Opnieuw genieten

(FOTO ROB HUIBERS/HH) Beeld Rob Huibers/Hollandse Hoogte
(FOTO ROB HUIBERS/HH)Beeld Rob Huibers/Hollandse Hoogte

Europa is, stelt Matthias Smalbrugge, het continent van het pessimisme: erfenis van een cultuur die in God noch mens kan geloven. Wat kunnen we daaraan doen? En waar vinden we vandaag – 11 september – het tegengif?

Matthias Smalbrugge

Bij tijd en wijle treft hij je vol in het gezicht, de natte handdoek van het cultureel pessimisme. Niet onbegrijpelijk in tijden van algehele politieke ontwrichting en economische crisis, maar toch. Van alle kanten wordt het ons ingewreven: het zijn slechte, barre tijden en helaas, het wordt niet beter. Europa is een lost continent, een werelddeel waar naties eeuwig met elkaar overhoop liggen, niet in staat een politieke eenheid te realiseren en ook binnen de eigen landsgrenzen staat de eenheid op het spel. En terwijl de islam overal steeds krachtiger wordt, wil de afkalving van het christendom maar geen einde nemen.

Waar dat allemaal door komt? Op die vraag kun je zo langzamerhand de hele DSM, het Diagnostisch Handboek van de Psychiatrie, op los laten. We zouden leven in een tijd van narcisme, ongevoeligheid, tomeloze hebzucht en ongeremde agressie. Het vreemde is dat dit pessimisme niet alleen behoort bij crisistijden, maar dat het een constante vormt in de Europese geschiedenis. De Britse historicus Edward Gibbon schreef eind 18de eeuw al zijn ’Decline and Fall of The Roman Empire’ (’De neergang en val van het Romeinse rijk’) uit angst voor een nieuwe teloorgang. En hier is het voldoende te denken aan Huizinga met het boek ’Geschonden Wereld’, waar hij de ondertitel aan meegaf: ’Een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving’.

Toegegeven, hij schreef het in de oorlogsjaren, maar formuleerde toch sommige van zijn conclusies zo dat zij het historische – en dus het tijdelijke – karakter van de gebeurtenissen verre overstegen; bijna als metafysische waarheden. Zie het volgende citaat: „Nee, waarlijk, de grondslagen voor een spoedige herleving van echte beschaving zijn niet gelegd. Hebzucht, heerschzucht en geweld zijn nergens afgezworen; de wereld gaat haar volgende tijdperk nog steeds als acquisitieve maatschappij, als samenleving van winnen en genieten, tegemoet.” In onze tijd kun je denken aan Allan Bloom (’The Closing of The American Mind’: de gedachteloze generatie), Alain Fienkelkraut (’L’humanité perdue’: de verloren beschaving) of Ad Verbrugge (’Tijd van onbehagen’). Diepe somberheid straalt je uit hun boeken tegemoet. Nooit was het goed, nooit wordt het goed. Waar dat aan ligt? Volgens vele auteurs aan een gebrek aan ontwikkeling, Bildung en kennis. Leeghoofden heersen overal en hebben het niveau van de samenleving naar beneden gebracht. Helaas, op vrijwel onomkeerbare wijze. Onze Europese samenleving investeert te weinig in wetenschappelijk onderzoek en kunsten, zij gelooft niet in zichzelf en gaat onder aan de decadentie van cynisme, egoïsme en agressie. Een noodlot dat onafwendbaar schijnt.

Waar komt dat fatalisme toch vandaan? Heeft het pessimisme dat ons zo sterk aankleeft te maken met het christelijk geloof dat eeuwenlang dit continent beheerste?

Ik houd stil bij Petrarca, de grote Italiaanse dichter die leefde van 1304-1374. In 1336 beklom hij de Mont Ventoux samen met zijn broer. Eenmaal boven en geheel bevangen door het geweldige uitzicht, tot in Spanje en Italië toe, haalde Petrarca Augustinus’ ’Belijdenissen’ tevoorschijn, het relaas van diens bekering. Sloeg het boek open en liet zijn oog vallen op de volgende passage: „Mensen trekken erop uit om de hoge bergen te bewonderen, de ongehoorde vloed van de zee, de immense vlakten van de rivieren, de alomvattende oceaan en de loop der sterren. Maar zichzelf verlaten zij.”

’Mensen die zichzelf verlaten’, de woorden troffen Petrarca als een bliksemslag. Ook hij had zijn aandacht gericht op bergen, letterlijke en figuurlijke, op roem en uiterlijkheden. Ook hij had zichzelf dus verlaten en de lectuur van die paar zinnen had het effect van een bekering. Lezend in Augustinus’ bekeringsgeschiedenis raakt hij zelf bekeerd. Wat hij steeds al probeerde te doen, zou hij meer moeten doen: de aandacht op het innerlijk richten. Dat hield Augustinus hem blijkbaar voor en hij lijkt zich dus helemaal in diens voetsporen te begeven.

Maar dat is nu juist níet zo. Hij breekt op een essentieel punt met Augustinus. Wat bijzonder is, want zijn hele leven bleef hij met de kerkvader bezig, schreef zelfs een dialoog tussen hemzelf en Augustinus, die hij het Innerlijk Gesprek noemde. Toch breekt hij op ongehoorde wijze met deze stem in zijn hart.

Dit is wat hij schrijft. Dat „mensen het verstand missen om wat in het innerlijk gevonden kan worden nu juist niet buiten zich te zoeken, dat mensen wel een edele geest kunnen bewonderen, maar dat die in verval kan afdwalen van zijn belangrijkste bronnen en dat wat God tot zijn eer schonk kan doen verkeren in blaam”.

Daar heb je het, denk je, de bron van het pessimisme. Een diepe wanhoop die blijkbaar bij Augustinus vandaan komt en maar voortwoekert. Nee, dat is het juist niet. Petrarca wil vasthouden aan een schat die een mens in zichzelf kan vinden. Niet voor niets zal hij later twee boeken schrijven over een leven in afzondering, een leven gericht op het innerlijk. Wat is dan voor Petrarca die schat in het innerlijk? God? Anders citeer je Augustinus toch niet?

Nee, ik denk dat het hier om gaat. Om menselijk geluk. Dat beschrijft hij, met een citaat van Vergilius, als volgt: „Gelukkig de mens die het leven weet te doorgronden, die voor angst en noodlot niet terugdeinst, zelfs niet voor het gebrul van de gierige dood.”

Dat is een vitale, optimistische toon. Een toon die zelfs de dood aankan. De toon van een man die zegt dat wat je in je innerlijk vindt – dat ben je zelf. Petrarca neemt afscheid van het pessimisme. Je kunt je hechten aan allerlei zekerheden, aan uiterlijkheden. Maar waar het echt om gaat, dat is je eigen ziel. Jij bent zelf de schat waar alle zoektochten naar toe leiden. Jij bent het leven. Jij zelf, niet God. Het ’ik’ wordt hier dus geboren en God is in dit verslag van de tocht naar de top van het leven alleen nog de literaire grot waar de mens wordt geboren.

Petrarca gebruikt Augustinus’ belijdenis aan God om de mens centraal te stellen. Niet voor niets is hij de vader van het humanisme, de stroming die de nadruk legde op de waardigheid van de mens, op zijn mogelijkheden en op het belang van een klassieke scholing die dat alles kon onderbouwen. Let wel, die humanisten, zeker Petrarca, waren geen ongelovigen. Maar zij benaderden geloof en God wel vanuit de ontdekking van het ’ik’, vanuit het idee dat het innerlijk wezenlijk aan de mens behoort.

Was dat bewustzijn dan niet aanwezig? Het was door toedoen van Augustinus tot stand gekomen, maar die had het ook weer weggevaagd. Hij had inderdaad het innerlijk op geraffineerde wijze in kaart gebracht en geconcludeerd dat de mens zichzelf ontdekt door zich tot God te wenden en Hem te ontmoeten. Maar die ontmoeting is geen neutrale. Wat de mens ontdekt is zijn eigen verlorenheid. Je ontdekt jezelf voor Gods aangezicht, maar tegelijkertijd ontdek je hoe verloren je bent. God naderen, houdt tevens in beseffen dat je eigenlijk alleen maar bestaat in Hem. Dus in de ontmoeting met God wordt de mens geboren, maar ook weer weggevaagd.

Wat Augustinus ontdekte, de geboorte van het ’ik’, gaat gepaard met de vernietiging van het ’ik’. Wie er is, is er tegelijkertijd ook niet. Alleen God is. Dat is de diepe grond van het pessimisme dat onze cultuur beheerst. Ook als ze allang niet meer in God gelooft: wie ik ben, het doet er eigenlijk niet toe. Zelfs de liefde kan de mens niet redden, want liefde behoort uiteindelijk op God gericht te zijn. Zoals Alain Badiou het stelt in ’Eloge de l’amour’ (’Lofzang op de liefde’, 2009): „In laatste instantie spreken religies niet van de liefde. Zij zijn alleen maar in hem geïnteresseerd als bron van intensiteit, als subjectiviteit die alleen maar door hem kan worden gecreëerd, maar die ze vervolgens alleen maar richten op het geloof op God.” Daar waar je het sterkst ontdekt wie je bent, waar de ontdekking van de liefde een openbaring van het goddelijk karakter van het leven zou kunnen zijn, wordt zij van de mens losgemaakt. God alleen is liefde. Je ontdekt de mooiste stukken van je zelf, maar ze worden meteen van je weggenomen.

Die ambivalentie is de bron van ons eeuwige pessimisme. Geboren worden en op hetzelfde moment worden weggevaagd. Als je dat gelooft, dan kun je mensen wegvagen, jezelf vernietigen en opblazen. Offeren, jezelf en anderen. Het is de dynamiek waarbij je een eigen perspectief voor je ziet, maar daar tegelijkertijd niet in durft te geloven. Wat je ziet, is toch niet het eigen gezicht, geen vorm van jezelf. Je kunt je in wezen idealen en verlangens niet eigen maken. Zelfs Freud zal zijn hele werk op dat besef baseren: wat je ziet en doet, dat ben jij niet, je bent geen baas over jezelf. De werkelijkheid is maar schijn. Weer datzelfde pessimisme van een schrijver die weinig hoop had voor onze samenleving (’Das Unbehagen in der Kultur’). Het is een funeste houding, een mentaliteit die ons dieper beheerst dan we voor waar willen hebben. Het is een erfenis van het christendom die verder reikt dan het beruchte schuldgevoel, dan afhankelijkheid van God en angst voor Hem.

Daarom is de tekst van Petrarca zo revolutionair. Hij gebruikt Augustinus, neemt het hele schema van diens bekering over, maar gebruikt dat om de mens centraal te stellen. Hij verwijt Augustinus als het ware dat deze de mens heeft verlaten met zijn fixatie op God. Als Augustinus het over ’uiterlijkheden’ heeft noemt hij die ’smerigheden’. Petrarca niet. Hij noemt het een liefde, ook als die liefde hem dwars zit. „Waar ik altijd van hield, daar houd ik niet meer van. Nee, ik lieg, mijn liefde voor ’uiterlijkheden’ is minder geworden. Ook niet waar, weer lieg ik. Het is liefde, waarachtiger, maar ook triester. Eindelijk spreek ik dan de waarheid. Zo is het; het is mijn liefde, maar ik heb het lief om het niet lief te hebben, uit verlangen het te haten. Mijn liefde is het, maar tegen mijn zin, gedwongen, droevig en met rouw. In mijzelf voel ik de zin van dat beroemde vers: ’haten zal ik als ik dat kan; als ik het niet kan, dan tegen mijn zin liefhebben’.” Een citaat van Ovidius sluit de passage af; mensentaal, geen bijbelcitaat.

Het is een houding waarin wordt afgerekend met een ambivalentie die de mens uiteindelijk beschadigt, omdat zijn geloof hem wegvaagt en vernietigt. Het is het tegengif op 11 september. Want hoe kan geloof je nu wegvagen? Hoe kan het mooiste, daar waar vertrouwen en overgave kloppen, je niet dragen en verheffen? Toch is dat zo. De theologie heeft nooit afgerekend met de dubbele aard van het geloof, de beschadigende, de moordende kant. Ze heeft geen antwoord gegeven op de vraag naar de plaats van de mens.

Zo is dan de twijfel over de mens onze Europese cultuur binnengeslopen. Als ongeloof is ze dominant geworden. Een cultuur die niet in God kan geloven, maar ook niet in de mens. Wat dus nog steeds aanwezig is in de kerk, ambivalentie over de mens, ongeloof in de mens.

Kerk en theologie denken niet over de plaats van de mens. Ze proberen een geloof vorm te geven dat enerzijds een verdedigingswal moet zijn tegen de samenleving, anderzijds zich aan die samenleving wil aanpassen. Binnen die paradox heeft het echte leven geen kans meer in de kerken. Het is een steriele orthodoxie, als afweer tegen de eigen angsten voor een onbegrepen tijd. Een orthodoxie waarin het instituut een doel op zichzelf is geworden, zonder nog middel te willen zijn voor godservaring. Waar de angst om nog meer te verliezen, gelovigen aan het mindere doet vasthouden: ze mijden de boodschap van kunst, literatuur, psychologie en wijsbegeerte, dat de mens op zichzelf kan staan.

Naar mijn mening zijn die vormen van orthodoxie (met inbegrip van het evangelicalisme) placebo’s. De kerk heeft haar tijd gehad, zij is de gestalte waar noch God noch de mens werkelijk zichtbaar kunnen worden. Zij heeft de mens verlaten, nu verlaten vele weldenkende mensen haar. Er uit gegroeid nadat hun kinderen er een eerste en laatste stap hebben gezet bij hun huwelijk. Einde oefening. Let wel, de zegeningen van de kerk zijn er ook vele geweest, maar in dit tijdsgewricht gaat zij aan haar eigen paradox ten onder.

Waar het dus om gaat is een kerk na de kerk, een christendom na het christendom, geloof na het geloof. Een kerk waarin het niet meer om de kerk gaat, maar om het leven, de samenleving. Een geloof waarin de mens zichzelf kan ontdekken door juist dimensies te zien die niet aan de oppervlakte liggen en die in die zin behoren bij de uiterlijkheden waar Petrarca van hield om er niet van te houden.

De kerk hoeft de wereld niet te redden, dat kan ze niet; zij moet haar eigen erfenis corrigeren en daarin bijdragen aan de cultuur. Dus een gemeenschap worden met een vrolijke uitwisseling van geloof en ongeloof, met geborgenheid en openheid in plaats van beklemming. Wat overigens ook hier en daar bestaat. Hele groepen geïnteresseerden werpen zich opnieuw op geestelijke en spirituele lessen, willen leren en uitgedaagd worden. Maar houden intuïtief de vrees voor de traditionele kerk. Terecht, de mens moet een eigen maat mogen hebben en niet naar Gods maat gemeten, gewogen en te licht bevonden worden.

In zo’n nieuw geloof zou dus moeten worden afgerekend met het duurzame pessimisme dat ons al zo lang aankleeft. Dat is de erfenis die wij aan de Europese cultuur hebben nagelaten, dat is waar geloof op een volstrekt andere leest geschoeid moet worden. We moeten het leven vieren. Door de mens een echte plaats te geven en ook God zichtbaar te maken. Daar heb je elementen uit de traditie voor nodig, maar dan wel elementen die emotioneel vertrouwenwekkend zijn en intellectueel stimulerend.

Religie moet zijn eigen moordende karakter in kaart brengen en corrigeren. Anders blijven we mensen offeren. Seksueel misbruik, bijvoorbeeld, maakt slachtoffers. Maar vraagt ook de priester zichzelf te offeren aan een onhaalbaar ideaal van perfectionisme. Maar wie zichzelf offert, offert de ander. Abraham die zijn zoon offert, God die zijn zoon offert, dat soort mythologie. Op 11 september mogen we daar wel eens afscheid van nemen.

Omgekeerd: er dient ruimte te komen voor wat ten onrechte is verworpen. Zo is ooit de gnostiek de kerk uitgezet, maar met het badwater lijkt het kind te zijn weggegooid. En als religie een vreedzaam element in een cultuur wil zijn, dan moet zij ontmoetingsplaats willen zijn,voor en met de andere religies.

Het winnen en genieten van Huizinga vertelt van angst en pessimisme. Je wint, maar in een situatie van uiteindelijk verlies. Dat pessimisme moeten we voorbij. We kunnen op een andere manier, intenser en dieper genieten. Genieten van God noemden ze dat vroeger. Dat is van jezelf genieten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden