'Opgewekt vertelde ze hoe ambulances af en aan reden'

WINTERBERG - Het was nog in de tijd, vijf jaar geleden, dat Arend Dirk Glas voor de bemanning van zijn bobsleeteam de remmers uit de kroeg viste, en hen niet exact kon vertellen in welk avontuur zij zich zouden storten omdat hij er zelf ook geen idee van had. Hij zou wel zien waar het schip strandde, of beter: de slee crashte.

JOHAN WOLDENDORP

De piloot van de viermansbob, die kwalificatie voor de Olympische Winterspelen van Nagano probeert af te dwingen, kijkt met een glimlach terug op die passages uit het vrolijke jongensboek. Glas (29) was roeier en werd op zeker ogenblik door de Bob en Sleebond Nederland (BSBN) benaderd om een cursus te volgen. Hij kreeg een roeimaatje zo gek om hem te vergezellen. Beiden raakten verzeild in een wonderlijke wereld. “We hadden er geen idee van wat ons te wachten stond. Op een dag moesten we naar Innsbruck. We kwamen aan op zondagavond en reden op maandagochtend naar de baan. Het was voor het eerst in mijn leven dat ik een bobsleebaan zag. 's Middags werden we in een slee geduwd, ik moest sturen. Ik had het gevoel dat het verschrikkelijk goed ging. We kwamen beneden zonder te crashen. Dat was heel wat, want van de 25 crashten er tien.”

“Achteraf gezien was het natuurlijk belachelijk. Ik was roeier en atleet, geen sleeër. In het roeien zat ik leuk in de subtop. Ik heb een keer als onderdeel van een groep de Varsity gewonnen, een keer de Heineken Vierkamp, dat werk. Voor 7500 gulden is toen een tweedehands bob gekocht. Ik had ook nog een remmer nodig voor een wedstrijd. Die heb ik uit de bar geplukt, waarna we op stap konden. Dat wil zeggen: we moesten nog wel een auto en een aanhanger regelen. Dat lukte pas op de dag voor het vertrek.”

Glas ging van het bobben echt zijn ziel en zaligheid maken, toen hij een half jaar voor de Winterspelen van Lillehammer Rob Geurts in actie zag. Hij investeerde royaal in tijd en zocht naarstig naar middelen. “Als student bedrijfseconomie had ik veel tijd. Ik studeerde gemakkelijk en goed. Met de financiën ging het minder vlot. We waren bijvoorbeeld altijd afhankelijk van vervoer door anderen.” Om maar niet te spreken van de personele invulling. De aanloop naar zijn eerste WK, in 1995, is een ander amusant hoofdstuk uit voornoemd jongensboek. “Ik moest vier wedstrijden sleeën om daar te komen. Uit pure nood heb ik één keer een skileraar en een barkeeper uit Sankt-Moritz in de bob gezet, anders kon ik niet aan de norm voldoen.”

Een bijzondere ervaring was voorts de kennismaking met de als lastig gekwalificeerde baan in Königssee, in Zuid-Duitsland. “Ik had een remmer van het eerste uur meegenomen. Hij wist een verschrikkelijk goedkoop hotelletje, zes kilometer van de baan. De tent werd gerund door een stokdove oude vrouw van 85. Haar man was 87, daar viel helemaal niet mee te communiceren. We lagen te kleumen in onze kamer, want de verwarming was kapot. Bij het ontbijt vertelde die vrouw heel opgewekt hoe vaak zij de ambulances af en aan zag rijden. We werden er gek van. Van de verhalen wisten we dat Königssee een beruchte baan was en zij kwam ons dat ten overvloede nog even inpeperen. Ik crashte inderdaad een keer en gleed de tweede keer 800 meter op mijn hoofd naar beneden.”

Het 'Team Glas' is dat stadium voorbij. De BSBN droeg in het recente verleden twee keer met succes een tweemansbob voor bij NOC(-NSF): in 1984 (Sarajevo) Job van Oostrum en tien jaar later in Lillehammer Rob Geurts. Met betrekking tot Nagano mikt de bond op twee paarden: Geurts en Glas. Wanneer de laatste na het handvol nog op de rol staande wereldbekerwedstrijden minimaal twaalfde staat in het geschoonde tussenklassement, reist voor het eerst een Nederlandse viermans bob naar de Spelen. Voorlopig is de 'droom' nog ver verwijderd van de realiteit. De eerste World Cupsessie in Calgary verliep nogal teleurstellend. Voor de tweemans bob van Geurts, wiens achttiende plaats in Canada in dit stadium iets meer perspectief biedt, geldt dezelfde plaatsingsnorm.

Op de 'thuisbasis' in Winterberg moeten over twee weken de eerste tekenen van revanche zichtbaar worden. Glas cs kennen de piste in Sauerland als weinig anderen. Het afgelopen weekeinde werd er voor de zoveelste keer geoefend. In de zomermaanden wordt voor de droogtraining ook al tot vervelends toe de vier uur lange reis vanuit Groningen ondernomen. Glas is lid van de bob- en rodelclub van Winterberg om tegen sterk gereduceerd tarief van de baan gebruik te kunnen maken. Per ritje van 1700 meter scheelt dat vijftig mark. Met 171 afdalingen per seizoen verdient hij op die manier een heel kapitaal. In een door een Brabantse familie gerund hotel - in een brochure wordt heel subtiel geworven onder Nederlanders die geen Duits willen spreken - is het Team Glas kind aan huis. Zaterdag werden familieleden en relaties uitgenodigd voor een heuse gala-avond. De ploegpresentatie 's middags viel deels in het water, omdat de piepkleine BSBN er niet in slaagde ook het 'Team Geurts' op het toneel te toveren. Geurts was wel aanwezig om te trainen (en te feesten), maar vreesde publicitair ondergesneeuwd te raken doordat Glas de regie van het weekeinde naar zich toe had getrokken.

De gedrevenheid bij de piloot en zijn remmers Lino Ottenhof, Frank van den Berg, Edward Cyrus en de reserves Johan Niemeijer en Jeroen Bakker is groot. Via het Olympisch steunpunt in Groningen betrokken ze een manager. Van NOC-NSF kregen ze een nieuwe, lichtere neus voor de in 1995 aangeschafte 'professionele' slee. Aan werken komen de beroepsamateurs niet toe. Glas: “Ik doe al drie jaar niets anders dan bobsleeën. Ik heb op mijn curriculem vitae een parttime werkervaringsplek op een kantoor waar een goede vriend werkt.” Van den Berg, afgestudeerd psycholoog: “Ik doe op projectbasis wat dingen. Ik hoop allerlei zaken die ik nu in de sport tegenkom, zoals concentratie, voorbereiding, visualisatie en teamgeest, later in de praktijk te kunnen gebruiken.” Hij heeft een lijntje liggen naar NOC-NSF, dat zich bezighoudt met de gevolgen van het beëindigen van een sportcarrière. Na het seizoen wil Van den Berg aandacht aan zijn maatschappelijke loopbaan besteden, al droomt hij nog zoeter van een vervolg als piloot. “Als we beter worden, krijgen we door de sport ook meer inkomsten. Dat vind ik ook een aantrekkelijke optie.”

Op Ottenhof na - die een schaatsachtergrond heeft - stammen de remmers stuk voor stuk uit de atletiek. De trainer (Vredeveld) heeft eveneens in die sport zijn sporen verdiend. Bij een remmer (een achterhaalde uitdrukking, hij oefent die functie alleen nog bij de finish uit en niet meer om de bob door de bochten te kunnen loodsen, zoals vroeger) is de startsnelheid essentiëel. Verlies van twee-tiende seconde is al catastrofaal. In die zin is bobsleeën geen sport die persé in landen met strenge of gematigde winters beoefend hoeft te worden. Zo heeft Jamaica een bobteam omdat er enkele goede sprinters rondlopen. Er is zelfs een film over gemaakt, Coolrunnings. Arend Glas: “Als ik die Jamaicaanse renmmers had, zou ik bij de top tien van de wereld zitten. Aan de andere kant hebben de Amerikanen Leroy Burrell getest. Een superatleet, maar hij liep als een dweil achter de bob aan. Het is een heel speciale manier van trainen, je kunt niet zomaar een bob aanduwen. Ik ken vier mariniers, vier bomen van kerels met een geweldig goede potentie, maar zij zijn we wel vier keer gecrasht.”

In Nederland wierpen types als tienkamper Robert de Wit en schaatser Jan Ykema zich - kortstondig en dus zonder al te veel succes - op als remmer. Ze voldeden bovendien aan een andere wezenlijke eis: het waren zwaargewichten. Een viermans bob inclusief bemanning mag 630 kilo wegen (een tweemans bob 390 kilo). Hoe lichter de slee, des te zwaarder uiteraard de inhoud. De Nederlandse bob is met 250 kilo nogal aan de zware kant. Dat gaf laatst in Calgary problemen, omdat Glas en zijn eerste remmer Ottenhof samen te veel kilo's telden. Ottenhof, 105 kilo schoon aan de haak, moest toen plaats maken voor een lichtere, onervaren collega. Arend Glas: “Het beste is een lichte slee aan te vullen met zware mannen. Dan creëer je meer massa. De jury weegt pas na afloop, maar iedereen speelt uiteraard op zekerheid. Je leert op alle kleine dingetjes letten. Een voorbeeldje: in mijn onwetendheid pakte ik in het begin uit de koelbox van de supermarkt een pak volle melk. Ik werd onmiddellijk gecorrigeerd; ik kon beter magere melk drinken.”

Pijnsport

Bobsleeën is buiten dat ook en vooral een materiaalsport. Het Team Glas moet het zien te rooien met een budget van een kleine ton en kijkt verlekkerd naar de Duitse collega's, die een miljoen te besteden hebben. Experimenten met sleeën, (verwarmde) ijzers en remmen zijn talloos. Zo talloos dat de internationale bond FIBT inmiddels een meer dan honderd pagina's dik boek met verboden heeft uitgebracht om van de sport geen genante materiaalslag te maken. Glas: “Ik weet nog dat die Zwitsers met verwarmde ijzers kwamen. Ze wonnen alles, er viel niet tegen te sleeën.” Bepaalde innovaties werkten trouwens contraproductief. De sigaar, waarmee Zwitserland niet zo lang geleden de 'wereld' verstomd deed staan, suisde met een snelheid van 160 km/uur neerwaarts, maar was volstrekt onbestuurbaar. De sigaar verpulverde tegen de wand.

Hoe eerlijk de FIBT het spel ook probeert te spelen, het geld verdoezelt de verschillen niet. Glas: “Omdat de start waanzinnig belangrijk is, investeren de rijke landen daar onnoemelijk veel geld in. De Duitsers hebben meetapparatuur waarmee je tot één honderdste van een seconde kunt nagaan hoe hard iemand moet lopen. Maar het kost 10 000 gulden per dag om die apparatuur op te zetten.” Hetzelfde geldt voor de ijzers. “Dat is iets ongrijpbaars”, vertelt de piloot. “Het is net als met schaatsen. Je moet ze vertrouwen. Je kunt tien ijzers hebben die exact dezelfde zijn, maar toch besluiten om acht weg te gooien. Toppers maken trouwens zelf hun ijzers. Ze hebben honderd sets ter beschikking, waarvan ze er twee goed vinden. De besten komen uit Dresden. Ze kosten 10 000 mark per set. We zijn er nu twee aan het uittesten.”

Ontmoedigend vinden Glas en de zijnen het niet. Ook is al bobsleeën in niet geringe mate ook een pijnsport. Glas: “Ik heb een keer een hersenschudding en wat schouderblessures gehad. Het valt wel mee dus.” Van den Berg: “Je lijdt vooral pijn. Spikes in je been, omdat een ander op je dijen springt of gaat staan, spierverrekkinkjes, het is schering en inslag.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden