Opvoedpaniek is nergens voor nodig

De maakbaarheidsgedachte en een vleugje Freud hebben er volgens Rita Kohnstamm voor gezorgd dat Nederlandse ouders het opvoeden van kinderen niet langer als iets vanzelfsprekends zien, maar als een zware taak. „Ouders en opvoedingsdeskundigen hebben zo veel zitten grasduinen in het psychoanalytisch gedachtengoed dat de schrik er goed in zit.”

’Het is toch te gek dat je tegenwoordig voor alles een diploma moet hebben, behalve voor het opvoeden van kinderen”, zei de psychologe in een televisieprogramma. Ze keek enigszins triomfantelijk, alsof ze een denkvondst van allure had gedaan, en geen gemeenplaats had gedebiteerd. In plaats van dat de interviewer zei: „Is dat nu wel zo gek, mevrouw, kinderen grootbrengen hoort toch gewoon bij het leven?”, knikte hij instemmend. En zoals dat gaat bij gemeenplaatsen voelde geen van beiden de noodzaak die bewering eens stevig te onderbouwen.

Een diploma halen betekent leren. Wat zouden aanstaande ouders dan moeten leren? Wie zouden hen daarin moeten onderwijzen? Wat zouden de eindtermen en exameneisen moeten zijn?

Fundamenteler nog is de vraag waar het idee vandaan komt dat het grootbrengen van kinderen moeilijk is en niet zonder meer aan de natuurlijke zorg van ouders kan worden overgelaten. Een idee dat ouders langzamerhand zelf hebben overgenomen. Er heerst, zoals dat heet, ’opvoedpaniek’ onder Nederlandse ouders. De media spelen hier handig op in met voorlichtingsartikelen, cursussen en brochures, tot en met tv-programma’s waarin pedagogen ouders van onhandelbare kleuters met raad en daad bijstaan.

Nu is er natuurlijk niets op tegen om ouders iets te vertellen over de ontwikkeling van kinderen. Dat maakt het alleen maar spannender om een kind te zien opgroeien. Je ziet meer als je weet waarop je zou kunnen letten. Hoe uit zo’n kleine baby gestaag een grote puber groeit is een wonder en het aandachtig kijken waard.

In het verlengde daarvan is er ook niets op tegen om te laten zien wat er zich kan voordoen in het contact tussen ouders en kinderen. Welke effecten kunnen bepaalde manieren van met elkaar omgaan in de verschillende ontwikkelingsfasen van kinderen hebben? Maar je moet het aan ouders overlaten wat ze met die informatie doen. Zij kunnen inschatten wat wel en niet bij hun situatie past.

Het diploma-idee gaat echter veel verder. Het geeft de indruk dat er een algemeen geldende juiste manier van grootbrengen is die je onder de knie moet zien te krijgen. Een hoe-om-te-gaan-met-kinderen-protocol met keurmerk. Veelzeggend is in dit verband ook de naam van een website van de KRO: ’Opvoedendoejezo’.

De Britse socioloog Frank Furedi legt in zijn boek ’Paranoid Parenting’ (2002) de schuld voor de huidige ouderlijke onzekerheid voor een belangrijk deel bij de deskundigen. Die hebben ouders de stuipen op het lijf gejaagd met wat er allemaal mis kan gaan . Ouders zijn bestookt met de gedachte dat zij dat in hun eentje niet aankunnen en begeleiding nodig hebben.

De deskundigen mogen daar graag de van oorsprong Afrikaanse zegswijze ’It needs a village to raise a child’ bijhalen, als bewijs voor de broodnodige opvoedingsondersteuning. Ten onrechte. De oorspronkelijke betekenis van de zegswijze zal zijn geweest dat kinderen van jongs af aan in de gemeenschap moeten kunnen meedraaien om daar langzamerhand in te groeien. In die zin hebben méér volwassenen dan alleen de ouders een taak in het grootbrengen van kinderen. Geen deskundigen, maar mededorpelingen.

Hoewel je zo’n wijsheid natuurlijk niet zomaar van een overzichtelijke dorpsgemeenschap kunt overplanten naar een heterogene en gecompliceerde westerse samenleving, zou je er wel een aanmoediging in kunnen zien om ook onze volwassen wereld toegankelijk te laten zijn voor kinderen. Niet afgesloten in een verantwoordelijkheidsloos ’Jeugdland’, zoals de pedagoge Lea Dasberg dat noemde, maar met op kindermaat toegesneden bijdragen. Als verdediging van de noodzaak van deskundige begeleiding van ouders is de zegswijze echter volkomen onbruikbaar. Maar ouders zijn daarin wel gaan geloven. De deskundigen hebben met succes de natuurlijke inzet en het zelfvertrouwen van ouders ondermijnd.

Wat moet een ouder ervan denken als een hoogleraar pedagogiek in een radioprogramma zegt dat je voor een baan in de kinderopvang minstens hbo-niveau zou moeten hebben en niet, zoals nu gebruikelijk is, mbo? Hij lichtte niet toe waarom. Toch is de kinderopvang geen school waar specifieke kennisoverdracht moet plaatsvinden. Daarvoor moet je inderdaad ter zake kundige leermeesters hebben. Opvang is min of meer een verlengde van thuis, van ouders. Inderdaad ’opvang’, omdat thuis er even niet is. Moeten ouders ook van hbo-niveau zijn? Dat is dan wel de impliciete gedachte. Arme mbo- of lbo-ouders.

Hoe heeft dit deskundigheidsdenken bij het grootbrengen van kinderen zo’n ingang kunnen vinden?

Opvoedkundigen begonnen zich zo halverwege de vorige eeuw te oriënteren op de psychologie. En daar was het behaviorisme in opkomst. Het zou kunnen dat het deskundigheidsdenken is begonnen met de theorie dat het gedrag van de mens in hoge mate afhankelijk is van zijn situatie. Verander iets aan de omstandigheden en het gedrag verandert mee. Ten gunste of ten kwade. Tot die omstandigheden horen behalve de fysieke omgeving ook de gedragingen ten opzichte van elkaar.

Niet een slechte inborst maakt dat mensen zich onaangenaam gedragen, maar de omgeving dwingt hen in een bepaalde rol. Zij kunnen zich niet aan de invloed van die omstandigheden onttrekken. Dus zorg voor gunstige levenssferen en de mensen zullen zich op aangename wijze daaraan aanpassen. Het idee van de maakbare samenleving was geboren.

Het behaviorisme heeft de illusie gecreëerd dat je alles in de hand kunt hebben, als je maar wilt en de juiste keuzes maakt. Een aanlokkelijke gedachte en verleidelijk om in te geloven. En het leek ook allemaal zo veelbelovend. Er kwam een explosie van onderzoek naar motieven achter het menselijk beleven en gedrag. De theorie vormde een steeds hechter totaalbeeld. En de stap van het verklaren van het gedrag naar de manier waarop dit gedrag te veranderen zou zijn, werd heel vanzelfsprekend.

De verbinding met het grootbrengen van kinderen is makkelijk te maken. Als ouders zich op de juiste manier gedragen zullen de kinderen daar op prettige wijze op reageren. Het maakbare kind in het maakbare gezin, met hulp van de deskundige.

Maar zou de invloed van het behaviorisme ook zo groot zijn geweest als niet zo ongeveer gelijktijdig een paar grote ontdekkingen algemene toepassing vonden?

Tot eind jaren vijftig kréég je kinderen, of niet. Soms meer kinderen dan gewenst. Soms tot groot verdriet géén kinderen. Het was afwachten. Zoals het ook afwachten was of je van een ziekte of een kwaal genas, die als een verkoudheid kon beginnen en tot een longontsteking kon leiden. Gelovigen schreven het toe aan Gods wil en konden niet veel anders doen dan bidden om het zo gewenste kind of om genezing. Ongelovigen berustten in een lot dat hen al dan niet gunstig gezind zou zijn. Niemand had op het punt van deze essentiële levenscondities iets in te brengen.

Toen kwam de anticonceptiepil en kon iedereen zelf voorkomen een kind te krijgen. Kunstmatige inseminatie en in vitro fertilisatie (ivf) maakten het mogelijk onvruchtbaarheid te omzeilen. Antibiotica bestreden infecties die voorheen dodelijk waren, ook voor kinderen.

Ouderschap en gezondheid lagen niet langer in Gods hand, maar in mensenhanden. Niet langer in een wisselvallig lot, maar in menselijke kunde. Het paste allemaal in het patroon van het behaviorisme en de maakbaarheid. En als het geplande kind gezond ter wereld kwam was de kans groot dat het gezond bleef en niet zoals voorheen zou overlijden aan allerlei dodelijke ziektes.

De sfeer rond ouderschap veranderde. Dat was in het spraakgebruik te horen: kinderen ’kreeg’ je niet langer, die ’nam’ je . Als onderdeel van de compositie die je van je eigen leven maakte. En dat bracht ook een zwaardere verantwoordelijkheid mee voor het resultaat.

Voeg daar nog een vleugje Freud aan toe. Freud, die zich nooit met het grootbrengen van kinderen heeft beziggehouden, maar wel beschreef hoe ouders door hun gedrag allerlei neurosen bij hun kinderen kunnen veroorzaken, via frustraties en angsten.

Ouders zowel als deskundigen hebben in de loop der tijd wel zo veel zitten grasduinen in het psychoanalytisch gedachtengoed dat de schrik er goed in zit. Ouders kunnen hun kind kennelijk maken of breken. Dus bieden deskundigen hun diensten aan ter preventie van ouderlijke fouten: opvoeden doe je zo!

Maar die deskundigen blijken het helemaal niet eens te zijn over dat ’zo’. Furedi geeft daarvan mooie voorbeelden. Hoe zij elkaar op allerlei punten tegenspreken, ieder met de grootste stelligheid. Dus hoe zou dat dan moeten met die opleiding tot ouderschap?

Van kinderen grootbrengen zijn we verzeild geraakt in kinderen opvoeden. En dat is een groot verschil.

Grootbrengen, dat is: volwassenen leven hun leven en de kinderen leven daar in mee. Ze hobbelen mee op kindermaat. En in een terloops identificatieproces nemen zij tussen de dagelijkse bedrijven door van allerlei over. Tenzij het kind ernstig is gestoord of tenzij ouders het grondig laten afweten lukt het meestal heel aardig daar een acceptabele volwassene uit tevoorschijn te zien komen. Meer kun je niet verwachten.

Het was in deze stijl dat dr. Spock halverwege de vorige eeuw in zijn beroemde boek schreef: „Hecht niet te veel waarde aan wat de buren zeggen en raak niet te zeer onder de indruk van wat deskundigen beweren. Durf op uw eigen gezonde verstand te vertrouwen. Een kind verzorgen is niet zo verschrikkelijk moeilijk.”

Opvoeden daarentegen heeft iets opzettelijks. Het lijkt bijna alsof je daar eens speciaal voor gaat zitten: „Het wordt tijd dat we weer eens een beetje gaan opvoeden.” Het vereist bepaalde vaardigheden, het is een soort werken aan je kind tot je een geslaagd resultaat bereikt, waarop je kunt worden aangesproken. Dat hoort bij maakbaarheid. Uitgedrukt in het commerciële jargon dat sluipenderwijs ook tot de zachte sector is doorgedrongen zijn kinderen te beschouwen als ’eindproduct van de ouderlijke opvoedingsinspanning’.

Dan krijg je ouders die langs de lijn van het sportveld tegen hun kind schreeuwen dat het beter z’n best moet doen en geen watje moet zijn. Ouders die zich schamen als een wedstrijd wordt verloren. Zodat ze door Sire tot de orde moeten worden geroepen. Ouders die met argusogen de schoolvorderingen volgen en op de stoep staan bij iedere onvoldoende: mijn kind is niet dom, wat denkt u wel! Met erg veel nadruk op ’mijn’.

Maar gek genoeg zijn het vaak dezelfde ouders die hun kind bij het minste geringste de hemel in prijzen. Inderdaad, iedere tekening een plaats geven aan de muur, als was het een kunstwerk. Maar eigenlijk prijzen ze zichzelf: kijk eens wat een leuk, knap, origineel kind ik heb gemaakt!

Beide zijn moderne vormen van wat Alice Miller indertijd heeft beschreven in ’Het drama van het begaafde kind’: kinderen die de aspiraties van hun ouders moeten waarmaken. Dit keer de aspiratie van de ouderlijke ondernemer om een bijzonder kind in de markt te zetten.

Er zijn een paar belangrijke bijeffecten van dit moderne vaardigheidsouderschap. Er is bijvoorbeeld de impliciete verwachting dat vaardige ouders die een ’goede’ opvoeding geven alle problemen met hun kinderen weten te voorkomen. Of in ieder geval het gezinsleven zo onder controle hebben dat er voor problemen snel een oplossing is.

Het geloof in de maakbaarheid zorgt er dan ook voor dat ouders het niet goed kunnen verdragen als het thuis niet helemaal lekker loopt. Dat hoort niet, dan schiet je te kort. Problemen zijn een teken van mislukking. Moderne ouders moeten zorgen voor een leuk, gezellig gezinsleven. Hieruit spreekt een totale ontkenning van het gegeven dat conflicten, zorgen, narigheid, slechtheid onlosmakelijk met het leven zijn verbonden. Die zijn niet uit te bannen. Het gevolg is dat ouders bij problemen inderdaad de schuld bij zichzelf zoeken: „Wat hebben we verkeerd gedaan?” En als ze het niet zelf doen, weten anderen wel met hun vingers naar hen te wijzen: „Die ouders pakken het ook zo fout aan.” En uit pure onzekerheid weten ze dan helemaal niet meer hoe ze zich ten opzichte van hun kinderen moeten gedragen. Waardoor de kinderen ook niet meer weten wat de bedoeling is.

Soms doen ouders het trouwens inderdaad helemaal verkeerd. Niet omdat ze niet de juiste opvoedingscursus hebben gevolgd, maar omdat het ook maar mensen zijn met gebrekkige mogelijkheden. Mislukkingen en fouten horen bij het leven.

Directeur Jos Lamé van de Riagg Rijnmond bracht het onlangs in NRC Handelsblad heel treffend onder woorden. Lamé verzet zich tegen het idee dat kindermishandeling zou kunnen worden voorkomen als Jeugdzorg maar beter zou functioneren. „We moeten onder ogen zien dat geweld een enorm probleem is, dat niet weg te poetsen is. Er worden nu een paar incidenten opgeblazen om aan te tonen dat een veel beter leven mogelijk is. Dat is schijn. Het is een taboe om te aanvaarden dat er kwaad in de samenleving is. In wezen hebben we geen controle over het complexe leven van mensen.”

Dat is geen vrijbrief om als ouders maar wat aan te rotzooien. Het is wel een aansporing tot ouderlijke bescheidenheid. Tot aanvaarding van het gegeven dat het leuke, gezellige, ontspannen gezin – impliciet door het diploma-idee beloofd – niet overal en altijd bereikbaar is . Je kunt niet meer dan je best doen om het te benaderen, maar je hebt niet alles in de hand.

De op maakbaarheid ingestelde moderne mens houdt daar niet van. Die wil zijn zaakjes kunnen overzien en dus ook risico’s voorkomen.

Overigens wordt hij daarin gesterkt door een nieuwe groep experts: degenen die zich met de veiligheid van kinderen bezighouden. Het hoeft nog niet zo ver te gaan als in Amerika, waar een hele kinderbeveiligingsmarkt is ontstaan. Maar ook in Nederland worden ouders voortdurend gewaarschuwd voor alle concrete gevaren die kinderen bedreigen, tot in het kleinste hoekje. Uiteraard met gelijktijdige aanbieding van allerei veiligheidsverhogende spulletjes. Soms heel verstandig. Maar een kind kan ook van een laag stoepje vallen en ongelukkig terechtkomen. Dan zijn ouders niet tekortgeschoten, maar heeft het leven zelf toegeslagen.

Ouders van nu zijn over het algemeen overbezorgd en bemoeien zich ook overal mee. De peuter op zijn driewielertje met een helmpje op zou als symbool kunnen dienen. Het voorbeeld komt van de website van de Amerikaanse Hara Estroff Marano, van wie binnenkort het boek ’A Nation of Wimps’ verschijnt. Een land dat kinderen steeds maar in de watten legt, die daardoor opgroeien tot volwassen watjes. Niet alleen fysiek trouwens, ook emotioneel. De moeder die haar vierjarige voor het eerst naar groep één brengt en aan de leidster vraagt of ze goed wil opletten dat haar kind niet wordt gepest, omdat het nog zo’n kleintje is. Kasplantjes, troetelkindjes. Met, volgens bovengenoemde schrijfster, de mobiele telefoon als continue navelstreng.

Kinderen hebben avontuur en risico nodig om zelfstandig te worden. Moeten langs het randje kunnen lopen en soms vallen, zodat ze door ervaring wijzer worden en zelfredzaam. Ouders moeten dan ook niet alles willen weten of zien.

’Liefdevolle verwaarlozing’ (de term is van Dolph Kohnstamm) is hier een prachtige uitdrukking voor. Een wat verwarrend begrip, maar het leven is nu eenmaal een warboel. En er zit in die combinatie wel alles wat een kind nodig heeft.

Ouders moeten de illusie van het maakbare kind opgeven. Als ze het kind eenmaal ’genomen’ hebben, moeten ze het ook zijn eigen gang kunnen laten gaan. En de deskundigen buiten de deur zien te houden.

Rita Kohnstamm is psychologe en publiciste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden