Opera lokte nooit echt spook naar het Circustheater

Vol trots leidde Joop van den Ende enkele weken geleden de pers door het Circustheater. Zelfs de toiletten straalden chic uit met hun vloeren van Braziliaans goud-rose-bruin kleurend kwartsgraniet. Hier was een paleis gebouwd voor een spook dat er nooit was: het spook van de opera.

Geen vervelender uitgaansavond dan een premiere van de de Nederlandse Opera, zo herinner ik mij haarscherp. Want vanaf het begin van de jaren zeventig tot het voorjaar van 1986 werden vrijwel alle produkties in het Circustheater voorbereid, waarna aansluitend de eerste voorstelling volgde. Slechts een collega-journalist weigerde categorisch naar dat 'verbanningsoord' zoals hij Scheveningen noemde, te reizen, onder het argument: de Nederlandse Opera is gevestigd in Amsterdam. Zijn hardnekkigheid werd beloond in 1986, toen het Muziektheater zijn deuren opende en de Nederlandse Opera voorgoed Scheveningen de rug toekeerde.

In mijn herinnering stormde het altijd rond dat gebouw. De plaatijzeren buitenkant en de ongenaakbare brandtrappen wekten de indruk dat er iets geheimzinnigs of lugubers gaande was: je kon er een atoomreactorcentrum vermoeden, een radarpost vanwege de koepel, een gevangenis, maar zeker geen theater.

Eenmaal binnen stond je in een lange ronde gang. Kraak noch smaak viel te ontdekken in deze kippenren of in twee bunkerachtige ruimtes (genaamd foyers) waar je de pauze moest doorbrengen. Het toppunt van publieksonvriendelijke behandeling vormden de buffetten, waar de koffie in plastic bekertjes werd gespoten met een soort benzinepomp-slangen.

Aan de ronde zaal was geen frivoliteit af te zien; zelfs pluche ontbrak aan de stoelen. In deze ambiance voerde de Nederlandse Opera internationale sterren op het podium als Joan Sutherland, Cristina Deutekom, Teresa Stratas, Huguette Tourangeau, Catherine Malfitano, Barbara Hendricks, Frederia von Stade, Laurence Dale, Neil Rosenshein, Willard White en John Brocheler. Allemaal zangers die in eerbiedwaardige, eeuwenoude operahuizen hadden gezongen, waar eerder 'het spook van de opera' te vinden zou zijn dan in het ontnuchterende Circustheater.

Dat had evenwel een kwaliteit: de akoestiek. In de ruime orkestbak was het uitstekend spelen volgens de musici, de solisten op het podium hadden goed contact met de begeleiding en in de zaal klonk het totaal uitstekend. In dat opzicht betekende de overstap naar Amsterdam een achteruitgang.

Het Circustheater kende ik niet alleen als publiek, maar ook van de toneelzijde. Via het studententoneel kwam ik eind jaren zestig in een produktie van de Nederlandse Opera terecht, als figurant. Op die ene produktie volgden diverse andere, zodat ik dan weer als Romeins soldaat (Handels 'Julius Caesar'), vervolgens als geestelijke in een processie (Puccini's 'Tosca'), als bediende in livrei (Strauss' 'Fledermaus') of als gemaskerde feestganger (Verdi's 'Un ballo in maschera') al naar gelang de wensen van de regisseur stokstijf stond, rondjes liep of tafels het toneel oprolde. Figureren betekende eindeloos wachten, niet alleen tijdens repetities, maar ook in uitvoeringen, want voor aanvang moest je aanwezig zijn en iedereen diende aan het tableau voor het slotapplaus deel te nemen.

De saaie kantine met formica tafeltjes, getooid met obligate gesigneerde foto's van sterren, was nog de opwindendste plek in het kil ogende artiestengebouw met veel te kleine kleedkamers (het staat er nog steeds en dient nu de musical-artiesten). Nooit zelfs maar een schaduwlijn van een spook ontdekt.

Later betrad ik, als bezoeker, die andere echte theaters aan de achterzijde en maakte ik kennis met het geweldig gangenstelsel in de Parijse Opera. Overal half duistere ruimtes met gordijnen afgeschut aan de zijkanten, krakende houten vloeren, trappartijen naar weer nieuwe gangen en zalen en kamers. Uitgewoond en doorleefd. Ja, dit was de biotoop voor een spook, voor het Spook van de Opera. Brussel, voor de verbouwing, had achter en rond het toneel ook zijn charmes en geheimzinnigheden.

En zelfs in de Amsterdamse Stadsschouwburg (waar de Nederlandse Opera de meeste voorstellingen gaf na de premiere in het Scheveningse huis) kon je spookgeur opsnuiven. Maar Scheveningen: Neen. Daar stond geen door een gezelschap bewoond huis; dat was een assemblage-hal voor een gezelschap dat dagelijks al het personeel van Amsterdam naar Scheveningen transporteerde en terug. Figureren betekende dan ook talloze busritten uitzitten.

Al die herinneringen borrelden op, terwijl we achter de trotse Joop van den Ende aanstapten. Hoe nederig en klein mijn aandeel in opera-produkties ook was geweest, toch ging er even een golf van emotie door mij heen, toen we het toneel opstapten. 'Vier meter verbreed' wees Van den Ende trots naar de zijtonelen die er voorheen nauwelijks waren en waar dus geen overbodig volk mocht staan. Toch schoof ik menigmaal tijdens een repetitie een zijtoneel op om, zoveel mogelijk weggedrukt, te kijken, te luisteren, iets te ervaren wat je nooit meer zou vergeten: creaties van Gre Brouwenstijn of Gerry de Groot als Amelia in 'Un ballo' bijvoorbeeld.

Waarom liet de overheid de Nederlandse Opera zo lang aanmodderen? Waarom werd het publiek zo lang zo onvriendelijk gehuisvest? Geen wonder dat een premiere zelden uitverkocht was. Dat speelde ook door mijn hoofd, terwijl ik mij verbaasde over de aantrekkelijke ambiance die een rasecht theatermens met lef als Van den Ende hier had geschapen. Voor een spook is het te mooi en te netjes, maar het publiek en de artiesten kunnen zich verguld voelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden