OPIUM VAN HET VOLK

“Religie is de zucht van het onderdrukte schepsel, het hart van een harteloze wereld, net zoals het de geest is van een geestloze toestand. Het is het opium van het volk.” Deze beroemde woorden schreef Karl Marx in het eerste nummer van een nieuw maandblad in Parijs. Honderdvijftig jaar later is de vraag in hoeverre hij gelijk heeft gehad. Godsdienstsocioloog Henk Tieleman: “De mens heeft verhalen nodig. Vertellers van die verhalen - medicijnmannen, geestelijken, politieke leiders - zijn dan ook van alle tijden, en als er al een 'oudste beroep' is, dan is dat het.”

HENK TIELEMAN

Ik laat de historische falsificatie waardoor 'opium van het volk' vaak werd tot 'opium voor het volk' maar even terzijde. Een uitgewerkte analyse van het verschijnsel religie had Marx eigenlijk niet, en wie ernaar zoekt moet zijn visie bijeensprokkelen uit verspreide opmerkingen in zijn uitgebreide geschriften. Maar met de opiumbeeldspraak leek de vijandschap tussen het maatschappijkritische marxisme en het christendom voor de eerstvolgende honderd jaar wel bezegeld.

In elk geval liet de kerk het om te beginnen ongeveer een halve eeuw compleet afweten in de strijd tegen de sociale wantoestanden van de negentiende eeuw. Nederland moest zelfs nog door het stadium van afschaffing van de slavernij, wat pas in 1863 - en dan nog onder protest - gebeurde. Een kleine vijftig jaar na de opium-uitspraak constateert Paus Leo XIII in de eerste sociale encycliek (Rerum Novarum, 1891) dat er een hoop is misgegaan in de sociale verhoudingen, maar waarschuwt tegelijkertijd tegen het socialisme dat als vijand van het geloof wordt beschouwd. In dat jaar wordt in Nederland het eerste Christelijk Sociaal Congres gehouden waar Abraham Kuyper eens te meer zijn 'architectonische kritiek' op de samenleving formuleert, zorgvuldig gesteld in de tale Kanaans en gelardeerd met veel schriftverwijzingen, omdat hij - zoals hij in een voetnoot laat doorschemeren - zonder die bijbelcitaten mogelijk voor een 'verkapte socialist' zou worden gehouden.

Nadien zou er nog een halve eeuw overheen gaan totdat in Nederland, in de crisissituatie van de Tweede Wereldoorlog, de echte doorbraak begint tussen kerk en socialisme. Ook het Mandement van de Nederlandse bisschoppen - het verbod voor katholieken om van een nietkatholieke politieke organisatie lid te zijn - kan die doorbraak niet meer tegenhouden. En nu, opnieuw een halve eeuw later, lijkt de hele kwestie, althans in Nederland, verjaard: politieke partijen zijn 'gemengd', kerkleden vinden politiek onderdak van GroenLinks tot en met de Centrum Partij, christelijke werkgevers onderscheiden zich niet opvallend van niet-christelijke werkgevers en in de politiek gaat het over 'doelmatigheid', niet over principes. De ARP is onherkenbaar opgegaan in het CDA waarvan de huidige lijsttrekker eens tijdens een kamerdebat opmerkte: 'Mijnheer de voorzitter, ik krijg zowel van links als van rechts kritiek, en daaruit leid ik af dat ik op de goede lijn zit'.

'God is dood', luidde de boodschap van de jaren zestig, en althans voor de politiek leek het waar omdat het geloof tot een prive-aangelegenheid werd. Moderniseringssociologen zagen dat als een onvermijdelijk proces, ook voor andere samenlevingen. Secularisatie als vooruitgang. Maar vijftien jaar geleden viel tot veler verrassing de troon van de Shah. Niet door toedoen van communisten, waartegen hij zich - geholpen door zijn westerse vrienden - tot de tanden had gewapend. Maar de pauwentroon viel door toedoen van een bejaarde ayatollah die vanuit Parijs het land een tijdlang met cassettebandjes bestookte. En voor wie erop wilde letten was er sindsdien de ene illustratie na de andere van de wisselwerking tussen politiek en religie. Marcos moest uiteindelijk het veld ruimen nadat ook de Filippijnse kerk zich openlijk aan de kant van de oppositie had geschaard, in Polen puilden de kerken uit van het verzet tegen het communistische regime, en in het Golfgebied escaleerde de Iraaks-Iraanse oorlog tussen Soennieten en Sjiieten. Sikhs, hindoes en moslims raakten massaal slaags in India.

Bij nader toezien bleek de religie prominent 'terug' op het politieke toneel: Ierland, Sri Lanka, Zuid-Afrika, Soedan, Israel, voormalig Joego-Slavie, Algerije. Ook de Amerikaanse president Reagan steunde in de jaren tachtig op een moral majority van conservatief-christelijke krachten en paste zijn taalgebruik daarbij aan. Tot genoegdoening van zijn electoraat trad hij in het krijt voor het verplichte schoolgebed op openbare scholen, flirtte met populaire televisiedominees ruim voordat die in de gevangenis verdwenen en doorspekte zijn publieke toespraken roekeloos met bijbelcitaten over het komende Armageddon, de definitieve eindstrijd tussen goed en kwaad. Daarmee riep hij bijna een gewapend conflict tussen de supermachten op. Naar verluidt stonden de Russen met draaiende motoren gereed om de tegenaanval in te zetten, en kon hen nog net op tijd duidelijk gemaakt worden dat de woorden van de president alleen voor binnenlands gebruik waren bedoeld.

Niks 'God is dood', wereldwijd spelen religies cruciale rollen op het politieke toneel. Maar hoe komt dat? Omdat religie een soort verdoving teweeg kan brengen of een vals bewustzijn, zoals Marx destijds poneerde, met de gezagsgetrouwe traditie van het Duitse lutheranisme nog vers in het geheugen? Of omdat religie een belangrijk houvast is voor de mens, en daarmee ook de basis is van veel oordeelsvorming over goed en kwaad? Een oordeelsvorming die nogal kan verschillen: zo stond de Bekennende Kirche in de jaren dertig lijnrecht tegenover de Deutsche Christen in haar oordeel over het Hitler-regime; en in het Oostblok van de jaren tachtig varieerden de kerken van collaboratie tot kritische oppositie.

De politieke betekenis van religie is een populair maar niet een simpel thema. Dat wordt dagelijks geillustreerd door de berichtgeving over het FIS in Algerije - het Front Islamique du Salut. Dat is een onoverzichtelijk conglomeraat van bewegingen die elkaar niet zelden bestrijden. In de afgelopen jaren verzamelde het de proteststemmen tegen een doorgedraaid 'revolutionair' maar in werkelijkheid vooral corrupt regime van even frauduleuze als incompetente machthebbers. Bij hun visies op een betere wereld beroepen de verschillende stromingen die het FIS vormen, zich alle op de Islam. Maar daar houdt het gemeenschappelijke tussen de bewegingen wel op. Een groot deel van de oorspronkelijke steun en stemmen voor het FIS - geen spraakmakende stedelijke revolutionairen maar hardwerkende middenstanders in de provincie - is al weer verdwenen, omdat veel van die oorspronkelijke sympathisanten allerminst gediend zijn van een fanatiek fundamentalisme, laat staan als dat gepaard aan geweld. Dat neemt niet weg dat de frustraties die een jaar of vijf geleden het FIS veel stemmen opleverden, nog steeds actueel zijn: de weerzin tegen het belabberde economische beleid, de afkeer van het machtsmisbruik, en niet te vergeten de 'anti-westerse' stemming die nog altijd bloeit op de trauma's van de bloedigste koloniale oorlog van de moderne geschiedenis, die veertig jaar geleden begon.

De groepjes extremisten - inderdaad een deel van de brede protestbeweging die het FIS vormde - zijn dan ook gebleven en gaan door, met of zonder democratische politieke steun. Hun troepen recruteren ze voor een goed deel onder de goed opgeleide jongeren die in het Algerije van vandaag geen perspectief hebben op een huis, een baan, een toekomst, en die hun frustratie op hun eigen wijze uitleven. Elke moordpartij die ze aanrichten wordt in het nieuws onbekommerd toegeschreven aan 'religieuze fundamentalisten'. Maar wat is er zo religieus aan dit terrorisme anders dan dat de daders er wellicht een religieuze legitimatie aan verbinden?

Legitimatie is een van de sociale functies die religies kunnen vervullen, om het even of het over een rechtvaardiging van de status quo gaat of om een rechtvaardiging van de opstand daartegen. Veel gereformeerde broeders en zusters die zich in de tweede wereldoorlog vol overtuiging en nationalisme - zij aan zij met communisten - hebben verzet tegen de nazi's beriepen zich daarbij evenzeer op hun geloof. Net als toen een paar jaar later de rollen omgedraaid waren en ze in Nederlands-Indie voor koningin en vaderland een koloniale strijd voerden tegen indonesische nationalisten die op onafhankelijkheid voor hun land uitwaren. En toen een paar jaar geleden een groep vooraanstaande en ongetwijfeld vrome Zuidafrikaanse zakenmensen een ontmoeting had met de top-in-ballingschap van het ANC, stelden ze stomverbaasd vast dat ze met praktiserende christenen te maken hadden, voor wie het gebed even alledaags was als voor henzelf.

Behalve een legitimerende functie heeft religie politiek gesproken ook vaak een mobiliserende en motiverende functie. Politici maken daarvan graag gebruik, maar zitten er even vaak mee in hun maag. Nasser steunde bij zijn onafhankelijkheidsstrijd mede op groepen islamitische fundamentalisten om ze direct na de bevochten onafhankelijkheid met harde hand te bestrijden en veel intellectuelen (onderwijzers) voor de keuze te stellen: het concentratiekamp in of het land uit. Hij stuurde overigens een grote groep als onderwijzer/ontwikkelingshelper naar het zojuist bevrijde Alerije, waar ze vervolgens aan de vorming van een nieuwe generatie fundamentalisten zouden beginnen.

Legitimatie en mobilisatie, in de strijd om emancipatie, autonomie of onafhankelijkheid. Over de hele wereld zijn duizenden bewegingen bezig op een of andere manier het recht op hun eigenheid te bevechten, een eigen cultuur, een eigen taal, een eigen religie, of een eigen regering. Schattingen van het aantal actuele en potentiele gewelddadige conflicten over culturele of politieke onafhankelijkheid liggen tussen de drie-en-een-half en zevenduizend. Daarbij gaat het vaak hard toe en het onderscheid tussen 'zij' en 'wij' kan een kwestie van leven en dood zijn. Overigens moet zo'n onderscheid tussen 'zij' en 'wij' ook in minder dramatische situaties gemaakt worden. De automatische keuze voor de groenteboer en kruidenier die bij de eigen kerk horen, moge in ons geseculariseerde en geurbaniseerde supermarkt-tijdperk de consument niet meer zo bezighouden, maar een generatie terug sprak het voor velen nog vanzelf. Voor de afbakening van de 'onzen' en de 'hunnen' zijn er sociale markeringen in soorten en maten: gemeenschappelijke tradities, etniciteit, woonplaats, klasse, een al of niet verzonnen collectief stuk geschiedenis, taal, een maatschappijvisie.

Maar in de geschiedenis springt er een sociale markering steeds weer uit als van een bijzondere orde: het geloof, de sacred marker. Zo'n markering, die onder 'normale' omstandigheden nauwelijks een rol van betekenis speelt, kan soms plotseling gemobiliseerd worden, en dan afhankelijk van de situatie op fatale wijze voor of tegen iemand pleiten. Op de Balkan vermoorden voormalige buren elkaar omdat ze van het andere geloof zijn, ook als de godsdienst in hun leven voorheen maar een bescheiden rol speelde. Iedere sociale situatie kent haar eigen kringen van verbondenheid en solidariteit: hoe wijder de cirkel, hoe geringer de solidariteit. Totdat die uiteindelijk overgaat in wat antropologen soms 'negatieve reciprociteit' noemen: het gevoel dat mensen op grote afstand, of van een duidelijk andere categorie, gerust een poot uitgedraaid mag worden.

Maar het hoort bij de mens om de meeste dingen niet zomaar te doen. Daar is de condition humaine niet naar: te weinig instinct, te veel keuze, te veel verstand. Daarom heeft de mens in vergelijking met dieren zoveel opvoeding nodig, en vooral verhalen op basis waarvan situaties geinterpreteerd en keuzen bepaald kunnen worden. Dat kunnen eenvoudige verhalen zijn, over hoe 'de wereld en de mensen nu eenmaal zijn', maar het zijn niettemin wereldbeschouwingen en mensbeelden, meestal met de religie als impliciet of expliciet vertrekpunt. Vertellers van die verhalen - medicijnmannen, geestelijken, politieke leiders - zijn dan ook van alle tijden, en als er al een 'oudste beroep' is dan is dat het.

De verhalen en levensvisies waarmee mensen het moeten doen, verschillen intussen hemelsbreed. Ze zijn 'uit de lucht gegrepen' of geopenbaard, ze worden eindeloos geconstrueerd, gedeconstrueerd en gereconstrueerd, ze komen via de overlevering of uit de Avenue. Een enkeling vindt ze 'in het eigen innerlijk', zoals Rousseau tijdens zijn wandelingen door het bos.

De noodzaak van het hebben van een verhaal wordt bepaald niet minder door secularisatie en individualisme, eerder groter. Het moge dan 'fijn zijn om jezelf te zijn', maar het is de meesten nu eenmaal niet gegeven om echt een eigen 'verhaal' te ontwikkelen. Er is dan ook inmiddels een keur aan kleurige weekbladen en glossy magazines waarin iedereen een eigen identiteit kan opzoeken. 'Viva, dat ben jij'.

Marx' uitspraak over religie en opium ademt de sfeer van de negentiende eeuw, de tijd van de grote idealen en de bijbehorende ideologieen, waar mensen voor de straat opgingen. Natuurlijk heeft hij goed gezien dat mensen zich in sterke mate laten leiden door het verhaal van hun keuze, omdat ze zonder een verhaal stuurloos zijn. Hij was zelf ook druk bezig met het leveren van een nieuw verhaal en besteedde veel energie aan de uitwerking van een wereldbeschouwing, een mensvisie en een eigen kijk op de geschiedenis. Generaties marxisten hebben daarna het idee uitgedragen dat de strijd voor maatschappelijke rechtvaardigheid ook gestreden moet worden op het niveau van de filosofie. Vele van de daaruit ontstane denkbeelden zijn inmiddels vanzelfsprekende elementen van de moderne maatschappijbeschouwing. De grote verhalen zijn echter verkruimeld tot een veelheid van onsamenhangende verhaaltjes, als kleurige lego-steentjes waarmee iedereen naar eigen smaak een ideologisch optrekje kan bouwen.

Terugziende dringt zich nog een andere gedachte op bij de uitspraak van de jonge Marx. Misschien is ons probleem het omgekeerde van waar hij op doelde: de godsdienst levert in onze samenleving juist geen collectieve basis meer op voor een maatschappijvisie waar mensen aan vast willen houden en iets voor over hebben. In zekere zin is dat iets om blij mee te zijn: daarmee verdwijnt ook het misbruik van geloof. Maar er is ook een belangrijke basis weggevallen voor een werkelijk collectief verhaal, waaraan in een samenleving vol modern individualisme minstens zoveel behoefte bestaat als voorheen. Zo'n basis weer te vinden is het grote politieke probleem van de moderniteit.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden