Opvoeden na Auschwitz in een multiculturele samenleving

In de vroegere Amsterdamse schuilkerk De Rode Hoed heeft professor Ido Abram gistermiddag de Abel Herzberg-lezing uitgesproken. Abram, in 1940 geboren in het toenmalige NederlandsIndie, is medewerker van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum te Utrecht en bijzonder hoogleraar bij de vakgroep onderwijskunde van de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde onder meer Joodse Traditie als Permanent Leren (proefschrift 1980), Rassewaan en rassehaat: lessen uit en over de Sjoa (Inaugurele rede 1990) en Joodse identiteit (1993).

IDO ABRAM

Wat betekent dit nu voor de verschillende culturele, etnische en religeuze groepen in Nederland en wat voor consequenties heeft dit voor hun culturele identiteit? En wat heeft dit met opvoeding na Auschwitz te maken? Bij het zoeken naar een antwoord op deze vragen neem ik de begrippen cultuur en opvoeding zo ruim, dat nationaliteit, etniciteit en religie onder 'cultuur' vallen, en onderwijs, scholing, vorming en voorlichting onder 'opvoeding'.

In april 1987 zond de Nederlandse minister van welzijn, volksgezondheid en cultuur (WVC) een beleidsnota naar de Tweede Kamer der StatenGeneraal. De titel van de nota luidde: Jeugdvoorlichting over de Tweede Wereldoorlog in relatie tot het heden. Ik citeer enkele passages: “De Tweede Wereldoorlog laat nog steeds zijn sporen na in onze samenleving. ( . . . ) Daarbij (bij de Tweede Wereldoorlog) wordt niet alleen gedacht aan de gebeurtenissen in Nederland, maar ook aan wat zich in en rondom het voormalige Nederlands-Indie in deze oorlogsjaren heeft afgespeeld ( . . . ). Om de kennis van de jonge generatie over de Tweede Wereldoorlog te vergroten, verdient het aanbeveling de ervaringen uit het verleden een actuele betekenis te geven. ( . . . ) Het op elkaar betrekken van heden en verleden kan het inzicht in beide versterken. Daarom is het noodzakelijk de jongere generatie niet alleen te attenderen op de gevaren van racisme en fascisme, zoals deze zich voordoen in de huidige samenleving (antisemitische uitlatingen bij sportwedstrijden, verspreiden van fascistische pamfletten, het gebruik van nazi-tekens en dergelijke), maar ook te wijzen op bepaalde overeenkomsten met gebeurtenissen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.”

Uitdrukkelijk stelt de nota, dat de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog een belangrijk aspect vormen van de Nederlandse identiteit: “Het thema 'ervaringen '40-'45 bruikbaar voor het heden' dient beschouwd te worden als een wezenlijk onderdeel van de Nederlandse culturele identiteit en verworvenheden.”

In die tijd was Dick Dolman voorzitter van de Tweede Kamer. Tijdens een toespraak in het voormalige concentratiekamp Westerbork in Drente zei hij over de ervaringen '40-'45 onder meer het volgende: “Het Nederlandse volk heeft honderdduizend zielen uit zijn midden laten wegvoeren. Enkele tienduizenden behoedde het daarvoor in de onderduik of een vlucht over de grens. ( . . . ) In geen enkel ander Westeuropees land is de joodse gemeenschap zo zeer vernietigd. Het Nederlandse volk heeft gefaald als nooit tevoren. De vertegenwoordiging van dit volk is bij de Grondwet opgedragen aan de Staten-Generaal. Zij kunnen op een plaats als deze (Westerbork) slechts getuigen van mateloze schaamte.”

Dolman heeft het hier over de Tweede Wereldoorlog in Nederland en niet over de gebeurtenissen in en rondom het voormalige koloniale Nederlands-Indie, dat nu Indonesie heet. Hij heeft het over de vervolging van de joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit zijn opzienbarende woorden, zeker voor een officiele vertegenwoordiger van het Nederlandse volk.

Volgens de Amerikaanse journaliste Judith Miller interpreteren de meeste Nederlanders de 'ervaringen '40-'45' anders: “Aangezien de meeste Nederlanders in de grond der zaak hun cultuur (dat wil zeggen zichzelf) zien als evenwichtig en gezagsgetrouw, en bovenal als vreedzaam en deugdzaam, is (na 1945) het collectieve, kritische zelfonderzoek achterwege gebleven dat zou hebben kunnen leiden tot meer echte tolerantie en grotere onafhankelijkheid van geest.”

Is het waar dat dit voor de meeste Nederlanders geldt? Wellicht, maar het is evenzeer waar dat de ervaringen in de Tweede Wereldoorlog aan dit door Miller geschetste zelfbeeld knagen. Dat geldt zeker voor die Nederlanders die weten wat er toen met de joden gebeurd is. De toespraak van Dolman is van dit laatste een illustratie.

Wat gebeurde er met de joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog? Wat liet men gebeuren en waar verzette men zich tegen?

Sjoa is het Hebreeuwse woord voor 'catastrofe'. Het is ook de aanduiding geworden voor de jodenvervolging in Europa van 1933 tot 1945: de door het Duitse nationaal-socialisme georganiseerde planmatige vernietiging van zes van de negen miljoen Europese joden. De 'Holocaust' (het Griekse woord dat voor de Sjoa gebruikt wordt) heeft de joden op zichzelf teruggeworpen: toen zij ten dode opgeschreven waren, boden slechts weinigen hulp. De wereld zweeg. Ook vele Nederlanders lieten de joden in de kou staan:

- voor 1940 werden joodse vluchtelingen (behalve de prominenten) zo veel mogelijk geweerd;

- op kosten van de joodse gemeenschap bouwde de Nederlandse regering voor 1940 het kamp Westerbork en nog andere kampen om joodse vluchtelingen die toch werden toegelaten, op te vangen;

- talloze Nederlanders hielpen de Duitsers 'braaf en gehoorzaam' met het registreren en deporteren van joden.

Van de naar schatting 140 000 joden in Nederland werden er ongeveer 102 000 vermoord. Het percentage omgekomen joden is voor Nederland aanzienlijk hoger dan voor alle andere bezette landen in West-Europa, ongeveer 75 procent tegen ongeveer veertig voor Belgie en Noorwegen, twintig voor Frankrijk en ongeveer vijftien procent voor Italie, terwijl de weinige Deense joden nagenoeg allen konden ontkomen. Zelfs in Duitsland wisten relatief meer joden de dans te ontspringen dan in Nederland. In de Tweede Wereldoorlog bleek, dat er kennelijk een verschil was tussen joodse en niet-joodse Nederlanders en dat de joden minder goed geintegreerd waren (er minder bijhoorden) dan zij zelf dachten.

De vraag hoe het komt dat de joden in Nederland zwaarder getroffen zijn dan in andere bezette Westeuropese landen houdt onderzoekers (en de gemoederen) nog steeds bezig. Als oorzaken worden wel genoemd:

- de aanwezigheid in Nederland van een goed georganiseerd bezettingsregime met een sterke SS-invloed;

- het in Nederland relatief laat op gang komen, uitzonderingen daargelaten, van het georganiseerde verzet tegen de Duitsers. Aan dat verzet namen ook joden deel. Toen er eenmaal op grotere schaal illegaal verzet was, was het voor de meeste Nederlandse joden te laat;

- de gezagsgetrouwheid en meegaandheid van het merendeel van de Nederlandse bevolking, de Nederlandse joden inbegrepen. Het antisemitisme hier was in ieder geval niet erger dan elders in West-Europa, eerder minder of even erg;

- de ook toen al dichte bevolktheid van Nederland. Woeste en ontoegankelijke gebieden, waar mensen zich zouden kunnen verbergen, waren er bijna niet. Vluchtroutes naar vrije landen waren lang en moeilijk. Bovendien woonden verreweg de meeste joden, tachtig procent, in een stad, Amsterdam. Dat maakte het ook moeilijker om onder te duiken. Toch hebben 25 000 joden geprobeerd om zo aan hun vervolgers te ontkomen. Ongeveer 16 000 van hen zijn daar in geslaagd, meestal dank zij niet-joodse helpers. Ruim 3 000 joden is het gelukt te vluchten.

Tot zover het beeld van deze catastrofe in Nederland.

Tussen het beeld dat een groep van zichzelf heeft en het beeld dat anderen zich van die groep vormen, bestaat een verschil. Zo ziet Judith Miller de Nederlanders anders dan veel Nederlanders zichzelf zien. Ook voor een individu geldt dit verschil: hij of zij ziet, ervaart en waardeert zichzelf anders dan anderen - wel of niet behorend tot de eigen groep - hem of haar zien, ervaren en waarderen. Aan die verschillende beelden, inclusief de zelf-ervaringen en zelf-waarderingen, geven we verschillende namen. Het zelfbeeld noemen we identiteit, het beeld dat anderen vormen noemen we imago. Daarbij gaat het niet om de beelden zelf, maar om de interpretaties ervan. Toch is het niet zo, dat de interpretaties van de beide beelden op geen enkel punt met elkaar overeen kunnen komen. De raakvlakken tussen de visies van (de Nederlander) Dick Dolman en (de Amerikaanse) Judith Miller op het Nederlandse volk tonen dat aan. Het algemene punt is dit: identiteit en imago overlappen elkaar wel, maar vallen nooit helemaal samen.

Mensen die tot groepen behoren met een meer generaties omvattende cultuur, plegen zeer gehecht te zijn aan hun culturele identiteit. Dit geldt zowel voor meerderheidsgroepen als voor minderheidsgroepen. De geschiedenis leert ons dat dit aanpassing aan andere culturen volstrekt niet uitsluit. Culturele identiteit is de uitkomst van zowel deze gehechtheid als van deze aanpassing.

Hoeveel identiteiten heeft iemand? Er zijn mensen die een onderscheid maken tussen bij voorbeeld nationale identiteit, culturele identiteit, sociale identiteit en individuele identiteit en zo tot vier identiteiten komen. Het aantal identiteiten varieert dan met het aantal onderscheidingen. Ik kies voor een andere lijn. Net zo als ik aan een persoon een karakter toeken, ken ik hem of haar een identiteit toe. Voor een groep doe ik dat ook: een groep ken ik een identiteit toe. In beide gevallen noem ik die identiteit de culturele identiteit.

Vijf ervaringsgebieden (of bindingen), die met de volgende trefwoorden te typeren zijn, vormen die identiteit; de eigen cultuur, de omgeving en andere culturen, bevrijding, onderdrukking, iemands persoonlijke levensverhaal. (De gekozen volgorde van de trefwoorden is willekeurig). De interpretatie van de trefwoorden kan per groep en per individu varieren. Wat voor de ene persoon of groep eigen is, kan voor de andere vreemd en anders zijn, en de bevrijding van de ene kan de onderdrukking van de andere zijn. Met bevrijding en onderdrukking worden hier de algemene menselijke ervaringen bedoeld van enerzijds “het je thuis voelen” en anderzijds “het je bedreigd en onzeker voelen”. Die ervaringen kunnen te maken hebben met de periode 1940-1945, maar noodzakelijk is dat niet. Het persoonlijke levensverhaal ten slotte is per definitie persoonlijk en uniek.

De zojuist genoemde trefwoorden zijn in een formule weer te geven en uit te schrijven:

Culturele identiteit = I + II + III + IV + V, waarin

I = de eigen cultuur

II = de omgeving en andere culturen

III = bevrijding

IV = onderdrukking

V = iemands persoonlijke levensverhaal

Met een “schijf van vijf” is dit ook schematisch te illustreren.

Enkele opmerkingen:

1. De culturele identeiteit zoals hier bedoeld, heeft zowel een persoonlijke component (V) als een component, die door andere culturen (II) wordt beinvloed.

2. De vijf ervaringsgebieden of bindingen hoeven niet alle een even grote invloed op de culturele identiteit te hebben. De 'segmenten' in de schijf hoeven met andere woorden niet alle even groot te zijn. Zelfs is het mogelijk dat de invloed van enkele segmenten bijna te verwaarlozen is. Zulke segmenten zijn dan zo smal, dat ze bijna een streep vormen. Bij voortschrijdende assimilatie bijvoorbeeld wordt segment I steeds smaller en groeit segment II.

3. De culturele identiteit is geen vast gegeven, maar iets dat zich in de persoon permanent ontwikkelt. De segmentindeling van vandaag kan verschillen van die van een jaar later. Zo kunnen onderdrukkingstrauma's jarenlang sluimeren, alvorens manifest te worden. Vanaf dat moment begint segment IV zich te verbreden.

De formule en de schijf hebben betrekking op de culturele identiteit van het individu en niet op die van de groep waartoe hij of zij behoort, tenzij V zoiets gaat betekenen als 'de persoonlijke levensverhalen van de leden van de groep'. Die groep hoeft niet per se een minderheidsgroep te zijn. Het kan ook een meerderheidsgroep wezen.

De segmentcirkel suggereert dat de ervaringsgebieden I tot en met V elkaar niet overlappen. Dat is een verkeerde suggestie. Geen cultuur is totaal uniek, hetgeen problemen oplevert bij het onderscheiden van zekere aspecten van ervaringsgebieden I en II. Aangezien geen cultuur het heil uitsluitend buiten zichzelf zoekt, zullen de gebieden I en III altijd ervaringen gemeen hebben. Onderdrukking wordt ons meestal door anderen aangedaan, hetgeen het onderscheid tussen delen van II en van IV kan bemoeilijken. Daar iedereen een produkt van zijn (haar) opvoeding en zijn (haar) omgeving is, ook al zet hij (zij) zich tegen beide af, bevat V ook altijd elementen van I en II. Kortom: de schijf van vijf is een simplificatie van het culturele identiteitsmodel. De schijf toont de overlappingen niet die er wel zijn.

De segmenten in de cirkel staan voor ervaringen en bindingen met een verleden en een toekomst. Culturele identiteit is een interpretatie van het heden, gezien vanuit het verleden en met het oog op de toekomst. Dit maakt haar, in al haar meerduidigheid, ook tot een ideologisch geladen begrip met de daarbij behorende ideologische discussies over de te kiezen interpretaties.

Tot zover enkele algemene opmerkingen over culturele identiteit en cultureel imago in het algemeen en Nederlandse identiteit en Nederlands imago in het bijzonder. Aan het slot van mijn betoog werk ik dit verder uit voor Nederland als multiculturele democratie.

Voordat ik dat echter doe, wil ik eerst mijn oog richten op twee interessante educatieve projecten, die elk op hun manier het verhaal van de Sjoa in Nederland vertellen. Het ene is ambitieus en internationaal, het andere lokaal en bescheiden. Beide zijn het Nederlandse voorbeelden van wat sinds Adorno 'Erziehung nach Auschwitz' (Opvoeding na Auschwitz) heet. Beide projecten tonen verschillende tendensen en beide zeggen ze indirect ook al iets over multiculturaliteit. Dit laatste in de beperkte zin van de relatie tussen de Nederlandse en een andere culturele identiteit: de joodse.

De tentoonstelling 'De wereld van Anne Frank, 1929-1945' reist de wereld rond en is al in vele landen te bezichtigen geweest. Bij de tentoonstelling hoort een fotoboek dat dezelfde titel draagt. Mijn opmerkingen slaan op beide: tentoonstelling en boek.

Met de 'wereld van Anne Frank' wordt vooral de niet-joodse wereld tusen 1929 en 1945 bedoeld. Over het dagelijkse leven van de joden in Duitsland en Nederland komen we bijna niets te weten. Wat betekende het voor hen om jood te zijn? Hoe zagen, ervoeren en waardeerden zij dat zelf? Ook over de joodse identiteit van de familie Frank krijgen we nauwelijks informatie. Wel wordt er aandacht gegeven aan de vooroorlogse economische en politieke crisis en de naziideologie en het nazi-systeem. Duidelijk wordt de band tussen het heden en verleden gelegd bij onderwerpen als antisemitisme, fascisme, racisme, vooroordeel, discriminatie, neo-nazisme en de ontkenning van de Holocaust (de zogenoemde 'Auschwitz-Luge'). Maar ook hierbij krijgen de slachtoffers als mensen van vlees en bloed heel weinig aandacht. Zij blijven anoniem en abstract.

Bij verreweg de meeste projecten over de Sjoa, en dat geldt ook voor dit voorbeeld, komen bijna geen joden aan bod, die hun joodse identiteit accepteren en waarderen, die sympathie kunnen oproepen of respect kunnen afdwingen en die geen slachtoffers zijn - of waren. Zo wordt er dan (meestal onbedoeld) gesuggereerd dat joden zielig zijn en dat het beter is om geen jood te zijn. Wie wil er immers gehaat, vervolgd of vermoord worden? In zulke projecten, die meestal ook de pretentie hebben voor de gevaren van vooroordeel en rassewaan te waarschuwen, is het even dwaas de joden uitsluitend als slachtoffers te typeren als ze te portretteren als oudtestamentische profeten, zakenlieden, Israelische soldaten, communisten, violisten of Nobelprijswinnaars.

Ik kom tot de volgende twee conclusies:

- Projecten, waarin joden (bijna) alleen maar aan bod komen in het perspectief van de Sjoa of het antisemitisme, zijn educatief onverantwoord.

- Zulke projecten moeten daarom door opvoeders, leraren of ontwerpers van educatief materiaal aangevuld worden met informatie over andere aspecten van de joodse identiteit, zoals de joodse religie, cultuur en traditie, de relatie met de omliggende culturen en omgeving, Israel, zionsverlangen en zionisme en de persoonlijke levensgeschiedenissen van bekende en minder bekende joden.

Naast de Sjoa en het antisemitisme zijn dit voor joden de ervaringsgebieden, waar de eerder genoemde vijf aspecten van culturele identiteit voor staan.

Terug naar ons voorbeeld, de tentoonstelling en het boek. Ik vrees dat beide hun doel wel eens voorbij zouden kunnen schieten, als ze niet aangevuld worden met meer informatie over het joodse leven in Duitsland en Nederland toen en nu, te beginnen in 1929 of liever nog eerder. Wat ligt er trouwens meer voor de hand om als voorbereiding op een bezoek aan de tentoonstelling het dagboek van Anne Frank zelf te lezen. Juist in dit dagboek komen die andere aspecten van de joodse identiteit ook aan de orde. Niet uitgebreid en expliciet, maar in aanzet. Tot zover het eerste voorbeeld. Het tweede voorbeeld heeft een heel ander karakter, dat al uit de titel van het project blijkt.

Winsum is een dorpje in het noorden van Nederland. Het ligt niet ver van de stad Groningen. In de dorpskern staat een kleine synagoge, die niet meer als synagoge in gebruik is.

“Van 1879 tot 1934 hebben hier op de sabbath en op feestdagen de gezangen geklonken. In deze joodse kerk is men getrouwd en heeft men de traditionele gebeden voor de overledenen uitgesproken. De sjoel, afgeleid van het Duitse 'Schule', zoals de synagoge door de joden werd genoemd, is het hart van de joodse gemeente. Het is het huis van samenkomst waar men de Thora leest. Het is tevens een sociaal ontmoetingspunt,” schrijven H. Hamburger en J. C. Regtien in 'Een Joodse Erfenis in Winsum' (uitg. Profiel, Bedum).

Omstreeks 1935 waren er nog weinig joden in Winsum over. De synagoge functioneerde niet meer als synagoge. In juli 1940 werd ze verkocht. Nederland was toen al bezet.

“Thans wordt het gebouwtje beheerd door een stichting. het is een buurthuis waar vergaderingen en bijeenkomsten plaatsvinden en bruiloften worden gevierd. Zo is het een centrum van samenkomen, het Nederlandse woord voor synagoge, gebleven.”

In 1991 namen enige particulieren het initiatief tot oprichting van de werkgroep 'Een Joodse Erfenis in Winsum'. Ze wilden meer weten over het joodse verleden, omdat de oude synagoge hun nieuwsgierigheid had opgewekt. Van het een kwam het ander. Toen het gemeentebestuur de werkgroep enkele maanden later - in december 1991 - om advies vroeg voor een monument voor de in de Sjoa omgekomen joden uit Winsum, reageerde zij daar nogal beduusd op. Toch bracht zij een advies uit. Tot haar verrassing werd dit advies goed ontvangen door zowel de gemeente Winsum als ook door de stichting die het synagogegebouw beheert, de buurt en door vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap in Groningen. Op 4 mei van dit jaar (1993), de dag van de Nationale Herdenking van de doden uit de Tweede Wereldoorlog, werd het monument onthuld. Het bestaat uit twee glazen panelen die vlammend oplichten in de ochtendzon. Erop staan de namen van de omgekomenen en een bijbeltekst. Het monument is aangebracht aan de oostzijde van de voormalige synagoge. “Zo is deze oude synagoge als het ware de sokkel geworden van dit monument, niet alleen als gebouw, maar ook in de zin van sjoel, leerhuis, waarin van oudsher de geschiedenis wordt doorgegeven en gedragen,” zei Jan Buwalda, ontwerper van het monument en lid van de werkgroep.

De werkgroep organiseert leerhuisactiviteiten, waarbij het joodse verleden bestudeerd wordt, maar ook aandacht gegeven wordt aan het hedendaagse joodse leven, dat zich buiten Winsum - en grotendeels buiten Nederland - afspeelt.

Waarom sta ik zo uitgebreid stil bij dit betrekkelijk kleine project? Omdat dit voorbeeld ook een tendens weergeeft en naar mijn mening een hele belangrijke. Ik citeer uit het voorwoord van het boekje, dat enkele weken voor de onthulling van het monument uitkwam:

“Het is meer dan vijftig jaar geleden dat dertien onschuldige inwoners van Winsum, waaronder een vrouw van vierentachtig en vier kinderen, gedwongen werden op een trein te stappen. Het waren gewone mensen, de nakomelingen van families die al vele generaties in Winsum hadden gewoond en gewerkt ( . . . ) De treinen naar Westerbork vormden de eerste schakel in een duivels scenario. Van hieruit gingen de joden naar de gaskamers van Sobibor en Auschwitz. Het was de bedoeling dat ze spoorloos zouden verdwijnen. Maar de tijd was te kort om hun sporen volledig uit te wissen. Nog staan er hun synagoges, nog zijn er hun dodenakkers, nog zijn er archieven en nog zijn er herinneringen.”

In Winsum werden dertien joden weggevoerd en de werkgroep, die uit vrijwilligers bestaat met voor het merendeel geen joodse achtergrond, ontfermt zich over hen en voorkomt daarmee hun spoorloze verdwijning: “Er is een joodse erfenis in Winsum. Daarover willen we verhalen. En voor zover mogelijk aan de dertien joodse inwoners hun naam en hun gezicht teruggeven.”

Daar gaat het om: de omgekomen joden hun naam en hun gezicht teruggeven, voor zover dat enigszins mogelijk is.

In het vooroorlogse Nederland waren zo'n honderd-en-negentig joodse gemeenten als Winsum. De meeste waren groter dan Winsum. Honderd-en-tweeduizend joden in Nederland overleefden de Tweede Wereldoorlog niet. Ook zij hebben recht op hun naam en hun gezicht. Of anders gezegd: ook zij hebben recht op hun identiteit. Gelukkig zijn er meer werkgroepen als die in Winsum, die dit als hun opdracht zien. Maar het zijn er nog lang geen honderd-en-negentig.

Terug naar onze multiculturele democratie met haar veelheid aan culturele identiteiten en imago's. Als we inderdaad uitgaan van 'de gelijkwaardigheid van mensen en van culturen', moeten we beide zojuist genoemde typen beelden even ernstig nemen en even zorgvuldig analyseren. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar het gebeurt zelden. Identiteit en imago worden meestal niet als concurrerende beelden gezien die beide en eerlijke kans moeten krijgen hun gelijk te bewijzen. Wat weten we van de culturele identiteiten van de tientallen minderheidsgroepen die Nederland rijk is? Wat weten we van het zelfbeeld van Indische Nederlanders, Molukkers, Surinamers, Antillianen, Arubanen, Zuideuropeanen, Turken, Marokkanen, Chinezen, moslims, hindoestanen en zigeuners, om maar enkele groepen te noemen? Meestal bitter weinig, als we tenminste niet zelf tot een (of meer) van die groepen behoren. Wat verklaart die onwetendheid en ongeinteresseerdheid?

In een belangwekkend essay over de spanningen en machtsverhoudingen tussen gevestigden en buitenstaanders, schrijft de socioloog Norbert Elias: “We kunnen steeds opnieuw vaststellen dat mensen die tot groepen behoren die in termen van macht sterker zijn dan andere groepen waarmee ze te maken hebben, van zichzelf denken dat ze in menselijk opzicht beter zijn dan de anderen.”

Ik denk dat de zojuist genoemde onwetendheid en ongenteresseerdheid hierop terug te voeren zijn. Mensen die zichzelf beter vinden, hebben in de regel geen belangstelling vor mensen die zij minder vinden. Zodra ze een bepaalde groep als minder zien, interesseren ze zich in de regel dus ook niet voor de culturele identiteit van die groep, voor de manier waarop die groep zichzelf ziet, ervaart en waardeert. Ze hebben genoeg aan het beeld dat ze zelf van die groep hebben en dat is het culturele imago. Uiteraard is dat dan negatief. Op deze wijze krijgen minderheidsgroepen met weinig macht hun negatieve imago en ontkennen of negeren meerderheidsgroepen met meer macht de identiteit van die minderheidsgroepen.

Er is in de hier beschreven situatie geen sprake van een eerlijke strijd tussen de twee beelden, die wij identiteit en imago hebben genoemd. Evenmin is er hier sprake van een open dialoog op basis van gelijkwaardigheid. Er is hier ook geen sprake van echte tolerantie. Er is hier wel sprake van iets anders, dat moeilijk grijpbaar is en geen duidelijke naam draagt. Laten we het maar de 'voedingsbodem van rassehaat' noemen. Volgens Adorno ontbreekt het racisten aan warmte en medemenselijkheid: “Onvermogen tot identificatie was ongetwijfeld de belangrijkste oorzaak van het feit dat zoiets als Auschwitz zich te midden van enigszins beschaafd een goedwillende mensen heeft kunnen afspelen.”

Je niet met anderen kunnen identificeren en niet voor andere groepen willen opkomen noemt hij 'een bijzonder opvallend, wijd verbreid symptoom van de universele koudheid'. Iemand die dit niet kan en niet wil is een 'verkilde', die 'voor alles zijn eigen voordeel behartigt' en 'onverschillig is voor het lot van anderen'. Is dit alleen maar een probleem van hen: de nazi's, de meelopers, de toekijkers, de ontevredenen en de haters van toen? Nee, het is ook een probleem van ons nu. Adorno zegt het zo: “Tegenwoordig voelt ieder mens, zonder enige uitzondering, zich te weinig geliefd doordat iedereen te weinig kan liefhebben.” Als generalisatie is deze uitspraak waarschijnlijk onjuist. Als uitgangspunt voor opvoeding lijkt ze me van het grootste belang. Behalve het bestrijden van vooroordelen en discriminatie moet opvoeding na Auschwitz ook het brengen van warmte zijn, of zoals Durlacher het zegt: “. . . het graven naar lichtpunten in het zwarte verleden, naar tekenen van vriendschap en solidariteit, om de last der herinnering te verlichten.”

De werkgroep in Winsum is een voorbeeld van zo'n hartverwarmend project. Mijn kritiek op veel projecten die vooroordeel, racisme en (neo)nazisme willen bestrijden, is juist hun kilheid en in het verlengde daarvan hun drammerigheid, humorloosheid, prekerigheid en betweterigheid.

Ten slotte nog twee kanttekeningen bij het begrip 'identificatie'. Allereerst is het je kunnen verplaatsen in anderen, in mensen die anders denken, anders voelen en anders doen, een belangrijk opvoedkundig doel. Volkomen identificatie daarentegen is onmogelijk en ongewenst, of dat nu is met de onderdrukkers, de slachtoffers, de afzijdige toekijkers of juist met de dwarsliggers. Het is onmogelijk omdat twee mensen (of meer) niet kunnen samenvloeien tot een, het is ongewenst omdat iedereen recht heeft op zijn of haar eigenheid. Bovendien zouden mensen van goede wil, die solidair zijn met de zwakkeren in de samenleving, zich het volgende moeten realiseren. Geen enkele gediscrimineerde groep wil uitsluitend op haar onderdrukking, haar slachtofferschap, aangesproken worden, zelfs indien die discriminatie voor een belangrijk deel haar identiteit bepaalt. Dit geldt zowel voor de joodse identiteit als voor de andere culturele, ethnische, religieuze of nationale identiteiten.

Ik kom nu toe aan de afronding van mijn betoog. We leren onszelf en onze eigen identiteit op twee manieren kennen: via onszelf en via anderen, via onze eigen ogen en via vreemde ogen. Dit is al reden genoeg om in de opvoeding (en het onderwijs) aan het hier geschetste onderscheid tussen identiteit en imago aandacht te besteden.

Er is ook een grimmigere reden voor. Opvoeding die identiteit niet even serieus neemt als imago, werkt racisme in de hand en verdient het predikaat 'opvoeding na Auschwitz' niet. Minderheidsgroepen hebben daar niets van te verwachten. Meerderheidsgroepen brengt ze tot zelfoverschatting. Het is opvoeding die niet civiliseert, maar barbariseert. Voor hen die - met Adorno - van mening zijn dat 'alle opvoeding op ontbarbarisering gericht moet zijn', is dat een slechte zaak. Opvoeding die alleen ruimte laat voor de eigen identiteit en de eigen zelfverheffing en niet open staat voor kritiek en nieuwe impulsen van 'buitenlanders en buitenstaanders', is kleurloos en koud. Ze is, weten we nu, het voorportaal van intolerantie en barbarij.

Ter afsluiting een citaat uit Abel Herzbergs 'Brieven aan mijn grootvader': “Wij mogen nooit vergeten dat de mensheid geen ander middel ter beschikking heeft om het wilde beest, dat altijd in haar leeft, te temmen dan humaniteit, al faalt dit middel ook nog zo vaak.”

Voor opvoeding, zelf-opvoeding daarbij inbegrepen, geldt hetzelfde. Ze kan temmen en humaniseren, maar ook falen. Iets beters hebben we echter niet tot onze beschikking.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden