Opium lijkt soms op goede bordeaux!

Theedrinkend met De Voisins (rechts) ( FOTO'S UIT BESPROKEN BOEK)

Erg empathisch was de Franse avonturier Victor Segalen niet: Chinezen dienden slechts als stoffering van het landschap, of als drager. Maar zijn goede pen en zijn dito humeur maken Segalens verslag van een rondreis door pre-communistisch China toch een genot om te lezen.

In 1909 begon de Franse marinearts Victor Segalen, 31 jaar oud, aan een lange reis naar en door China. Op 25 april ging hij in Marseille aan boord van de Sydney, met vijftien kisten bagage die samen ettelijke honderden kilo’s wogen, en voorzien van twee geweren en drie revolvers – maar zonder zijn vrouw Yvonne, met wie hij vier jaar eerder was getrouwd, en zonder hun driejarige zoontje Yvon.

Gelukkig voor ons, want Segalen miste hen deerlijk, en daaraan danken wij dit heerlijke boek met de brieven die hij onderweg aan zijn vrouw schreef. Samen leveren die een meeslepend reisboek op, want de schrijver, die al een roman had gepubliceerd, beschikte over een mooie pen, een onverwoestbaar goed humeur, een scherp waarnemingsvermogen en veel ondernemingszin.

Het was de bedoeling dat Yvonne en Yvon de schrijver enkele maanden na diens vertrek zouden nareizen. De brieven staan daarom vol praktische tips en aanwijzingen die ons nu, een goede eeuw later, een fascinerend en gedetailleerd beeld geven van Segalens expeditie. Segalen legt zijn vrouw uit welke voorwerpen en kleding zij op reis moet meenemen, waar ze op moet letten, voor welke bedriegerijtjes ze op haar hoede moet zijn, wat ze in de havens onderweg dient te kopen en wat ze moet bezichtigen.

In China betrekt de schrijver een comfortabele woning in Peking, neemt lessen Chinees, en maakt zich op voor de rondreis die hij samen met zijn vriend Gilbert de Voisins zal maken. Vrijwel onmiddellijk begint ook het grote inkopen van vooral kunst-, maar ook gebruiksvoorwerpen. Segalen shopte zich suf, zouden we nu zeggen. Hij is zich daarvan overigens terdege bewust. „Ik doe mijn uiterste best om niets te kopen”, schrijft hij een beetje schaapachtig aan zijn vrouw.

Dan begint de rondreis. Segalen en zijn vriend bezoeken steden en tempels, de schrijver gaat onstuitbaar door met inkopen. Hij rookt regelmatig opium, die één keer zelfs ’vergelijkbaar is met een bordeaux uit 1878’.

Per boot neemt hij een reeks stroomversnellingen. „De Chinese schippers doen het dagelijks, en verliezen er vrij weinig schepen bij”, noteert hij droogjes. Elders reist hij per jonk, een boot die wordt voortgesleept door ’300 à 400 koelies die zijn vastgeketend aan een kabel’. Aan land groeit de stoet aan tot elf muilezels, één ezel, één pakpaard en vijf rijpaarden.

Wie er in het boek wel wat bekaaid af komen, zijn de Chinezen zelf. Maar Segalen was in zijn tijd niet de enige die aan de bewoners van exotische landen weinig aandacht schonk. De Nederlander Jan Fabius, die in diezelfde tijd deelnam aan een militaire missie op de Balkan, verdeelde in zijn boek ’Zes maanden Albanië’ de bewoners in zeer bruikbare, bruikbare en onbruikbare exemplaren, waarbij je de eerstgenoemden uiteraard met een kaarsje moest zoeken en de laatsten je overal voor de voeten liepen.

Bij Segalen is het eigenlijk nog erger. Ondanks zijn waardering voor de Chinese cultuur ziet de Fransman de bevolking als weinig meer dan stoffering van het landschap, al ontmoet hij gelukkig wel zeer bruikbare exemplaren, zoals zijn boy, die eerder in dienst was van ’de viceconsul die onlangs in de Yangtze is verdronken’. Ook is Segalen vaak vol lof over het onthaal dat hem en De Voisins ten deel valt, en laat hij de zieken die hij ontmoet profiteren van zijn medische kennis.

Maar verder schrijft hij vaker over zijn paarden en ezels. En vooral raakt hij niet uitgepraat over de steden, de kunst en over het overweldigende landschap. De gele aarde bijvoorbeeld: „Dat is iets wat je je nauwelijks kunt voorstellen. Gele aarde, löss, is een soort poeder dat zich in de loop van duizenden jaren heeft afgezet in een brosse, kruimelige laag, tot soms wel 600 m dik, die ruim een vierde deel van China bedekt. Het landschap lijkt een uitvergroting van een door de regen gebarsten aardkluit, gezien door de ogen van een insect. De weg heeft er niet een stempel op gedrukt, maar er een gleuf in geslepen (...) tussen twee gele, poreuze kliffen die zijn uitgesleten door de regen en verbrokkeld onder de voeten van de reizigers.”

Omdat hij nog wat tijd over had, knoopte Segalen aan de rondreis door China nog een korte trip naar Japan vast. Ook daarvan doet hij beknopt verslag. Maar eind februari 1910 is het zo ver: Yvonne en Yvon komen aan in Shanghai. Daarmee komt een einde aan dit meeslepende relaas.

De vertaling is voortreffelijk. Maarten Elzinga heeft van zijn uitgever bovendien de ruimte gekregen voor een verhelderend nawoord van vijftig bladzijden. Het boek bevat twee kaarten, een uitgebreid notenapparaat, een register en een chronologie. Bovendien is het fotokatern van zestien pagina’s om je vingers bij af te likken.

De opnamen zijn merendeels door Segalen zelf gemaakt. Het zijn beelden uit een wereld die zo anders is als de onze dat je er gefascineerd naar blijft kijken. Het is alsof je taferelen ziet uit de Middeleeuwen, en niet van maar drie à vier generaties geleden. Ze zijn vervaardigd met behulp van een zogeheten Vérascope Richard, waarmee op geprepareerde glasplaten stereoscopische foto’s konden worden vervaardigd. De apparatuur was behoorlijk log, maar Segalens beschrijvingen van het gezeul en getob ermee zijn – uiteraard – meeslepend.

Segalen (geheel rechts, te paard) in de kloof van gele löss, die diepe indruk op hem maakte. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden