opera

Uitzending op 3 mei vanaf 19.05 via Radio 4.

Hèt medium voor oprakeling van vergeten opera's - de matinee op de vrije zaterdag - liet het verrassend genoeg totaal afweten. De poging tot eerherstel van Goldmarks opera liep uit op een daverende mislukking.

Goldmark schiep in 1875 een pompeus-bombastisch werk over een driehoeksrelatie tussen de koningin van Sheba (mezzo-sopraan), Sulamith (sopraan) en Assad (tenor). Assad en Sulamith, dochter van de hogepriester in het Jeruzalem van koning Salomo, zijn voorbestemd om te trouwen. Assad heeft het bezoek van de koningin van Sheba aan Israël voorbereid en is tijdens zijn bezoek aan haar rijk gevallen voor een onbekende vrouw. Die onbekende blijkt bij aankomst niemand minder dan de koningin zelf, die echter volhoudt Assad nooit te hebben ontmoet.

Zij speelt vervolgens een sinister spel van aantrekking en afstoting met Assad, die uiteindelijk tijdens de huwelijksinzegening met Sulamith buiten zinnen raakt en recht vóór de Ark des Verbonds zijn God en zijn geloof vervloekt. De trouwe Sulamith krijgt bij Salomo gedaan dat deze de doodstraf voor Assad omzet in verbanning naar de woestijn, waarheen zij hem volgt. Daar probeert de koningin van Sheba hem nogmaals te verleiden, maar Assad kan haar nu weerstaan en sterft verlost van zijn zonden in de armen van Sulamith.

Overuren

Je kunt er donder op zeggen dat in zo'n bijbels-exotisch verhaal de harp en de fluiten overuren moeten maken; en zo was het ook. Goldmark vervulde nog meer bij voorbaat gemaakte klankvoorstellingen en pakte op sommige plaatsen (bijvoorbeeld bij het binnenschrijden van de koningin van Sheba in Jeruzalem) zo groots en overdonderend uit dat de spektakels van Meyerbeer in herinnering leken te verschrompelen tot fijnzinnige kamermuziek. Het lijkt er voortdurend op dat Goldmark - met in zijn achterhoofd Meyerbeer, Wagner en Gounod - op zoek is gegaan naar het muzikale equivalent van de machtige ceders van Libanon.

Overdaad

De ruim drie uren muziek zijn van een overdaad, die zelfs voor de doorgewinterde liefhebbers van de matinee teveel was. Toen aan het begin van het derde bedrijf het ballet 'de Bijendans' begon, zag de zaal van het Concertgebouw eruit als een leeggelopen honingraat. En toch heeft Goldmarks muziek kwaliteit. De orkestratie is dan wel overdadig, maar klinkt op sommige plekken (de zandstorm in het vierde bedrijf!) meesterlijk.

De aria's klinken melodieus en het lokgezang van Astaroth (werkelijk heel mooi gezongen door de Nederlandse sopraan Renate Arends) is bijzonder origineel. Het gran pezzo concertato aan het slot van het tweede bedrijf was beslist meeslepend. Goldmarks meesterzet komt echter helemaal aan het eind als hij het vrouwenkoor bij de dood van Assad de opkomstaria van Sulamith 'Der Freund ist dein' laat herhalen. Een geniale, ontroerende muziektheater-truc, een Puccini waardig.

Stembandverlamming

Maar, maar, maar: die aria's, en vooral de uiterst moeilijke recitatieven daaraan voorafgaand, zijn van dien aard dat slechts de allergrootste zangers ze bevredigend kunnen zingen. En daar bleef de matinee hopeloos in gebreke.

De oorspronkelijk aangekondigde Alessandra Marc en Dagmar Peckova hebben bij nauwkeurige bestudering van de partituur waarschijnlijk verschijnselen van acute stembandverlamming gekregen en meldden zich beiden af. En dat terwijl iemand als Marc toch zonder blozen een partij als 'Turandot' kan zingen.

Haar vervangster in de rol van Sulamith was Dagmar Schellenberger; vervangster van Peckova in de titelrol was Jane Henschel. De arme Schellenberger had de rol natuurlijk nooit mogen aannemen; wie hem haar aanbood, mag wel eens vocale geschiedenis gaan studeren. Met ijzingwekkende uithalen probeerde zij in elk geval de onmogelijke tonen te treffen, maar er zat absoluut geen rek meer op de stem.

Ook Henschel kwam voortdurend in de problemen, maar hield zich uiteindelijk nog enigzins staande. Tenor Wolfgang Millgramm (Assad) hijgde en strompelde naar de eindstreep; zijn 'Magische Töne' (glansnummer van tenoren als Caruso en Slezak) was een gevecht met de vocale zwaartekracht.

Peter Sidhom (koning Salomo) zong potent, maar ruw en de fameuze Bayreuth-bas Matthias Hölle mocht zich als hogepriester zo weinig laten horen, dat hij het niet eens de moeite vond om tijdens het slotapplaus de trap af te dalen.

Het Radio Symfonie Orkest speelde onder Daniel Nazareth bepaald niet fijnzinnig, maar daar vroeg Goldmark ook niet om. Nazareth liet vaak de balans verloren gaan, waardoor de zangers (die achter het orkest stonden opgesteld) het nog moeilijker kregen. Op Arends en Hölle na, kwam de beste bijdrage eigenlijk van het Groot Omroepkoor.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden