Opstandig Liverpool overleeft op wrede aarde

In Groot-Brittannië viert Tony Blair met zijn New Labour-regering ruim een jaar na aantreden nog triomfen. New Labour, New Britain, maar in het achterland is het lang niet alles goud wat er blinkt. In Liverpool bijvoorbeeld, havenstad aan de Mersey, dringt de glans nog lang niet door. De Liver Bird, symbool van de stad, laat de kop hangen. Deel 1 in een serie over de stad, het vuil en de hoop.

LIVERPOOL - Norma wil dansen. Dat wil ze altijd wel, maar zeker op zondagmiddag, wanneer het volk van Liverpool de pub ingaat voor een verzetje. Het is deze middag, zoals elke zondagmiddag, stampvol in The Liverpool, een klassieke pub. In de hoek van de grote ruimte speelt een combootje. Een beetje ballroom, een beetje pop.

Norma en haar vriendin Janice hebben 'm een beetje om, zoals het merendeel van de Liverpudlians hier, en de schroom is gevaren. Dansen dus, en sjansen met kerels. Morgen wacht de kater. Plus weer een hele week niks, want Norma is werkloos, leeft van een uitkering, net als de meesten van haar vriendenclub hier. Ja, er is veel narigheid in Liverpool. Maar des zondags is het dansen.

Het gaat niet echt goed met Liverpool. Groot-Brittannië mag zich dan na het aantreden van Tony Blair en zijn New Labour-regering sinds mei vorig jaar verheugen in een imposante swing omhoog - economisch, maar vooral ook maatschappelijk en cultureel, de glamour van Blair en zijn 'Camelot' straalt na ruim een jaar New Labour-bewind vooralsnog allerminst af van Liverpool. De armoede en verpaupering daarentegen des te meer.

Dat beseft premier Blair zelf ook. De Britse havenstad aan de rivier de Mersey tobt al vele jaren met verarming en verloedering, en zit al sinds 1990 in het Europese Objective One-programma, waardoor ze als 'armoedegebied' tot het jaar 2000 kan putten uit de Europese ontwikkelingspot. Maar dat heeft nog weinig zoden aan de dijk gezet, en een recent rapport van de Downing Street Social Exclusion Unit zet Liverpool zelfs boven aan de lijst van meest arme, meest achtergebleven steden en gebieden in Groot-Brittannië.

Ruim voor de Londense wijk Newham en het naburige Manchester. Hier en daar zelfs zo verpauperd, dat een deel van de wijk Wavertree gaat fungeren als decor in een zes uur durende dramaserie van Granada-televisie. De serie 'Cruel Earth', Wrede Aarde, verhaalt over een handjevol overlevenden van een wereldwijde natuurramp die de aarde aan de rand van vernietiging heeft gebracht. En met Liverpool als decor, hoe vleiend.

Er is nu 800 miljoen pond vrijgemaakt, ruim 2,6 miljard gulden, om de landelijke paupergebieden aan te pakken, en daar zal Liverpool een flink deel van toegeschoven krijgen, zo verzekerde Blair die persoonlijk optreedt als supervisor van dit zogeheten 'New Deal for Communities'.

En ondertussen slaan de Liverpudlians zich erdoor, met hun levenslust, met een mengsel van opstandigheid, zelfbeklag en zwarte humor. Humor, zoals vroeger vertolkt door de meest vermaarde Liverpudlian aller tijden, John Lennon, de op 8 december 1980 vermoorde Beatle. Zelfspot, jezelf een beetje naar beneden halen, is kernmerkend voor een Liverpudlian, zegt Larry Neild, oude rot bij de grootste krant, de Liverpool Echo, en gepokt en gemazeld in het stadse leven. “Maar we betalen wel een prijs voor die zelfspot. De buitenwacht denkt een loopje met ons te kunnen nemen. Kijkt toch een beetje op ons neer.”

Met die buitenwacht wordt dan vaak Londen bedoeld, zegt Stephen Guy. Dat arrogante, betweterige Londen, politiek en cultureel machtscentrum van het land. De geboren en getogen Liverpudlian is voorlichter van de 'National Museums and Galleries on Merseyside', een keten van museums waarmee de stad haar cultureel niveau behoorlijk heeft weten op te vijzelen. Guy: “Er heerst hier een tamelijk vijandige stemming naar Londen toe. Liverpool is steeds een dwarse, moeilijke stad geweest, heeft altijd grote moeite met autoriteit, en in Londen zit het establishment hè, de royalty, de machthebbers. Liverpudlians hebben zo'n houding van: we gaan ze te kakken zetten. Dat gaat dan met veel energie, met veel zwarte humor en zelfspot. Dat hebben die scouses hier allemaal.”

'Scouse', bijnaam voor de Liverpudlian. Geuzennaam eigenlijk, want ze verwijst naar een simpel eenpansgerecht van aardappelen, wortelen en uien, in 'gegoede kringen' kwam daar dan nog een vlees en andere groenten bij. Echte scouses zijn snel aangebrand, assertief, pikken heel weinig, zegt Larry Neild. “Als je op een vliegveld bij vertraging van een toestel een Brit herrie ziet schoppen bij de balie, kun je er vergif op innemen dat het een Liverpudlian is.”

Dat opvliegerige trekje bij de scouses, gepaard aan die neiging tot zelfmedelijden, zou verklaard kunnen worden uit het Ierse bloed dat door menig Liverpoolse ader vloeit. “Liverpool heette ooit 'de hoofdstad van Ierland”', zegt Stephen Guy. “Vanaf de jaren veertig vorige eeuw trokken zo'n half miljoen Ieren naar Liverpool, vluchtend voor de hongersnood als gevolg van de mislukte aardappeloogsten.”

Een erg positief imago brachten de Ieren niet met zich mee. De moordende tyfusplaag die Liverpool in 1847 trof, heette vanwege de massale instroom van Iersen dan ook de 'Ierse koorts'. Dat was aan de vooravond van de glorietijd van Liverpool, de Victoriaanse en Edwardiaanse periode, waarin de industriële revolutie zijn vruchten afwierp en waarin het 'Britannia, rule the waves' binnen en buiten het Britse kolonial rijk, 'waar de zon nooit onderging', letterlijk genomen kon worden.

En Liverpool, havenstad nummer één, pikte daar een flink graantje van mee. Veel import, van ruwe katoen bijvoorbeeld voor de textielindustrie in Lancashire, met Manchester als centrum, en export, ook weer veel textielproducten. 'Manchester behoort tot Lancashire, Liverpool behoort tot de wereld', heette het dan ook in die dagen.

Het was zelfs zo dat Liverpool tijdens de Amerikaanse burgeroorlog de Confederatie steunde, de 'Zuidelijken', die hier een ambassade hadden. Het ging zo ver dat Liverpoolse captains of industry en havenbaronnen met eigen geld op de Liverpoolse Camell Laird-werf een oorlogsschip voor de Zuidelijken lieten bouwen, de Alabama, die de aanvoer van ruwe katoen uit het afgesplitste zuiden van de Verenigde Staten moest beschermen. En meneer Penny, die van de Beatles-klassieker 'Penny Lane' uit 1967, was een voornaam Liverpools slavenhandelaar, met belangen in het Zuiden.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog ging het nog goed met Liverpool, de bevolking lag rond de jaren twintig ruim boven de 800 000, maar de oorlog had een verwoestende uitwerking. Na Londen werd Liverpool het zwaarst gebombardeerd door de Duitsers, tijdens de 'Blitz' in de eerste week van mei 1940 kreeg Liverpool 86 luchtaanvallen te verduren.

Na de oorlog slonk het inwonertal van de stad gestaag. Grote delen van de stad lagen plat, de wederopbouw van haven en industrie moest nog beginnnen, en het achterland trok. Die leegloop trok een zware wissel. Minder geld in de gemeentekassen, waardoor geleend moest worden bij 'Londen', om gemeentediensten draaiende te houden.

De verpaupering sloeg vooral toe in de wijken waar het toch al niet zo voor de wind ging, Wavertree bijvoorbeeld. Of de overwegend zwarte wijk Toxteth. Daar barstte de bom in 1981, hevige rellen die dagen aanhielden, oproerpolitie die voor het eerst CS-gas inzette op het Britse vasteland, en honderden miljoenen schade.

De Conservatieve regering-Thatcher kon er niet omheen, en Michael Heseltine werd aangesteld als speciaal minister voor de ontwikkeling van de Merseyside. Heseltine kwam, zag, en wist Thatcher ervan te overtuigen dat alleen een miljardenimpuls de stad uit het moeras kon trekken. Als eerste werd het 'Waterfront' aangepakt, met als speerpunt het verloederde Albert Dock, dat tegen de wijk Toxteh aanlag. En met succes, in 1985 kon het nieuwe Albert Dock geopend worden, en had Liverpool weer een aangezicht waar het mee voor de dag kon komen. Alleen, een paar straten achter het Albert Dock begint het 'echte' Toxteth, en daar valt nog steeds niet mee te pronken.

Toch is het in Liverpool niet alleen kommer en kwel wat de klok slaat. De stad is in cultureel opzicht een indrukwekkende inhaalrace begonnen. En niet alleen via de inmiddels tot een miljoenenindustrie uitgegroeide cultus rondom The Beatles, met musea en tot bedevaartsoorden verheven pleisterplaatsen van The Fab Four, waarlangs dagelijks The Magical Mistery Tour trekt.

Liverpool kan pronken met acht 'gemeentelijke' museums van verschillende pluimage, met natuurlijk stevige nadruk op de maritieme historie van de stad, en verenigd in de National Museums and Galleries on Merseyside. Kroonjuweel is het Conservation Centre, vermaard door zijn laser-herstelbewerkingen van in ongerede geraakte kunstwerken en zeldzame attributen, inmiddels verheven tot Europees museum van het jaar.

En vanaf de veerboot naar de overkant, ziet de stad er met zijn Waterfront, het Albert Dock en de 'drie gratiën' - de 'dome' van de Mersey Dock and Harbour Ompany, het Cunard Building en het Liver Building - aantrekkelijk uit. Maar daarachter liggen Toxteth en Wavertree. Wavertree, de wijk die fungeert als decor voor een apocalyptische serie van Granada Television, over overlevenden van een natuurrramp die de wereld zowat heeft verwoest. En in Wavertree hoefde de regisseur niks meer te verwoesten.

'Life goes on day after day', zingen Gerry and the Pacemakers via de luidsprekers van de veerboot uit hun song 'Ferry 'cross the Mersey'. 'Cause this land's the place I love, and here I'll stay'. Mooi lied, maar zanger Gerry Marshden heeft Liverpool jaren geleden ook al de rug toegekeerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden