opera

AMSTERDAM - Adventure seats? Alle stoelen in het Muziektheater werden donderdagavond omgetoverd tot zetels van avontuur op het moment dat al het licht werd uitgedraaid. Door het wegebbend geroezemoes en gehoest heen drong een lage toon de ruimte in, de diepe es uit acht contrabassen waar Richard Wagner 'Das Rheingold' mee laat beginnen.

Het werd doodstil. Vanaf mijn plaats op het tweede balcon midden voor, zag ik ver onder mij een klein lichtpuntje in 'ruhig heitere Bewegung'. In het pikkedonker dirigeerde Hartmut Haenchen het zacht aanzwellend es-groot akkoord dat de Rijn kenschetst (es-groot werd vroeger bij voorkeur gebruikt voor natuurscènes). Heel langzaam viel er een gouden schijnsel op de acht hoornisten die de oerstroom uitdrukten.

Terwijl aarzelend als ochtendgloren, het licht in de zaal en op het podium opging (de lampjes in het plafond werden tot magische sterrenhemel) verbreidde het gouden licht zich over de orkestbak, waarin de Rijn met zes-achtste figuren in de strijkers een steeds stromender uitdrukking kreeg.

Goudbruin vlamde het hout van de violen, altviolen en celli op, de voor-echo van 'Rheingold! Rheingold!', de stralende uitroep van de drie Rijndochters (vertolkt door een vocaal super-trio) als 'Die Weckerin' (de zon, het oerlicht, de contra-Erda) doordringt en de goudschat doet oplichten. Zo'n begin vergeet je niet meer, en dat begin bezorgde mij een 'adventurous feeling', ook al zat ik niet in een 'adventure seat'. Dit was het begin van het 'Ring'-avontuur bij De Nederlandse Opera onder muzikale leiding van Hartmut Haenchen en theatrale supervisie van Pierre Audi.

Segmenten In grootse beelden laat Audi het verhaal van de 'Vorabend' vertellen zoals Wagner in vier grote segmenten de basis legde voor de verwikkelingen in de 'drei Tage' van zijn 'Bühnenfestspiel Der Ring des Nibelungen'. Gigantisch ogen de glazen en metalen platen (ik schat 20 bij 20 meter) die onder de suggestieve spiegelende belichting, eerst het doorzichtig domein vormen voor de Rijndochters, en daarna vloer danwel plafond zijn voor het verblijf van de goden aangevoerd door Wotan, en de onderwereld van Nibelungen, een dwergenvolk met aan het hoofd Alberich. Deze decors van George Tsypin verraden diens achtergrond van architect en zijn vermogen om binnen het enorme toneelhuis de verbeelding te kaderen.

In vloeiende bewegingen en door de prachtige orkestrale tussenspelen begeleid, werden deze werelden door een feilloos werkende techniek voorgetoverd. Wat een avontuur! Binnen die scènes accenten van licht en van vuur. In een spectaculaire smidse moet het Nibelungen-volk (aardmensjes die er uitzagen grillig gevormde aardappelen) uit het goud de schatten smeden waarmee Alberich zich als heerser van het universum waant.

Herinneringen Wagner zette zijn verhaal muzikaal zo in elkaar dat thema's bepaalde gebeurtenissen kenmerken, situaties inkleuren en die weer in herinnering roepen. Hij noemde ze daarom zelf 'Erinnerungsmotive' die later als 'Leitmotive' de wereld van het componeren gingen domineren. Ook Audi werkt met zulke motieven. Hij heeft om het orkest (dat meer de zaal in zit dan normaal) looppaden laten leggen; het kruispunt ligt in het midden van het speelvlak en de toeschouwersruimte. Op dat kruispunt zingen de Rijndochters hun jubilatie 'Rheingold!'. Op dezelfde plek bast Wotan 'gewinnen will ich das Gold!' met een door John Bröcheler krachtdadig gezongen expressie.

Op dat kruispunt voltooit Alberich de vloek als Wotan hem heeft gedwongen niet alleen de goudschat maar ook de ring af te staan als losprijs: 'So segnet in höchster Not der Nibelung seinen Ring'. Het was de opwindende climax van een vocaal spectaculaire en dramatische meeslepende rolinvulling door de bariton Henk Smit. Een vondst was het van Audi om ook het optreden van de Almoeder Erda naar het midden van de zaal te manoeuvreren waar zij Wotan maant: 'dir rat ich, meide den Ring!' Geen dikke, bemodderde oermoeder, deze Erda van Anne Gjevang, maar een koninklijke verschijning in zilver-zwart gewaad dat mij deed denken aan de danseres Martha Graham, schrijdend op een witte en een zwarte schoen; wat een verfijning en detaillering in de kostuums van de Japanse Eiko Ishioka (zowel op gebied van theater, exposities als design actief).

Zeer vaak wandelde de slimme, sluwe Loge ook over dit kruispunt in zijn zwarte mantel als een gewiekst orator om tussen zijn manipulerende uitspraken door de goden fijntjes op hun goudzucht te wijzen, het dagelijks nuttigen van een gouden appel. 'Mich kümmert's minder' klinkt het dan uitdagend op een dalende melodische lijn, want hij is slechts een half-god. Een extra oorlam voor degene die tipte dat de tenor Chris Merritt met zijn soepele belcanto-stem uitgerekend dat listig opportunisme kon verklanken. Bovendien wist Merritt de gladjakker ook in zijn bewegingen zo te treffen. Een fantastisch debuut in de Wagner-wereld.

Vanuit het goudglanzend Residentie Orkest werkte Hartmut Haenchen aan een zorgvuldig genuanceerde en kleurrijke opbouw van de 'Vorabend'. In zijn visie heeft 'Das Rheingold' veel karaktertrekken van de Italiaanse opera. In de zangpartijen gaf hij dan ook ruimte aan de arioso momenten, en bleef de begeleiding steeds licht en doorzichtig zoals Wagner in zijn dynamische tekens ook vastlegde. Daar waar teutoons uitgepakt kon worden, zoals bij de opkomst van de reuzen Fasolt en Fafner (beide potente zangers) had de orkestrale uitdrukking wat mij betreft nog wel wat overweldigender uit de bak mogen komen.

Het viel op dat in volbezette passages het strijkorkest wat aan de dunne, afstandelijke kant klonk. Was het wel akoestisch wel zo gunstig om het orkest bijna op zaalniveau te plaatsen? Bij een normale lage vloerstand (de echte orkestbak) klinkt, zo is mijn ervaring, een strijkorkest voller in het Muziektheater. Speelt bovendien mee dat het strijkerscorps van het Residentie Orkest tamelijk licht, tikkeltje chique van toon is (alsof met de pink omhoog gemusiceerd wordt).

Gememoreerd moet worden dat Haenchen ook een piepklein rolletje speelt. Als Alberich tegenover Wotan en Loge pocht dat hij zich ook heel klein kan toveren, beweegt Haenchen met zijn hand een bleekgroen pad (die Kröte) over de loopplank. Wotan zet er zijn voet op en Loge grijpt Alberich. Leuk; de zaal lachte. Galgenhumor van Haenchen, een DDR-grap, want het is Haenchen die vertrapt wordt bij De Nederlandse Opera nu hij op malafide gronden wordt weggebonjourd ten gunste van Edo de Waart. Gaat de 'Ring' niet over het afzweren van de liefde om zo de macht te kunnen verwerven? Wordt vervolgd, in januari met 'Walküre'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden