Opgenomen in een toeristische route

,,Literatuur heeft voorlopig niets met Kosovo te maken. Kosovo kan ooit kunst worden.'' Zo reageerde Marcel Möring in Letter & Geest van 1 mei op de veelgehoorde oproep aan schrijvers zich met de oorlog te bemoeien.

In zijn bijdrage aan de oorlogsdagboeken besteedt de schrijver Nicolaas Matsier geen aandacht aan Kosovo, hij richt zich op de vraag of de ervaring van een oorlog zich wel leent voor fictie. En of we ons niet moeten beperken tot ooggetuigeverslagen. ,,Of zullen zulke verslagen de tand des tijds niet weerstaan en het toch heus gaan verliezen van allerlei vormen van semi-documentaire, semi-fictie, of zelfs pure fictie? Om van soaps nog te zwijgen.''

Opgenomen in een toeristische route

Begin jaren tachtig was ik op vakantie in Noord-Frankrijk - Elzas-Lotharingen, gezinsgewijs. De kinderen waren nog klein, bijna vier en bijna zes. We stonden op een kleine camping. Waar we waren, wist ik nauwelijks. Ik geloof dat we Straatsburg nog even wilden aandoen. Omdat ik 's morgens vroeg wakker werd, verliet ik de tent voor een kleine wandeling. Weldra begreep ik dat we ons nabij een voormalig concentratiekamp bevonden. Want dat stond op een bord.

Je hebt in Frankrijk twee soorten toeristische borden. De ene soort is groen en verwijst naar bezienswaardigheden van geologische of landschappelijke aard. De andere soort is bruin en betreft de cultuur. Dit bord was bruin en wees de weg naar een concentratiekamp waar ik nog nooit van gehoord had. Het heette Le Struthof. Het hek was nog op slot. Het was dan ook vijf of zes uur 's morgens. Afgezien van één enkele jogger was er nog geen mens te zien.

Die hulp aan de toerist verwarde me, een concentratiekamp kon blijkbaar worden opgenomen in een toeristische route. Maar waarom ook niet? Zo'n kamp hoefde zich, als het er nog altijd was, toch niet verborgen te houden? Tijdens dezelfde vakantie, waren we op plaatsen geweest uit de voorlaatste wereldoorlog. Dat was een oorlog waarmee ik minder zat, om zo te zeggen. We waren in de buurt van Verdun geweest en hadden daar met grote belangstelling - en zeker ook onder de indruk van wat we zagen - rondgekeken. Daar waren we slagveldtoeristen geweest, en bezoekers van onafzienbare militaire begraafplaatsen, monumenten en musea.

Le Struthof vervulde me met een zekere verlegenheid. Het was mijn eerste concentratiekamp. Maar goed: nu we er dan toch waren, wou ik er ook wel in. We bekeken het kamp, met kinderen en al, en leerden het een en ander dat we nog niet wisten. Zoals, dat in dit verbazingwekkend kleine gebouw, niet groter dan wat ze vroeger een tweeklassige school genoemd zouden hebben, door mensen die verbonden waren geweest aan een faculteit van de Universiteit van Straatsburg proefnemingen waren gedaan met vergassing.

Hier was een proefstation geweest, op kleine schaal, van wat later in Auschwitz tot een grootscheepse routine geperfectioneerd was. We keken een beetje rond in de barakken. Bevreemd stelden we vast hoe de bergachtige omgeving, waar wij kampeerden, er vanaf deze plek uitzag. We lazen de kennelijk door vrijwilligers geschreven toelichtende teksten. We legden een en ander zo goed mogelijk uit aan ons drie- en vijfjarige kindergezelschap, en we vertrokken weer.

Dit is, met nog een ander kamp - zelfde vakantie, zelfde streek - overigens alles wat ik op dit gebied gezien heb. Of anderen deze lichte schichtigheid ook kennen, ik weet het nauwelijks. Maar zelf vind ik dat je dit soort plekken eigenlijk niet op mag zoeken. Maar eromheen lopen is ook niet in de haak. Hetgeen natuurlijk geen erg duidelijke gedragslijn oplevert. Daarnaast ben ik ook nog van mening dat een minimale bagage op dit gebied een vereiste is voor een mens die geen vreemdeling wil wezen in zijn eigen eeuw, of in die van zijn ouders.

Al met al zijn de boeken die ik over deze periode las en de films die ik zag toevallige, losstaande incidenten geweest. Hoezeer dat altijd het geval was, merkte ik in 1991, toen ik het indrukwekkende boek las dat Sem Dresden gewijd heeft aan 'Vervolging, vernietiging, literatuur'.

Tot zijn emeritaat was Sem Dresden (1914) hoogleraar in Leiden, eerst Franse taal- en letterkunde, later vergelijkende literatuurwetenschap.

'Vervolging, vernietiging, literatuur' is zowel een studie alsook vooral een lang, zichzelf steeds hernemend essay waarin almaar kernvragen gesteld worden naar wat literatuur doet en kan, in verband met wat men gaandeweg steeds vaker is gaan aanduiden met de plaatsnaam 'Auschwitz'.

Dresden besteedt aandacht aan principiële vragen als: leent de ervaring van het kamp zich überhaupt wel tot fictie of moesten we het maar liever houden bij ooggetuigeverslagen? Ook komt regelmatig de onrustbarende vraag aan de orde wat de lezer eigenlijk uitvoert als hij zich in zulke boeken verdiept.

Een terugkerend trefwoord bij Dresden is 'deelneming'. De auteur moet dat woord zorgvuldig gekozen hebben. Deelneming is hier bijna het tegendeel van identificatie. Het is een term voor de houding van de lezer ten opzichte van wat Dresden 'oorlogsliteratuur' noemt. Alle betekenissen van het woord 'deelneming' zijn daarbij welkom. Die van participeren evenzeer als die van deelneming betuigen. Met dien verstande dat het deelnemen uiterst letterlijk moet worden opgevat. Van enige ervaring van het geheel kan namelijk slechts pars pro toto sprake zijn. De geheelnemer - om het zo maar te zeggen - heeft het immers niet overleefd. Deze opvatting, die afkomstig is van de auteur Primo Levi, komt erop neer dat overlevenden niet de ware getuigen kunnen zijn. Aangezien de echte getuigen de weg tot het einde zijn gegaan en omgekomen, kunnen de overlevenden alleen op onvolledige wijze getuigen.

Primo Levi keert hier terug tot de oudchristelijke betekenis van het woord 'martelaar'. Dat verwijst naar degene die - al getuigend van zijn of haar geloof - ter dood gebracht werd als slachtoffer van de christenvervolgingen. Als je deze extreme definitie van getuigen - als (hoe dan ook) vermoord worden - onderschrijft, is degene die het overleefd heeft natuurlijk al een stuk minder geloofwaardig: hij getuigt immers van wat hij niet heeft meegemaakt. Bovendien zullen degenen die in deze zin getuigenis afleggen, dat niet kunnen zonder schuld- en schaamtegevoel. Deze getuigen in tweede instantie, tot op zekere hoogte 'valse' getuigen dus, zijn degenen om wie het Dresden in zijn boek gaat. Hoe verhoudt de lezer zich tot hen, en hoe verhoudt hij zich - via hen - tot de verdwenen getuigen van de eerste categorie?

Deelneming is hoe dan ook het woord waarmee de door Dresden onderzochte lezer van 'oorlogsliteratuur' zich dient te redden, als hij per se zou moeten aangeven waarom het hem begonnen is. Het woord is niet opgenomen op het overigens zeer omvattende register. Ook schaamte komt daar niet in voor - zoals wel, meer dan eens, in het boek zelf. Het lijkt mij dat het niet te ver voert te veronderstellen dat gêne en schaamte niet alleen het uitgangspunt voor het schrijven hebben gevormd, maar vooral de alles doordringende ervaring zijn die nu juist als zodanig begrepen wil worden.

Herhaaldelijk komt de lezer in Dresdens boek 'uiterst korte verhalen' tegen. Dit is er zo een. ,,Op een gegeven moment worden volwassenen van deportatie vrijgesteld als ze werken kunnen en daarvoor geregistreerd zijn. Hun kinderen vallen uiteraard niet onder de vrijstelling. Een vader besluit daarop zich te melden voor het werk en neemt zijn dochtertje, dat een slaapmiddel heeft gekregen, in zijn rugzak mee; het kind begint te huilen, een bajonet wordt door de rugzak gestoken en de vader krijgt de kogel. Drie rijen achter hem wilde een gezin hetzelfde proberen. De ouders zien wat er gebeurt, de vader staat verdwaasd, de moeder sist hem toe de zak op de stoeprand te leggen. Hij doet het en keert terug.''

Bijna iedereen zal wel eens zo'n uiterst kort verhaal gelezen of gehoord hebben, verteld - per definitie - door een overlevende. Zoals die bijvoorbeeld in de film 'Shoah' van Claude Lanzmann aan het woord komen. Het vertellen, maar ook het aanhoren of lezen van deze uiterst korte verhalen, waarop commentaar overbodig lijkt, is het vreemde voorrecht van degenen die de georganiseerde moord overleefd hebben - en hun omstanders danwel willekeurige latere lezers.

In misschien honderd woorden, komt op een louter verslaggevende toon een gezinsverband aan zijn eind. In al hun simpelheid hebben deze uiterst korte verhalen, juist doordat ze als waargebeurde geschiedenissen deel uitmaken van 'de' geschiedenis, een verpletterend effect - een effect dat, zou je kunnen denken, onvergelijkbaar is met dat van enige verzonnen geschiedenis.

Of niet?

Maar zal dat effect blijvend zijn, ook voor komende generaties, of is het toch afhankelijk van de bereidheid bij de lezer of bij de luisteraar om het verhaal als een ware geschiedenis te aanvaarden? En hoeveel van 'De Geschiedenis' moet men kennen om geraakt te kunnen worden? Zullen zulke ooggetuigenverslagen de tand des tijds weerstaan of gaan ze het toch heus verliezen van allerlei vormen van semi-documentaire, semi-fictie, of zelfs pure fictie? Om van soaps nog te zwijgen.

Maar zelfs bij het lezen of aanhoren van zo'n uiterst kort verhaal, dat klinkt als een samenvatting, terwijl het 't hele verhaal is, zo'n verhaal dat ons zonder namen verteld wordt, want de namen zijn eenvoudig niet bekend, alleen de naam van de vertellende ooggetuige zouden we misschien kunnen achterhalen - maar zelfs bij het lezen van zo'n uiterst kort verhaal rijst de vraag: doet het ertoe, en zo ja, hoeveel doet het ertoe, dat we er niet aan ontkomen om deze geschiedenis direct te horen als een van de vele duizenden of zelfs tienduizenden geschiedenissen? Als een van de vele, en dus tegelijk als een soort van model of exempel van zulke geschiedenissen? Waarbij de lezer of toehoorder weet: er is geen beginnen aan om hierbij namen te willen weten.

,,In een luie stoel ontspannen lezen met koffie bij de hand? Het is alleen maar totaal ongepast te noemen'', schrijft Dresden ergens. Elders noemt hij de lezer van 'oorlogswerken' een raadselachtige figuur. Hoe zou hij erin kunnen slagen te verwerken en mede te delen wat hij ondergaat, of hoe zou hij zijn lectuur kunnen karakteriseren? Het raadselachtige van zijn lectuur en van hemzelf is wel dat hij er een vreemdsoortig genoegen in schept steeds maar door te gaan. Hij is niet meer in staat zich te bevrijden, hij leest meer en meer zonder een einde, laat staan een oplossing te vinden. Hij is gefascineerd, behekst, en zou bijna willen beleven wat hij leest, maar bevindt zich op veilige afstand.''

Geen lezer of televisiekijker die niet enigermate vertrouwd zal zijn met het hier aangeduide gevoel van discrepantie. Maar is het niet juist bij de gratie van zijn fitheid en uitgerustheid dat de lezer kan gruwen? Want ook aan zijn opnamecapaciteit zijn grenzen gesteld. Als je passages leest uit de verhoren van de Neurenberger processen of foto's bekijkt uit het getto van Warschau, of van die uiterst korte verhalen leest, dan neem je na enige tijd eenvoudig niets meer op. Zoveel gruwelijkheid, aan een stuk door, dat kan niemand aan.

Nog een ander vraagstuk zonder antwoord. Breekt er ooit enig moment aan waarop de gebeurtenissen begrijpelijk of verdragelijk worden? Ik zou het niet denken. Waarop is de lezer dan uit? Of herhaalt hij, in zijn betrekkelijk zinloze arbeid, de gebeurtenissen alleen om er bij volle bewustzijn getuige van te zijn, zo goed en zo kwaad als dat gaat, en om zo, met terugwerkende kracht, als het ware versterking te leveren aan degenen die erbij waren? Het is duister, het gevoel, niet dat het getto en kamp een zin zouden hebben gehad want dat hebben ze nu juist niet; maar dat we er iets van dienen op te steken.

Opmerkelijk genoeg geeft Dresden zich er nergens rekenschap van dat de herinnering aan de oorlog zelf een historisch aangelegenheid is - een zaak die almaar in beweging is. De opbouw van herinneringen aan de oorlog heeft immers wel iets van de manier waarop de jaarringen van een boom ontstaan. Een iets recenter boek, van een veertig jaar jongere auteur, Frank van Vree (1954), gaat daarover. Het verscheen in 1995 en heet 'In de schaduw van Auschwitz'. Matige titel maar een goed boek.

Van Vree beschrijft daarin de veranderingen in de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Een van de hoofdstukken is gewijd aan de geschiedenis gestold tot monument. Het zal niemand ontgaan zijn dat er in Duitsland al geruime tijd verwoed gediscussieerd wordt over het grote monument dat in Berlijn dient te verrijzen. Dat monument moet alles tegelijk zijn. Het moet de moord op de joden en op alle andere groepen die in de kampen omgekomen zijn, gedenken, en het moet natuurlijk ook het visitekaartje zijn van het nieuwe, het moderne, het gewoon democratische, het fatsoenlijke Duitsland van nu.

Daarbij doet zich, alweer, de vraag voor: wat vermag een monument? Kan een monument de last van de geschiedenis dragen? En hoe dan wel? En de geschiedenis van wie precies? Kunnen wij dat nog wel, monumenten bouwen?

Het denken over oorlogsmonumenten, ook in ons eigen land van direct na de oorlog, en in de daaropvolgende decennia, wordt door Van Vree goed gedocumenteerd beschreven in een essay, getiteld 'Weerbarstige ervaringen. Vroege monumenten en de kunst van het herdenken'. Het was voor mij verrassend te lezen dat niet alleen de Duitsers ruziën over hoe het verleden in een monument levend gehouden, of bezworen, danwel beleden, of nu juist eens en voor al afgelegd dient te worden, maar dat er ook in Nederland bij voortduring gestreden is over karakter en vorm van de oorlogsmonumenten.

Aanvankelijk nam het voormalige verzet, waarvan vele kunstenaars, onder wie ook beeldhouwers, deel hadden uitgemaakt, het voortouw. En niet ten onrechte. Ook onder hen waren slachtoffers gevallen, zowel Gerrit van der Veen als anderen. Maar het voormalige verzet had al snel niet meer zo veel in de melk te brokken. Het vooroorlogse gezag had de regie spoedig weer in handen. Monumenten dienden, ook als ze lokaal waren, toch allereerst nationaal te zijn - en vooral allerhande vastberadenheid en trouw te belichamen. Van andere slachtoffers dan militairen, zeelui en verzetslieden was geen sprake. De enormiteit bij uitstek, de moord op de joodse medeburgers, speelde aanvankelijk nauwelijks een rol. Omstreeks de jaren zestig begon er ruimte te komen voor monumenten die de aandacht vestigden op afzonderlijke groepen van slachtoffers.

Het Anne Frank Huis werd in 1956 te elfder ure behoed voor de sloophamer; de Anne Frank Stichting dateert van 1957; het Museum van 1960. Zoals bekend is een en ander vooral het initiatief geweest van vader Frank. De Hollandsche Schouwburg, althans de zorgvuldig in ere gehouden ruïne daarvan, werd officieel in gebruik genomen in 1962. Het monument voor de vrouwen van Ravensbrück, uit 1975, kwam - zoals Frank van Vree terecht opmerkt - mede voort uit de actieve feministische beweging. Het vrij onbekende Zigeunermonument bij het Amsterdamse Museumplein dateert van 1978. Het Homomonument aan de Prinsengracht stamt uit 1988. Het recentste monument, dat voor het joods verzet (aan de Amstel, hoek Zwanenburgwal) is eveneens uit 1988. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat dit monument op den duur de hekkensluiter zal blijken te zijn geweest.

Zo hebben de monumenten, van het hoogst retorische en foeilelijke Nationale Monument op de Dam tot het laatstgenoemde, nabij de ingang van het stadhuis, zelf geschiedenis geschreven en getuigen ze van een geleidelijk wijzigende houding tegenover het verleden dat wel verder weg geraakt is maar nog lang niet uitgewerkt lijkt te zijn.

Om op mijn kinderen terug te komen - ik denk dat het vooral mijn kinderen zijn geweest die me ertoe gebracht hebben om jaarlijks de dodenherdenking bij te wonen. Mijn kinderen hebben er, alweer een jaar of tien geleden, voor gezorgd dat ik een bezoek heb gebracht aan het Anne Frank Huis. Het Anne Frank Huis ligt toevallig op een van mijn doorgaande routes. Per jaar kom ik daar met gemak duizend keer langs.

Ik denk niet dat ik er zonder kinderen ooit een voet gezet zou hebben. Ik moet bekennen dat ik dit Madurodam van de oorlog, dit poppenhuis van de holocaust, slechts met enige moeite weet te appreciëren. Kwaad steekt er niet in, denk ik altijd maar. Maar het zou toch ook een godswonder mogen heten als iemand in het Anne Frank Huis iets opsteekt over de oorlog. En toch, en toch. Ik hoef maar aan mijn eigen dochters te denken om te beseffen dat ik me daarin vergis.

De verbouwing van het Anne Frank Huis is kort geleden voltooid. Ik had steeds aangenomen dat de nieuwbouw die de afgelopen jaren op de hoek van de Westermarkt verrezen is, als één enkele gigantische wachtkamer moest gaan fungeren. Die bezoekers in spe van het Anne Frank Huis kon je jaar in, jaar uit in de rij zien staan op de stoep van de Prinsengracht - zo'n Eftelingachtige rij, langs de huizen. Die rij heb ik altijd de vleesgeworden paradox gevonden, want de schaal van het Achterhuis, met zijn intimiteit - laat ik het zo toch maar noemen - van een niet helemaal onluxueus noodverblijf, is natuurlijk volstrekt onverenigbaar met grote bezoekersaantallen. Wat ik eigenlijk nogal mooi vind. Maar de afgelopen weken heb ik gezien dat de bedoeling van de verbouwerij blijkbaar niet is geweest om die rij van wachtenden voortaan binnen, in een wat comfortabeler wachtruimte te kunnen onderbrengen. Want die rij staat er nog steeds. Gewoon op de stoep, langs de huizen van de Prinsengracht. Misschien wel om de bezoekers er van meet af aan op te wijzen dat wat ze gaan zien één op één is, en driedimensionaal, mensenmaat. En dat ze dus op elkaar moeten wachten. Misschien toch niet zo'n gek monument, al met al.

En ondertussen is er alweer een dikke halve eeuw, in vrede en welvaart, voor nodig geweest om die ene vervloekte oorlog uit te werken en in kaart te brengen en eronder te krijgen - voorzover zoiets mogelijk is. Daarbij valt alleen maar te hopen dat zo'n halve eeuw nog eens aan mag breken voor een paar gebieden, niet alleen in Europa natuurlijk, waar zelfs niet eens gedroomd wordt van het begin van het eind van het moorden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden