige politieke dynastie in de VS. De familie Kennedy is een ander voorbeeld. En Amerika is niet de enige republiek met politieke dynastieën. De laatste jaren zagen we familieopvolgingen in dictaturen als Noord-Korea (Kim), Syrië (Assad) en Kongo (Kabila). Maar ook bij verkiezingen speelt erfelijkheid soms een grote rol, zoals in India (Nehru-Gandhi), Pakistan (Bhoetto) en Indonesië (Soekarno). Het gaat in al deze gevallen niet om de meest geschikte personen, noch om religieus gefundeerde aanspraken, maar om de werking van erfelijkheid in historische mythen, vormen van aanhankelijkheid, relaties en soms geld. Ook in de Nederlandse politiek zie je dat familierelaties een rol spelen. Het is opmerkelijk hoeveel ministers en politici familie zijn van vroegere politici. Vader Van Aartsen was ook minister. Opa Bolkestein was minister. En een dochter van Den Uyl zit als een prinses in de Tweede Kamer.

De Oranjemonarchie is in Nederland van grote betekenis. Ze vormt een levende band met het verleden. Ze is een symbool van Nederlandse identiteit en eenheid en van vrijheid en grondrechten, met vormen waar de meeste mensen van houden. Bovendien slaagt de koninklijke familie er veel beter in dan politici om gevoelens van aanhankelijkheid en vertrouwen op te roepen. Dat is geen overbodige luxe.

Het koningschap van de Oranjes berust op een breed draagvlak onder de bevolking. Republikeinen in Nederland laden de schijn op zich het volk in naam van het volk te willen ontnemen wat het wil houden en te geven waar het geen behoefte aan heeft. Overigens wordt ook in veel republieken het staatshoofd niet door het volk gekozen, maar op z'n best door een parlement.

De toekomst van de monarchie in Nederland hangt vooral samen met de emotionele verbondenheid met de familie van Oranje als drager van een historische identiteit. Die verbondenheid bestaat al meer dan 400 jaar. Niet toevallig even lang als de periode van een Nederlands staatsverband. In het verleden is meermalen gebleken dat lange perioden, waarin Oranje geen directe of een minder gelukkige rol speelde, geen barrière vormden om, als er een nieuw gevoel van urgentie was, te roepen om Oranje. Ik denk dat Oranje in de Nederlandse geschiedenis het Nieuw Republikeins Genootschap overleeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden