Opvallen is niet genoeg

De meeste debuten horen thuis bij het speekwoordelijke dertien in het dozijn. Dáárom dringen ze niet door tot de kranten of de talkshows

Als literaire debutant heb je het niet gemakkelijk. De vreugde om jezelf gedrukt te zien krijgt een flinke domper wanneer het boek waarin je je ziel en zaligheid hebt gestoken onopgemerkt blijft. De kans daarop is enorm groot, want de beschikbare recensieruimte in de wekelijkse boekenbijlagen staat in geen verhouding tot de hoeveelheid nieuwe titels die week in week uit verschijnt. Het debutantenbal heeft daarmee veel weg van een stoelendans met tien zitplekken op honderd gegadigden. Het gevolg is dat de vele muurbloempjes het hooguit nog een of twee keer proberen, om dan, bij het uitblijven van weerklank, de schrijfaspiraties ontmoedigd op te geven.

De enkele debutant die zo gelukkig is om aan te mogen schuiven bij een veelbekeken televisieprogramma heeft de aandacht van de pers al niet meer nodig. Ex-priester Stefan van Dierendonck, die in 'En het regende brood' een hele reeks nare ervaringen met de rooms-katholieke kerk van zich af schreef, verscheen in september bij 'Pauw & Witteman' en zag zijn boek, ook nog eens voorzien van een warme aanbeveling van relispecialist Jan Siebelink, vervolgens een aantal keren herdrukt.

Een debuut kan ook aandacht trekken omdat het inzet is van al dan niet geregisseerde rellen en incidenten. Peter Buwalda's 'Bonita Avenue' (2010) werd pas besproken na het bericht dat een onbekende man (volgens kwade tongen ingehuurd door Buwalda's publiciteitsbewuste uitgever) in verschillende boekhandels exemplaren van deze roman had verscheurd.

Onverschillig of we hier nu wel of niet met een promotiestunt te maken hebben, stemt het nogal treurig dat zo'n geslaagd boek als dat van Buwalda zijn zegetocht begon dankzij oneigenlijke ophef. In zekere zin geldt voor Van Dierendoncks debuut hetzelfde.

De conclusie is duidelijk: een debuut moet iets bijzonders hebben om op te vallen. En wanneer hem dat niet zit in de persoon van de schrijver, dan zal het toch van het boek in kwestie moeten komen. Dat moet onderscheidend zijn, karakter, eigenheid en originaliteit uitstralen en er uitspringen qua stijl en andere esthetische hoedanigheden.

Hier beginnen de problemen pas echt. De meeste debuten horen namelijk thuis bij de spreekwoordelijke dertien die het grauwe dozijn volmaken en niet de potentie bezitten om door te dringen tot krantenkolommen of talkshows. Ze hebben hun bestaan enkel te danken aan de omstandigheid dat uitgevers bij wijze van kanonnenvoer een bont cohort schrijfrecruten het slagveld opsturen en maar afwachten wie overleeft.

Je vraagt je intussen wel af hoe het zit met het schiftend vermogen van die uitgevers. Sinds enkele decennia hebben ze naar Amerikaans voorbeeld editors in dienst, bureauredacteuren die zich speciaal bezighouden met het begeleiden van literair werk in uitvoering. Maar of er na hun komst ook sprake is van kwalitatieve vooruitgang valt te betwijfelen. In de boekenbranche draait het immers om de continue productie van nieuwe titels. Omdat er steeds sneller positieve bedrijfsresultaten behaald moeten worden en de opslagruimte voor onverkochte boeken schaars en dus duur is, liggen de nieuwe boeken steeds korter in de winkel en verdwijnen ze steeds eerder in de ramsj en tenslotte in de papierversnipperaar.

Wat hebben de Nederlandse debutanten anno 2012 uit de kast gehaald bij hun pogingen om de aandacht van critici, media en publiek te trekken? Een enkeling heeft het eerste boek ingebed in een weldoordachte campagne.

De goedgebekte cabaretier Johan Fretz maakte handig gebruik van zijn connecties om zich via 'De Wereld Draait Door' en 'Pauw & Witteman' te profileren als toekomstig minister-president. Langs de omweg van quasi-autobiografische fictie heeft deze aanstormende auteur zijn (misschien niet serieuze) politieke ambitie geprojecteerd in 'Fretz 2025', een dicht op de actualiteit geschreven roman die leest als verkiezingspamflet en satire tegelijk.

Minstens zo nadrukkelijk bij de tijd is 'Schaduwstad' van journaliste Fleur Jurgens.

Die waagde zich een paar jaar geleden, niet helemaal onomstreden, aan een non-fictieboek over wat ze het 'Marokkanendrama' beliefde te noemen. In haar eerste roman meet ze dat drama nog eens breed uit in de geschiedenis van een reporter die ontdekt dat achter de gevel van een Osdorpse moskee een criminele bende schuilgaat. Fretz en Jurgens doen hun best om bij de tijd te blijven en zo de publieke smaak te gerieven, maar met literatuur hebben hun debuten niet veel van doen. Vooral het boek van Jurgens drijft voornamelijk op sensatie, stereotiepe vooroordelen en effectbejag.

Anders ligt dat bij Annemarie de Gee. Zij schuwt de heftigheid niet, maar weet die in te kaderen in een verrassende opzet. Alle verhalen in haar debuutbundel 'Kamermensen' spelen zich af in een en dezelfde hotelruimte. Gasten zijn twee bejaarden die al een halve eeuw met elkaar overspelig zijn, een politicus die er in de trant van Dominique Strauss-Kahn zijn seksfeestjes viert, een vrouw die er praktijk houdt als draagmoeder, en nog diverse andere excentriekelingen en randfiguren. Dankzij een effectieve, want suggestieve verteltrant weet De Gee al die karakters in een paar rake trekken neer te zetten.

Niet elke debutant die het zoekt in extremiteiten is even origineel. Patrick Bassant liet zich in 'Joy' inspireren door de Duitse anatoom-kunstenaar Gunther von Hagens, die naam maakte met exposities van geplastificeerde lijken. De manier waarop Bassant dit stukje realiteit omzet in een horrorstory doet sterk denken aan Yves Petry's succesvolle roman 'De maagd Marino'. Petry ontleende zijn stof aan de beruchte affaire rond twee Duitse kannibalistische sadomasochisten waarvan de een de ander stukje bij beetje oppeuzelde, maar kapitaliseerde daarbij eerder op zijn verfijnde stijl dan op de sensationele kanten van het gegeven. Bij Bassant komt die eigen stijl nog niet erg uit de verf.

Het is niet zeker of het kwam door het naderende einde van de Majakalender en de daarmee samenhangende voorspelling dat we op de 21ste december ook het einde der tijden gingen beleven, of simpelweg vanwege de zorgen om de globale klimaatopwarming, maar zonneklaar is wel dat de dreiging van de Apocalyps sommige debutanten het afgelopen jaar stevig in de greep had.

Roderik Six roept in 'Vloed' een toekomstige wereld op waarin het net als in het Bijbelverhaal over Noach en de Ark onafgebroken regent. Een kwartet jonge mensen heeft zich verschanst in de bovenste etages van een studentenflat, leeft van achtergelaten voorraden en bedwelmt zich dag in dag uit aan een drug die Ultra heet. Het levert een tamelijk wezenloze geschiedenis op.

Futuristisch gesomber komen we ook tegen in 'Op zwart' van Willem Bosch. Hier geen zondvloed, maar een aardbol die in 2010 is opgehouden met zijn vierentwintiguursomwentelingen. Gevolg is dat het oostelijk halfrond in permanente duisternis gehuld blijft, terwijl aan de westelijke kant de zon nooit ondergaat. Om te voorkomen dat Nederland ten prooi valt aan chaos en ontvolking, is een permanente noodtoestand van kracht. Niemand mag zijn of haar woonplaats verlaten en emigratie naar de zonzijde van de globe is strikt verboden. Zo lijkt ons landje verdacht veel op een Oostblokland oude stijl. Ondanks de beperkingen slaagt hoofdpersoon Bram van der Stok er toch in naar Amerika te ontkomen. Daar wordt hij met open armen verwelkomd, gegeven het feit dat men hem aanziet voor een vooraanstaande geleerde die de aarde weer aan het draaien kan krijgen. Zowel deze ontknoping als de hele aanloop doet denken aan een thriller, maar dan van een buitengewoon kinderlijk niveau.

De apocalyptische en anti-utopische trend (die je ook wel vindt bij een gearriveerde auteur als Leon de Winter en in de recente roman 'Euforie' van Christiaan Weijts) zou je gemakkelijk kunnen duiden als een teken van heroplevend engagement. En voortredenerend langs diezelfde lijn, die in dit geval zijn aanleiding vindt bij Six en Bosch, zou je de debuten van Johan Fretz en Fleur Jurgens ook onder dat label kunnen scharen. Maar het is wel engagement van de allergoedkoopste en allergemakzuchtigste soort.

Stefan van Dierendonck: En het regende brood. Thomas Rap, Amsterdam; 240 blz. € 18,90

Johan Fretz: Fretz 2025. Lebowski, Amsterdam; 191 blz. € 17,50

Fleur Jurgens: Schaduwstad. De Bezige Bij, Amsterdam; 240 blz. € 18,50

Annemarie de Gee: Kamermensen. Atlas Contact, Amsterdam; 176 blz. € 18,95

Patrick Bassant: Joy. Wereldbibliotheek, Amsterdam; 160 blz. € 17,90

Roderik Six: Vloed. De Arbeiderspers, Amsterdam; 262 blz. € 19,95

Willem Bosch: Op zwart. Lebowski, Amsterdam; 174 blz. € 16,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden