Opgroeien in de schaduw van het kamp

Het kampverleden van haar moeder dringt door tot in de haarvaten van het gezin. Marjoleine Oppenheim-Spangenberg voelt dat, als kind. Pas als ze een bezoek brengt aan Auschwitz, begrijpt ze haar moeder beter. Gisteren verscheen haar boek.

Haar moeder was een knappe, daadkrachtige vrouw. Ze hielp tijdens de Tweede Wereldoorlog een paar kinderen onderduiken en gleed langzaam het verzet in. Wat begon als een spannend avontuur, werd steeds belangrijker en ineens was het gevaarlijk. Ze werd naar Auschwitz gedeporteerd, en later naar Bergen-Belsen.

Als fijn zand door kindervingers, sijpelt het kampverleden van haar moeder door in het dagelijks leven van Marjoleine Oppenheim-Spangenberg (1958). Ze schreef erover in het gisteren verschenen 'Over zij en ik'.

Wat voor moeder was uw moeder?

"Ze kon liefhebben, maar ze was ook afstandelijk en soms agressief. Soms had ze stemmingswisselingen en was ik niet welkom. Er waren altijd momenten waarop zij even dáár was, in haar trauma, in het kamp. Ze kon letterlijk dissociëren; ze plaatste haar gedachten en herinneringen even buiten haar bewustzijn. Op de omslag van mijn boek staat een foto waarop ze nét wegkijkt. Precies dát kon het begin zijn van een dissociatie. Als kind wist ik dan dat ze onbereikbaar was. Dat voelde onveilig.

"Altijd was er die afstand tussen ons. Toen mijn moeder in 2004 overleed, begon ik me af te vragen hoe die afstand had kunnen ontstaan. Ik ontdekte een patroon. Ik realiseerde me dat je als gezin, doordat je zó dicht op elkaars huid leeft, elkaars lichaamstaal voelt. Een kind van vier ziet al aan zijn moeder, aan de manier waarop zij zich omdraait of haar schouder beweegt, wat zij ergens van vindt.

"Ouders die dingen hebben meegemaakt - die mishandeld zijn, die een vader hadden die dronk, of een moeder die in het kamp zat - hebben een extra manier van signalen doorgeven, die een kind voelt.

"Door de subtiele bewegingen van mijn moeder, de bijna onzichtbare afkeuring of afkeer die ik soms waarnam, wist ik dat er iéts was. Maar ik benoemde het niet. Het was te klein, té niet-benoembaar."

Wilde u er daarom over schrijven?

"Misschien wel. Als er zo'n onbeschrijflijke en onuitgesproken afstand zit tussen jou en je ouders, probeer je een deel van hun leven te doorleven, zodat je letterlijk dezelfde pijn voelt. Mijn moeder vertelde sporadisch over Auschwitz, maar trok een streep bij Bergen-Belsen. Daarover kon ze niet praten. Juist daarom verdiepte ik me in literatuur over Bergen-Belsen. Ik wilde de afstand overbruggen, dat gat van onveiligheid opvullen. Zo werkt het niet, weet ik nu. Maar het was een poging."

'Elke dag leidden alle wegen naar het kamp', schrijft u in uw boek. Waaraan voelde u dat?

"Mijn moeder had een mesje gejat uit Bergen-Belsen en dat gebruikten we dagelijks; voor het afsnijden van een stukje kaas, voor het smeren van een boterham. Zeker eens per dag kwam het voorbij: 'joh, gebruik daarvoor even het Belsen-mes'. Vanaf mijn twaalfde wist ik waarom het Belsen-mes het Belsen-mes heette en vanaf dat moment zat het kamp voor altijd in dat mes.

"Het kamp zat ook in mijn stippeltjesjurk. Droeg ik die, dan zag ik hoe mijn moeder haar hoofd afwendde, omdat de jurk haar herinnerde aan de jurk die zij droeg tijdens het schijnhuwelijk dat zij in Westerbork aanging met een Duits-Joodse jongen, om te voorkomen dat ze op transport naar het oosten kon worden gezet.

"Het kamp zat ook in de auto die altijd volgetankt voor de deur moest staan, in wasmiddel dat 'bijna op' was - dan stond er nog maar voor een jaar - of in een volle voorraadkast. Na mijn moeders dood konden wij nog twee jaar lang Douwe Egberts-koffie drinken.

"We aten rode kool, nooit witte, want die kreeg mijn moeder in het kamp. Aan geraniums had ze een hekel. Pas bij mijn bezoek aan Auschwitz, in 1995, zag ik dat de hele stad Auschwitz volhangt met geraniums.

"De oorlog was er al, omdat mijn moeder een nummer had dat zij niet verstopte. Maar ook in schijnbare algemeenheden drong de oorlog zich dagelijks aan ons op."

'De oorlog van mijn moeder ging hand in hand met consequenties voor mijn eigen gedrag', schrijft u. Wat waren die consequenties?

"Ik zoek altijd naar een vertrouwensband. Ik ben voorzichtig, ik wil nergens geregistreerd staan, want, zei mijn moeder, 'je weet maar nooit wanneer ze weer op de Afsluitdijk staan'. Ook heb ik, meer dan een ander, behoefte aan waardering. Mijn moeders eigenwaarde was aangetast, ze was letterlijk gereduceerd tot een nummer en dat gaf ze aan mij door. Dat gebrek aan zelfwaardering heeft voor een deel mijn jeugd bepaald. In mijn puberteit ging ik makkelijker met mijn lijf om dan een ander. Ik heb geen gigantische rits aan mannen gehad, maar ik zei soms te snel ja omdat ik vond dat het erbij hoorde. Had mijn moeder niet meegemaakt wat ze heeft meegemaakt, dan had ik dat waarschijnlijk anders gedaan.

"Als je ouders ruimte hebben voor jou als kind, dan zeggen ze dat je het goed doet, dat je knap bent en vooral zo door moet gaan. Maar ouders met een trauma zijn bezig hun trauma te verwerken. Die hebben minder ruimte om jou fatsoenlijk op te voeden en je voldoende zelfwaardering mee te geven."

'Over zij en ik' begint met een telefoontje, de schrijfster wordt gebeld door haar moeder. Het is 1995, het is vijftig jaar geleden dat het kamp bevrijd werd en prins Claus heeft moeder gevraagd of zij, samen met hem en zijn drie zoons naar Auschwitz wil, om haar verhaal te vertellen. Moeder zegt ja, maar alleen als zij haar partner, zoon en dochter mag meenemen.

Wist u meteen dat u mee wilde naar Auschwitz?

"Ja. Maar ik zag er vreselijk tegenop. Ik vreesde dat Auschwitz mijn moeder hysterisch zou maken. Voor mijzelf was ik bang dat het kamp eeuwig aan me zou kleven, dat het bezoek een vieze, plakkerige laag over mijn lijf zou leggen die ik nooit meer kon afpoetsen.

"Ik wapende me. Ik denk dat ons systeem zo werkt dat je, wanneer je je wapent, onthoudt wat je moet onthouden en de rest vergeet. Dat is gebeurd. Wat ik onthield, is de perversiteit van het gewone. Auschwitz, het systeem, was bedoeld om je argeloos aan de hand naar binnen te leiden. Er is die toegangspoort, daarnaast staat een klein, roze huisje en voor dat huisje zitten twee mannen op klapstoeltjes. Er zijn vogeltjes, er is het ruisen van de populieren. Geraniums bloeien, het grind is aangeharkt en de toiletjuffrouw gedraagt zich of ze in een museum zit. Het is verre van angstaanjagend. De onschuld die Auschwitz uitstraalt... het is zo vernuftig opgezet. Een mens dissocieert daar. Je kunt je onmogelijk voorstellen wat daar heeft plaatsgevonden.

"Dat pakhuis vol brillen, haren en koffers, daarvoor heb ik me afgesloten. Maar toen ik thuiskwam moest een oude hutkoffer die ik al jaren in huis had, weg. Die kon ik niet meer zien.

"Dat is dus wat dat kamp met je doet, en wat het met mijn moeder deed. Het kamp kruipt in je dagelijks leven."

Het bezoek aan Auschwitz noemt u een keerpunt. U staat oog in oog met een verleden dat niet van u is, maar dat wel uw jeugd bepaalde.

"Het moment waarop mijn moeder voor haar eigen barak stond en niet naar binnen durfde, was bepalend. Die barak was voor mijn gevoel gewoon een stenen gebouwtje. Het had een deur, twee ramen en een trapje met drie treetjes. Mijn moeder keek door het raampje en zag dat de barak leeg was. 'Het is leeg', zei ze. Ze moest eerst haar eigen demonen bevechten. Ze liep naar de plek waar ze geslapen had en begon te vertellen. De barak bestond uit twee ruimten, waarvan er een was dichtgespijkerd. 'Onze barak was naast de executiemuur', zei mijn moeder, 'en ze wilden niet dat we konden kijken'.

"Gruwelijk, ik kón niet meer. Mijn moeder had hele dagen moeten aanhoren hoe mensen pijn leden en werden doodgeschoten. Ze deed haar verhaal terloops, met een monotoon stemgeluid om maar op afstand te kunnen blijven.

"Natuurlijk had ik over Auschwitz gehoord en gelezen, maar het ging nooit over mijn moeder. Toen, op dat moment, merkte ik dat ze daar écht was geweest. Ik was even heel dichtbij haar en voelde dat ze ook bij mij was. Even was ze honderd procent mijn moeder en was ik honderd procent haar dochter, er stond niks tussen ons in."

Wat betekende het bezoek aan het kamp voor uw moeder?

"Ik denk dat ze opgelucht was. Nadien sprak ik haar drie weken niet. 'Ik moet dit even alleen doen', zei ze. Daarna was zij in mijn ogen een bevrijder mens dan ze ooit was geweest."

En voor u?

"Ik kon het kamp van me afschudden. Mijn moeder was een dominante vrouw, ik denk dat ik mij altijd in haar schaduw heb gevoeld. Na haar dood voelde ik niet langer haar hand op mijn schouder - eindelijk. Ook denk ik dat ik de laatste jaren van mijn moeders leven, na ons bezoek aan Auschwitz, op een openhartiger manier van haar heb kunnen houden. En zij stond mij ook, meer dan voorheen, toe om dichterbij te komen."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden